Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/3741
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COA – TOELT – Taalstudio – vergoeding kosten weerwoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/3741

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser voor het laten opstellen van een contra-expertise gedeeltelijk afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 en de Iraakse nationaliteit te bezitten.

2. Op 20 november 2015 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 30 juni 2017 is deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 juli 2017 gegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2017:6412). Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Uit deze uitspraken volgt dat eiser ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het weerwoord van het Team Onderzoek Expertise Land en Taal (TOELT) van de IND. Dit weerwoord is een reactie op de door eiser overgelegde contra-expertise naar aanleiding van een door TOELT opgestelde taalanalyse.

3. Vervolgens heeft eiser aan ‘De Taalstudio’ opdracht gegeven om een reactie op het weerwoord te laten opstellen. Bij brief van 3 maart 2020 heeft eiser aan verweerder verzocht om de kosten hiervan te vergoeden.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiser gedeeltelijk afgewezen in die zin dat hij niet het volledige bedrag van € 876,- maar het maximumbedrag van € 315,- vergoed krijgt. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden voor de derde fase slechts het opstellen van een reactie op het weerwoord van het TOELT omvatten. Verweerder heeft daarom een begrenzing aangebracht in het maximaal te vergoeden bedrag. Verweerder gaat ervan uit dat het mogelijk is de derde fase af te ronden in drie uur, waarbij gesteld wordt dat een gekwalificeerd taalkundig expert een bedrag van circa € 75,- tot maximaal € 100,- per uur in rekening brengt. Verweerder concludeert op basis van het voorgaande dat in de derde fase maximaal een bedrag ter hoogte van € 315,- vergoed wordt. Verweerder is van mening dat het gedeelte van de kosten van € 876,- (exclusief BTW) dat boven dit gemaximeerde bedrag uitstijgt, bestaat uit kosten die niet samenhangen met de daadwerkelijke reactie op het weerwoord van het TOELT en daarom niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) kunnen worden aangemerkt.

5. Eiser voert aan dat sprake is van een speciaal geval waarbij meer dan drie uur is vereist voor het geven van de schriftelijke reactie op het weerwoord. Er zijn een aantal jaren overheen gegaan voordat eiser de reactie op het weerwoord kon laten opstellen, waardoor er volgens eiser meer dan drie uur voor nodig was. Daarnaast stelt eiser dat het opstellen van een reactie op het weerwoord maatwerk is en de ervaring leert dat de drie uur vaak wordt overschreden. De extra tijd moet gezien worden als noodzakelijk om een verantwoorde en degelijke reactie op te kunnen stellen. Eiser beschikt zelf niet over deze expertise en is genoodzaakt om gebruik te maken van de Taalstudio. Daarom vindt eiser het redelijk als de daadwerkelijk benodigde uren als buitengewone kosten vergoed worden. Het ligt niet aan het handelen of nalaten van eiser dat de kosten van de reactie hoger liggen dan gebruikelijk. Eiser stelt daarom dat verweerder ten onrechte de vergoeding van de meerkosten heeft afgewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een brief van 2 maart 2020 en 4 mei 2020 van de Taalstudio overlegd waarin een specificatie wordt gegeven van de werkzaamheden door de Taalstudio. De Taalstudio rekent een uurtarief van € 105,-. Er worden 8,5 uur gerekend voor het opstellen van de reactie op het weerwoord van de TOELT. De Taalstudio stelt dat de expert veel tijd nodig had om opnieuw terug te gaan naar de data om te kunnen reageren op de gedetailleerde opmerkingen van het TOELT, aangezien er geruime tijd was verstreken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 is bepaald dat een asielzoeker een vergoeding kan ontvangen voor buitengewone kosten, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Verder bepaalt het derde lid van dit artikel dat buitengewone kosten slechts worden betaald voor zover vooraf door het orgaan aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. Vervolgens bepaalt het vierde lid dat een asielzoeker aanspraak kan maken op vergoeding van buitengewone kosten in geval het noodzakelijke kosten betreft en in die kosten niet op andere wijze kan worden voorzien.

7. Gelet op uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL9320) komt verweerder bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 beoordelingsvrijheid toe omdat de invulling daarvan tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Het is aan verweerder om te beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn en naar aard en omvang in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald. Het staat verweerder vrij, gezien zijn beperkte financiële middelen, rekening te houden met de aard en de omvang van de kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd. De rechtbank moet die beoordeling terughoudend toetsen.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder toestemming heeft gegeven voor het (laten) verrichten van een contra-expertise taalanalyse derde fase. Partijen zijn verdeeld over de begrenzing van de te vergoeden kosten tot een bedrag van € 315,-.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bedrag verbonden aan vergoeding van kosten in de derde fase, in redelijkheid op het maximum van € 315,- heeft kunnen vaststellen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor € 315,- geen deskundige reactie op het weerwoord heeft kunnen laten opstellen. De enkele stelling dat er sprake is van tijdsverloop tussen het weerwoord en de reactie is daartoe onvoldoende, omdat een taalanalist zich ook in gevallen waarin geen sprake is van tijdsverloop zal moeten verdiepen in de inhoud van het weerwoord. De extra kosten volgen dus niet zozeer uit de inhoud van het werk van de contra-expert, maar zijn meer een soort ‘vertragingsschade’ door de wijze van procederen door de IND. Die kosten hoeft verweerder niet te vergoeden. Uit de door eiser overgelegde stukken van de Taalstudio kan bovendien niet worden opgemaakt om welke redenen deze werkzaamheden in zijn specifieke geval meer tijd zouden kosten ten gevolge van tijdsverloop. Daarnaast is de stelling dat het opstellen van een reactie maatwerk vergt en vaak meer dan drie uur tijd kost een algemene stelling die niet ziet op het specifieke geval van eiser.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. van Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, op 9 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.