Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10024

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
NL21.1302
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen gebruik gemaakt van een registertolk (Lu)Ganda. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 28 van de Wbtv. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.1302


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M van Breda).


Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Nakamya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is het onderzoek niet gesloten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen en eiser de gelegenheid gegeven om hierop te reageren. Op 31 augustus 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Ugandese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Op 25 juli 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij verschillende incidenten heeft meegemaakt vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.

2 Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 identiteit, nationaliteit en herkomst;

 zijn homoseksuele gerichtheid; en

 de gestelde problemen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.

3. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de homoseksuele gerichtheid van eiser en de gestelde problemen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.1

Geen registertolk

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het voornemen overwogen dat nu er geen tolk in de taal (Lu)Ganda (verder: Luganda) is opgenomen in het tolkenregister als bedoeld in de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv), gebruik mag worden gemaakt van een niet-registertolk op grond van artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Overigens blijkt niet dat eiser door het inzetten van een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad, gelet op de omstandigheid dat tijdens het desbetreffende nader gehoor niet is gebleken van communicatieproblemen en eiser meermaals heeft verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan.

5. Eiser heeft in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor2 en later bij zienswijze aangevoerd dat er tijdens het nader gehoor ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk in de taal Luganda. Het gebruik van een registertolk is een waarborg in de asielprocedure, waarop slechts in bijzondere gevallen een uitzondering gemaakt kan worden. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom er sprake was van spoed in de zin van artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Verweerder is ruimschoots in de gelegenheid geweest om tijdig een nader gehoor in te plannen met een registertolk: zijn asielaanvraag is ingediend op 25 juli 2018 en hij is pas op 16 november 2020 nader gehoord. Het projectmatig afdoen van zaken is een keuze van verweerder, de gevolgen daarvan voor de inzetbaarheid van tolken kunnen niet op eiser worden afgewenteld. Dat hij verweerder in het verleden in gebreke heeft gesteld, betekent niet dat er sprake is van spoed, de termijn van de rechterlijke dwangsom is al lang en breed overschreden. Tevens verwijst eiser naar de aard en omvang van de aanvullingen en correcties, die erop wijzen dat er wel sprake is geweest van een tolkenprobleem. Eiser had in de verlengde asielprocedure gehoord behoren te worden in aanwezigheid van een registertolk Luganda.

6. Ter zitting is desgevraagd gebleken dat de in de zittingszaal aanwezige tolk Luganda een registertolk in die taal is sinds 2017. Deze tolk heeft verder aangegeven dat er in Nederland nog een registertolk Luganda is.

7. Ter zitting is daarop verweerder in de gelegenheid gesteld navraag te doen bij de tolkencoördinator en informatie te verschaffen over het inzetten van een niet-registertolk, waarna eiser de gelegenheid zal krijgen voor een schriftelijke reactie.

8. Bij brief van 20 juli 2021 heeft verweerder nadere informatie verschaft over het gebruik van een niet-registertolk. De tolkencoördinator van de IND heeft desgevraagd bevestigd dat er inderdaad twee registertolken in het Luganda zijn maar dat beiden bij het nader gehoor niet beschikbaar waren. In het voornemen en het bestreden besluit is hierover abusievelijk opgemerkt dat er geen tolk in de betreffende taal in het tolkenregister is opgenomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser conform artikel 38, eerste lid, van de Vw is gehoord in een taal waar hij de voorkeur aan geeft. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat er op dat moment tijdelijk geen registertolk beschikbaar was en dat daarom gebruik is gemaakt van een niet-registertolk op grond van artikel 28, derde lid, van de Wbtv. In de toelichting op de inzet van tolken, waarnaar ook verwezen wordt in het verslag van het nader gehoor, staat dat gebruik wordt gemaakt van niet-registertolken om termijnen te kunnen waarborgen. Verweerder stelt dat het afzien van het gebruik van een registertolk gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid dat het nader gehoor nog heeft plaatsgevonden in de algemene asielprocedure. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar verschillende uitspraken.3 Verder lag er een gegrondverklaring van het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Overigens moeten ook niet-registertolken aan bepaalde voorwaarden voldoen om de kwaliteit van het gehoor te kunnen waarborgen.

9. Bij brief van 4 augustus 2021 heeft eiser gereageerd op verweerders brief van 20 juli 2021. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een motiveringsgebrek, het heeft er alle schijn van dat verweerder de besluitvorming in de AA-fase4 er doorheen heeft gedrukt in de wetenschap dat er wel degelijk registertolken in de taal Luganda beschikbaar zijn. De uitleg die verweerder geeft in het schrijven van 20 juli 2021 is niet juist. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 januari 2012.5 Vaststaat dat verweerder bij de planning van eisers algemene asielprocedure ten onrechte een tolk Engels had ingepland. Verweerder heeft getracht het belang van de algemene asielprocedure en de Taskforce-druk te laten prevaleren boven eisers belang door hem niet opnieuw uit te nodigen voor een nader gehoor, maar dan met inzet van een registertolk. Eiser voert aan dat hij het recht heeft om te worden gehoord met een registertolk, hij is dan ook in zijn belangen geschaad. De omstandigheid dat er tijdelijk geen registertolk beschikbaar was, valt niet in zijn risicosfeer. In het geval van een juiste planning, waarbij uitgegaan was van de noodzaak van het inzetten van een registertolk Luganda, had hij wel gehoord kunnen worden in aanwezigheid van een dergelijke registertolk. Verweerder heeft het belang van een spoedige behandeling binnen de algemene asielprocedure niet aannemelijk gemaakt. Alhoewel de bedoelde motivering waarom gebruik is gemaakt van een niet-registertolk gelezen zou kunnen worden op pagina 3 van het nader gehoor, vermeldt deze motivering geen noodzaak of spoed voor een dergelijke inzet. Een afweging over de wijze van voortzetting van de asielprocedure is niet gemaakt. Evenmin is in het gehoor als rechtvaardiging verwezen naar de gestelde dwangsommen. Eiser merkt verder op dat hij in de aanvullingen en correcties al gewezen heeft op het feit dat de tolk niet het vereiste niveau had, en dit is door verweerder niet weersproken. Tot slot heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt aan welke kwaliteitseisen en voorwaarden de gebruikte tolk wel behoort te voldoen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

10. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid van dat artikel kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.

11. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling6 stelt artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis dan dat de staatssecretaris de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Anders dan in het geval dat het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat, is, in het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf onvoldoende. Verweerder moet dan toelichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was, opdat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.

12. Door zich (mede) te baseren op het nader gehoor van 16 november 2020 heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat verweerder in het verslag van het nader gehoor heeft meegedeeld dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk, omdat een registertolk in deze taal op dat moment tijdelijk niet beschikbaar was voor verweerder.7 Alhoewel de vereiste spoed, als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv, in beginsel voortvloeit uit de algemene asielprocedure zoals de wetgever deze heeft ingericht8, is de vereiste spoed in dit geval niet aannemelijk gemaakt door verweerder. Daarnaast is het zonder meer bevreemdingwekkend, dat in zowel het voornemen als in het bestreden besluit hierover - ten onrechte! - wordt gesteld dat er in het geheel geen registertolken Luganda aanwezig zijn, en dit na gebleken onjuistheid ook nog af te doen als ‘abusievelijk’ vermeld. Ondanks dat verweerder op 16 januari 2019 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag,9 heeft het eerste gehoor pas plaatsgevonden op 12 november 2020. Tijdens het inplannen van zowel het eerste als het nader gehoor heeft verweerder een tolk Engels aan eiser gekoppeld, terwijl eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin op 1 augustus 2018 gehoord is in zijn eigen taal Luganda in aanwezigheid van een registertolk in die taal. Deze koppelingsfout in de planning van verweerder rechtvaardigt het achterwege laten van het gebruik van een niet-registertolk tijdens het nader gehoor niet. Daar komt bij dat de beslistermijn immers ook allang verstreken was. Dat er al een gegrondverklaring lag van het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dan ook in strijd met artikel 28 van de Wbtv gehandeld.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schending van artikel 28, derde lid, van de Wbtv met toepassing van 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, voor zover verweerder stelt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-registertolk. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

13.1

Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wbtv10 dient het vereiste van het gebruik van een beëdigde tolk ter waarborging van de kwaliteit en de integriteit van de tolken. Binnen het Nederlandse rechtsbestel spelen de tolken en vertalers een onmisbare rol. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler betrokken is, zijn doorgaans (deels) gebaseerd op het werk van de tolk of vertaler. Indien de kwaliteit van de tolk of vertaler onvoldoende gewaarborgd is, kan dit ongewenste gevolgen hebben ten aanzien van de beslissingen die op hun werk gebaseerd zijn. Het kan ertoe leiden dat bijvoorbeeld bij de IND het vluchtverhaal van een asielzoeker onjuist wordt weergegeven met alle gevolgen van dien. De integriteit van ingeschakelde tolken en vertalers valt niet los te zien van het begrip kwaliteit.

13.2

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever groot belang hecht aan het waarborgen van de kwaliteit en integriteit van de tolken en daarmee aan de afnameverplichting van beëdigde tolken. Dat verweerder ook kwaliteitseisen stelt aan niet-beëdigde tolken, maakt dat niet anders. Daarbij komt dat, anders dan verweerder stelt, niet aannemelijk is dat eiser door het gebruik van een niet-registertolk, niet is benadeeld. Weliswaar staat vast dat eiser tijdens het nader gehoor meermaals heeft verklaard dat hij de tolk goed kan verstaan en begrijpen11, maar ook dat eiser aan het begin van dit gehoor heeft gevraagd of de tolk wel Nederlands kan en of de tolk hem wel begrijpt.12 Hierbij komt dat eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor ook opmerkingen heeft gemaakt over het gebruik van een niet-registertolk en heeft aangegeven dat hij de indruk kreeg dat de tolk op haar telefoon woorden in het Engels op zocht om na te gaan wat de betekenis in het Nederlands was. Het verslag van het nader gehoor ligt (voor een belangrijk deel) ten grondslag aan de overwegingen van verweerder over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Daarom is van groot belang dat kan worden uitgegaan van het bestaan van een adequate communicatie tussen eiser en tolk, alsmede van de juistheid van de vertaling.

14. Wat eiser verder heeft aangevoerd, hoeft, gelet op het bovenstaande, geen bespreking meer.

15. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat eiser opnieuw nader gehoord zal moeten worden met inzet van een registertolk Luganda. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496 (duizendvierhonderdzesennegentig euro).


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr.N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Van 17 november 2020.

3 De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 4 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2124, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2015 ECLI:NL:RVS:2015:891.

4 Algemene asielprocedure.

5 ECLI:NL:RVS:2012:BV2899.

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395.

7 Zie pagina 3 van het nader gehoor.

8 Afdelingsuitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:891.

9 Eiser is bij brief van 12 februari 2019 bericht dat zijn asielaanvraag wordt opgenomen in de nationale procedure. Met de verlening van een reguliere verblijfsvergunning aan eiser op 16 januari 2019 is verweerder verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.

10 Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 936, nr. 3, pagina 1-2.

11 Pagina 3, 14 en 25 van het nader gehoor.

12 Pagina 4 van het nader gehoor.