Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9955

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4206
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:722, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Onvoldoende bewijskracht toegekend aan kwitanties en bankafschriften voor contante giften aan een ANBI. Eiser slaagt niet in bewijs dat giften zijn gedaan. Giftenaftrek terecht gecorrigeerd. Verweerder is niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Vergrijpboete wordt vernietigd. Vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/668
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/4206 en SGR 19/4208

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: P.R. Autar),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking een vergrijpboeteboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 9 mei 2019 de navorderingsaanslag, de aanslag en de boete- en rentebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 20 juli 2020.

Namens eiser is gesproken met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2012 en 2013 giften in aanmerking genomen. De giftenaftrek heeft betrekking op de Islamitische Universiteit van Europa (IUE) en bedroeg, vóór toepassing van de drempel, in beide jaren € 5.000.

2. Bij brief van 12 augustus 2013 heeft verweerder eiser gevraagd de giftenaftrek voor het jaar 2012 toe te lichten en schriftelijke bewijsstukken over te leggen. In reactie op voormelde brief heeft eiser bewijsstukken toegezonden waarna met dagtekening 19 april 2014 de aanslag IB/PVV 2012 conform de ingediende aangifte is opgelegd.

3. Verweerder heeft op 10 november 2015 aan eiser voor het jaar 2013 een brief gestuurd waarin wordt gevraagd de giftenaftrek toe te lichten en schriftelijke bewijsstukken over te leggen. In reactie hierop heeft eiser voor dat jaar drie kwitanties van de IUE overgelegd met dagtekening 26 januari 2013, 26 april 2013 en 28 oktober 2013 ten bedrage van respectievelijk € 1.000, € 2.000 en € 2.000.

4. De IUE stond vanaf 1 januari 2008 geregistreerd als een algemeen nut beogende instelling (ANBI). In 2013 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de ANBI-status van de IUE. Van dat onderzoek is met dagtekening 17 mei 2016 een rapport opgemaakt. Bij dit onderzoek is onder meer vastgesteld dat de IUE in het jaar 2012 meer kwitanties had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord en dat de IUE in de jaarstukken voor 2013 slechts € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in diverse aangiften IB/PVV in totaal € 3.445.808 aan giften aan de IUE was aangegeven. In januari 2015 is de FIOD begonnen met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse kwitanties voor giften aan andere ANBI-instellingen dan de IUE. Daarbij bleek dat diverse van de daarin betrokken belastingplichtigen ook giften aan de IUE hadden afgetrokken. Naar aanleiding van die signalen is op 17 september 2015 besloten de FIOD een strafrechtelijk onderzoek te laten instellen naar de IUE.

5. Tot de stukken van het geding behoort een cd-rom met daarop het proces-verbaal met bijlagen van het FIOD-onderzoek naar de IUE (het FIOD-PV). Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van 10 mei 2019 zijn de namen van derden daarin onleesbaar gemaakt. Eiser is in het FIOD-onderzoek niet aangemerkt als verdachte en is daarin ook niet als getuige gehoord. Zijn naam komt wel voor in het Excelbestand met namen en bedragen dat bij het FIOD-PV is gevoegd.

6. Uit het FIOD-PV blijkt dat de penningmeester van de IUE heeft verklaard dat hij op grote schaal kwitanties heeft verkocht voor een percentage van ongeveer 10 à 12% van het bedrag dat op de kwitanties stond vermeld. Verder heeft de penningmeester van de IUE tijdens verhoren op 25 januari 2017 en 14 maart 2017 verklaard dat slechts in een enkel geval het gehele bedrag van de kwitantie werd betaald en dat geen bedragen van meer dan € 500 daadwerkelijk zijn betaald door donateurs.

7. De officier van justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek naar de IUE te gebruiken voor fiscale doeleinden.

8. Verweerder heeft per brief van 17 oktober 2016 aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om af te wijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2013 en de giftenaftrek aan de IUE te corrigeren. Hierop heeft de eiser per brief van 28 oktober 2016 gereageerd en een donatieverklaring overgelegd alsmede bankafschriften waaruit diverse geldopnames volgen, op eiser betrekking hebbende pagina’s uit de administratie van de IUE en doordrukbewijzen van de kwitanties.

9. Met dagtekening 30 november 2016 is de aanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Daarin is geen rekening gehouden met de giftenaftrek. Bij de aanslag is € 189 belastingrente in rekening gebracht.

10. Verweerder heeft op 8 augustus 2017 aan eiser voor het jaar 2012 een brief gestuurd waarin wordt gevraagd de giftenaftrek toe te lichten en schriftelijke bewijsstukken over te leggen. In reactie hierop heeft eiser drie kwitanties van de IUE met dagtekening
5 maart 2012, 14 juni 2012 en 11 december 2012 ten bedrage van respectievelijk € 1.500, € 2.000 en € 1.500 overgelegd. Voorts heeft eiser bankafschriften overgelegd waaruit contante geldopnames volgen.

11. Verweerder heeft op 10 november 2017 een kennisgeving aan eiser gezonden dat hij voor het jaar 2012 een vergrijpboete van 75% zal opleggen en zal afwijken van de aangifte. De giftenaftrek aan de IUE wordt gecorrigeerd. Met dagtekening
24 november 2017 heeft verweerder eiser meegedeeld voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag te zullen opleggen.

12. Met dagtekening 9 december 2017 heeft verweerder voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd alsmede een vergrijpboete van € 1.710 en is € 395 belastingrente in rekening gebracht.

Geschil
13. In geschil is of verweerder terecht de aftrek van de giften heeft gecorrigeerd, of de vergrijpboete terecht is opgelegd en of de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht. Ten slotte is in geschil of eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.

14. Eiser stelt dat verweerder de giftenaftrek ten onrechte heeft gecorrigeerd, omdat hij de bedragen die op de kwitanties vermeld staan daadwerkelijk heeft gedoneerd en hij niets afwist van fraude. Eiser stelt verder dat verweerder het opleggen van een vergrijpboete onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts heeft verweerder niet voldaan aan de (fiscale) cautieplicht. Eiser verzoekt daarom om vernietiging van de navorderingsaanslag 2012, vermindering van de aanslag 2013, vernietiging van de boetebeschikking en om vernietiging (2012) dan wel vermindering (2013) van de rentebeschikkingen. Tot slot stelt eiser dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn is verstreken.

15. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de giften daadwerkelijk heeft gedaan. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de IUE en het FIOD-PV kan aan de kwitanties geen betekenis worden toegekend. Ook de bewijsstukken van de kasopnames brengen hierin volgens verweerder geen verandering. Verder moet eiser, aldus verweerder, geweten hebben dat de bedragen van de kwitanties niet overeenkomen met de feitelijke betalingen en hij daarmee ten onrechte de giften in aftrek bracht en daarmee te weinig belasting betaalde. Het is volgens verweerder daarom aan (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld van eiser te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het daartoe gebruiken van valse kwitanties is een strafverzwarende omstandigheid.

Beoordeling van het geschil

Giftenaftrek

16. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6:35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

17. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde gift de IUE de ANBI-status had. De rechtbank merkt hierbij op dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

18. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals verweerder terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de IUE ten goede zijn gekomen. Eiser wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties en bankafschriften. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de IUE die worden bevestigd door verklaringen van anderen die hebben erkend gebruik te hebben gemaakt van kwitanties waarvoor zij slechts 10% van het daarop vermelde bedrag hebben betaald, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend.

Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat hij daadwerkelijk aan de IUE heeft geschonken. De door eiser overgelegde bankafschriften bieden hiervoor onvoldoende bewijs omdat, zoals verweerder onweersproken heeft verklaard, uit het FIOD‑PV volgt dat in voorkomende gevallen kwitanties feitelijk met terugwerkende kracht werden opgesteld door de hoogte van de schenking en de datum van de schenking vooraf met de penningmeester af te stemmen aan de hand van bankafschriften waarop reeds contante opnames zijn vermeld. Niet kan worden uitgesloten dat dit ook bij eiser de handelwijze is geweest. Voor het jaar 2012 geldt bovendien dat de geldopnames op geen enkele wijze aan de giften te relateren zijn. Nu eiser geen andere bewijsstukken heeft overgelegd, is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de giftenaftrek gecorrigeerd.

Vergrijpboete

19. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Op verweerder rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan.

20. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte IB/PVV 2012 afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van eiser maakt verweerder gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de IUE, de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de IUE en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Verweerder wijst verder op het Excelbestand met de uitgeschreven kwitanties waarin de naam van eiser voorkomt met drie donaties overeenkomstig de door eiser aan verweerder verstrekte kwitanties. Tevens wijst verweerder op de handgeschreven kasadministratie van de IUE waaruit valt op te maken dat eiser op 2 april 2014 een bedrag van € 240 heeft betaald.

21. Op zichzelf mag verweerder gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. Uit de diverse verklaringen kan echter niet worden geconcludeerd dat in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook de kasadministratie kennelijk is opgesteld door de frauderende penningmeester van de IUE zodat daaraan niet zonder meer bewijskracht kan worden toegekend en dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de IUE zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Niet uitgesloten kan worden dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op eiser komt te rusten. Verweerder is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Hetgeen verweerder met betrekking tot de vermelding van eisers naam in het Excelbestand en de handgeschreven kasadministratie heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt zij dat de vermelding van eisers naam in het Excelbestand betrekking heeft op het jaar 2013 terwijl de vergrijpboete voor het jaar 2012 is opgelegd. De vermelding van eisers naam in de handgeschreven kasadministratie betreft een betaling op 2 april 2014. Deze betaling heeft mogelijk betrekking op het verkrijgen van een kwitantie voor het jaar 2013, maar voor dat jaar is geen vergrijpboete opgelegd. Gelet op het feit dat de boetebeschikking zal worden vernietigd, behoeft hetgeen eiser met betrekking tot de schending van de cautieplicht heeft aangevoerd geen bespreking meer.

Rentebeschikkingen

22. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep voor wat betreft de boetebeschikking gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade
24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaken van eiser op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en gezamenlijk en in samenhang met elkaar zijn behandeld in bezwaar en beroep. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, deze zaken als samenhangende zaken dienen te worden aangemerkt waarin één maal spanning en frustratie is ondervonden.

25. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

26. De bezwaarschriften zijn door verweerder ontvangen op 13 december 2016 respectievelijk 19 januari 2018 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 9 mei 2019. Gelet op de samenhang tussen de zaken wordt voor de berekening van de termijn uitgegaan van het tijdstip van indiening van het eerste bezwaarschrift (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252), derhalve het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag IB/PVV 2013 dat op 13 december 2016 door verweerder is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 26 augustus 2020 gedaan. Dat is dus afgerond drie jaar en negen maanden na indiening van het eerste bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan één jaar en negen maanden, zodat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 2.000. De overschrijding wordt in zijn geheel toegerekend aan verweerder, aangezien hij er langer dan de voorgeschreven zes maanden over heeft gedaan om uitspraak op bezwaar te doen.

Proceskosten

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op de samenhang tussen de beroepen, vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van

€ 261, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaak en een factor 1 voor samenhang).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2012 voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
    € 2.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 augustus 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.