Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9943

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
8013388 / 19-20500
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur van losse grond door Gemeente aan huurder voor opslag kermismateriaal en plaatsing woonwagen. Door verloop van tijd, wetswijziging en beleid voor woonwagenbewoners heeft huurder thans huurbescherming voor wat betreft huur van grond voor bewoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB/cd

Rolnr.: 8013388 RL EXP 19-20500

22 september 2020 (bij vervroeging)

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de Gemeente Den Haag,

gevestigd te Den Haag,

eisende partij,

hierna gezamenlijk te noemen: de Gemeente,

gemachtigde: mr. A.R. de Jonge (Pels Rijcken),


tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

allen wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,

gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 28 augustus 2019 met 27 producties (nrs. 1 tot en met 27);

  • -

    de conclusie van antwoord van 6 november 2019 met 8 producties (nrs. 1 tot en met 8);

  • -

    de akte-verzoek overlegging producties ten behoeve van de comparitie van partijen aan de zijde van [gedaagden] , binnengekomen bij de griffie op 21 augustus 2020 met vijf aanvullende producties (nrs. 9 tot en met 13);

  • -

    de brief van de gemachtigde van de Gemeente van 8 september 2020 met de ontbrekende pagina 2 van de huurovereenkomst.

1.2

Op 8 september 2020 heeft de comparitie van partijen in deze zaak plaatsgevonden. Daarbij is namens de Gemeente mevr. [betrokkene] , alsmede de gemachtigde van de Gemeente, samen met mr. J.P. Heinrich en zijn [gedaagde 1] en mevr. [gedaagde 2] verschenen, samen met de gemachtigde van [gedaagden] . De gemachtigde van de Gemeente heeft aantekeningen overgelegd. Van hetgeen tijdens de comparitie van partijen besproken is heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Vervolgens is vonnis bepaald op 20 oktober 2020, maar het vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2. De feiten

2.1

Met ingang van 1 december 1994 heeft de Gemeente aan [gedaagde 1] verhuurd een ‘oppervlakte gemeentegrond, ter grootte van ongeveer 435 m2, gelegen aan de [adres] , kadastraal sectie Klsd 1417 (ged.)’. De huur is vastgelegd in een door beide partijen getekende ‘Huurovereenkomst grond’ (hierna: de overeenkomst).

2.2

De overeenkomst is aanvankelijk aangegaan voor een periode van vijf jaar, derhalve tot 30 november 1999, maar de overeenkomst is sindsdien voor onbepaalde tijd voortgezet en is thans nog steeds van kracht.

2.3

De overeenkomst kent de volgende voor het voorliggende geschil relevante bepalingen:

De verhuring geschiedt voorts onder de volgende voorwaarden:

1. Huurder verklaart uitdrukkelijk bekend te zijn met het gegeven dat het gehuurde krachtens het vigerende bestemmingsplan de bestemming agrarische doeleinden heeft, en dat andersoortig gebruik van het gehuurd niet is toegestaan.

Burgemeester en Wethouders van Den Haag hebben een vrijstellingsprocedure ex art. 19. Wet Ruimtelijke Ordening gestart om vrijstelling te kunnen verlenen van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik als genoemd in art. 2.

Burgemeester en Wethouders van Den Haag zullen deze vrijstelling verlenen zodra Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de vereiste verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven.

2. Huurder heeft het voornemen het gehuurde, na verkregen vrijstelling, te gebruiken ten behoeve van de stalling en opslag c.q. het parkeren van zijn kermisbedrijf, waaronder woonwagen.

Verhuurder verleent hierbij toestemming –onder voorwaarde van verkrijging van een bouwvergunning en vrijstelling – voor het plaatsen van een semi-permanente opstal met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter.

3. Indien door Gedeputeerde Staten geen verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven ten behoeve van een vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan, zal dit voor de verhuurder voldoende reden zijn om deze overeenkomst te beëindigen.

De huurder zal bij beëindiging van de huur jegens de verhuurder geen enkele aanspraak op vergoeding dan wel vervangende grond doen gelden en voor zover op dat tijdstip rechten ter zake mochten bestaan doet hij daarvan nu voor alsdan afstand ten behoeve van de verhuurder.

(…)

9. Door en voor rekening van de verhuurder zal op casu quo in het gehuurde een verharding casu quo een afwatering worden aangebracht.

(…)

22. Voor de aanvraag tot levering en aanleg van elektriciteit, gas, water en telefoon in of op het gehuurde heeft de huurder zelf zorg te dragen.

2.4

Op 5 december 1994 hebben Burgemeester en Wethouders van de Gemeente [gedaagde 1] ontheffing verleend als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet en toestemming gegeven tot het innemen van een standplaats met een woonwagen (caravan) op het gehuurde, onder voorwaarden die voor het voorliggende geschil niet relevant zijn.

2.5

Het gehuurde maakt thans deel uit van het ontwikkelgebied Vroondaal en het is het voornemen van de Gemeente om het gehuurde overeenkomstig het (thans vigerende) bestemmingsplan onderdeel te doen worden van de gelijknamige, nieuw te ontwikkelen woonwijk.

2.6

Bij brief van de gemachtigde van de Gemeente van 17 juni 2019 is de overeenkomst per 1 juli 2021 opgezegd en heeft de Gemeente ontruiming van het gehuurde aangezegd.

3 De vordering

3.1

De Gemeente vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: ten aanzien van gedaagde sub 1: (I.) voor recht te verklaren dat de tussen de Gemeente en [gedaagde 1] als huurder gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het perceel grond, gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie K, nr. 1417, ter grootte van circa 436 m2, rechtsgeldig is opgezegd bij brief van 17 juni 2019, welke brief is overgelegd als prod. 23. bij de dagvaarding, en voor recht te verklaren dat voormelde huurovereenkomst eindigt op 1 juli 2021; ten aanzien van gedaagde sub 1 t/m 4: (II./III.) te veroordelen om op uiterlijk 21 juli 2021, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, het perceel losse grond, gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie K, nr. 1417, ter grootte van circa 436, daaronder mede begrepen het omliggende terrein, dan wel onderdelen daarvan, met al die en wat zich daarop van de zijde van [gedaagden] mocht bevinden, inclusief alle daarop aanwezige opstallen, inboedel, roerende zaken en installatie en alle voornoemde zaken te slopen, respectievelijk ongedaan te maken en/of te verwijderen en ter vrije en algehele beschikking van de Gemeente te stellen, na ontruiming niet wederom zonder toestemming van de Gemeente te betreden en/of geheel en/of gedeeltelijk in gebruik te nemen, een en ander op straffe van en een dwangsom van
€ 1.000,-- (zegge: duizend euro) wat betreft gedaagde sub 1 en een dwangsom van
€ 1.000,-- (zegge: duizend euro) wat betreft gedaagde sub 2 tot en met 4 gezamenlijk, althans op door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedragen voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, waarop [gedaagden] aan deze veroordeling niet voldoen, tot een maximum van telkens € 100.000,-- (zegge: honderdduizend euro), althans tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen maxima; (IV.) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis; (V.) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 157 [in geval van conventie en reconventie € 246] dan wel, in het geval van betekening, € 239 [in geval van conventie en reconventie: € 238], met verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

3.2

Aan deze vordering legt de Gemeente ten grondslag dat de overeenkomst een huurovereenkomst is voor enkel een los stuk grond, waarop [gedaagden] kermismaterieel kunnen stallen en waarop een woonwagen/caravan geplaats mag worden, waarin [gedaagden] kunnen verblijven.

4 Het verweer

4.1

[gedaagden] voeren verweer, dat - kort gezegd - inhoudt uit alles blijkt dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond dat het perceel verhuurd werd als standplaats voor een woonwagen. Als die bestemming niet al daaruit voortvloeit dan vloeit uit de wijze waarop de onderlinge verhouding zich sindsdien heeft ontwikkeld voort dat [gedaagden] thans huurbescherming toekomen.

5 De beoordeling

5.1

In deze procedure dient de vraag beantwoord te worden of de overeenkomst, zoals die in 1994 tussen de Gemeente en [gedaagde 1] is gesloten is aan te merken als uitsluitend de huurovereenkomst voor een oppervlakte gemeentegrond, waarop [gedaagden] onder bepaalde voorwaarden kermismaterieel en een woonwagen mogen plaatsen of dat de huurovereenkomst is aan te merken als een ‘standplaats’ in de zin van artikel 7:236 Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel als ‘woonruimte’ in de zin van artikel 7:233 BW. De Gemeente neemt het eerste standpunt in, [gedaagden] het tweede.

5.2

Voor hetgeen partijen onderling hebben afgesproken is eerst en vooral van belang hetgeen partijen schriftelijk zijn overeengekomen. Indien hetgeen schriftelijk is vastgelegd geen duidelijk antwoord geeft over hetgeen partijen verdeeld houdt kan een uitleg van hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan een uitweg bieden. Indien naar de mening van een van de partijen hetgeen schriftelijk is vastgelegd niet hetgeen is dat partijen daadwerkelijk zijn overeengekomen, dan is het aan die partij om te bewijzen wat wel tussen partijen is overeengekomen. Tenslotte kan met het verstrijken van de tijd op grond van feitelijke omstandigheden, door opgewekt vertrouwen of door stilzwijgen een overeenkomst een andere strekking krijgen dan partijen aanvankelijk zijn overeengekomen.

5.3

In deze procedure is in ieder geval niet aan de orde dat partijen iets anders zouden zijn overeengekomen dan schriftelijk is vastgelegd. [gedaagden] nemen de stelling in dat hen met de overeenkomst iets anders voor ogen stond dan dat de Gemeente nu doet voorkomen. Daarnaast nemen zij de stelling in dat door het verstrijken van de tijd de overeenkomst een andere strekking heeft gekregen dan dat deze ten tijde van het aangaan had. De kantonrechter zal beide stellingen onderzoeken.

5.4

Voor de beoordeling van het voorliggende geschil blijkt uit de tekst van de overeenkomst het volgende:

  • -

    De overeenkomst betreft een ‘oppervlakte gemeentegrond’;

  • -

    [gedaagde 1] verklaart ermee bekend te zijn dat het gehuurde als bestemming agrarische doeleinden heeft;

  • -

    In het licht van de agrarische doelstelling zullen B&W van Den Haag een vrijstelling geven op grond van artikel 19 Wet Ruimtelijke Ordening (RO), zodra Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland de vereiste verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven;

  • -

    De Gemeente geeft, zodra de vrijstelling op grond van artikel 19 RO is verleend, toestemming het gehuurde te gebruiken voor de stalling en opslag c.q. het parkeren van het kermisbedrijf, waaronder een woonwagen. Tevens verleent de Gemeente, onder voorwaarde van het verkrijgen van een bouwvergunning, toestemming voor het plaatsen van een ‘semi-permanente opstal’;

  • -

    Als GS geen verklaring van geen bezwaar voor ontheffing op grond van het bestemmingsplan afgeven, kan de Gemeente de overeenkomst beëindigen.

  • -

    Bij beëindiging van de huur zullen [gedaagden] geen aanspraak maken op enige vergoeding, dan wel op vervangende grond.

5.5

Uit hetgeen in de procedure naar voren is gekomen is (a) nooit de vrijstelling op grond van artikel 19 RO verleend en is (b) nooit een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een ‘semi-permanente opstal’. Dat neemt niet weg dat sinds 1994 feitelijk een semi-permanente opstal (woonwagen) is gerealiseerd. Geen van beide partijen heeft aan deze feitelijke gang van zaken consequenties verbonden. De Gemeente heeft geen consequenties verbonden aan het feit dat de vrijstelling c.q. bouwvergunning niet zijn verleend en heeft als gevolg daarvan de overeenkomst niet beëindigd, en [gedaagden] hebben niet de Gemeente alsnog gehouden aan de toezegging tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19 RO. Daardoor is tussen partijen een zekere ‘gedoogsituatie’ ontstaan, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft deze ‘gedoogsituatie’ vooralsnog alleen civielrechtelijke consequenties met betrekking tot de over en weer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen. Dat betekent dat de Gemeente niet meer aan [gedaagden] kan tegenwerpen dat er geen vrijstelling onder het bestemmingsplan is verleend dan wel dat er geen bouwvergunning voor de woonwagen is afgegeven en kunnen [gedaagden] thans niet meer aan de Gemeente tegenwerpen dat deze (destijds) niet de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 RO heeft afgerond.

5.6

Dat partijen elkaar over en weer niet aan bepaalde verplichtingen op grond van de overeenkomst houden of hebben gehouden betekent nog niet dat de overige rechten en verplichtingen niet meer van kracht zouden zijn. Dat betekent dat, zonder andersluidende uitleg van de overeenkomst, de overeenkomst nog steeds een overeenkomst is voor de huur van losse grond, waarop [gedaagden] een woonwagen mogen hebben, welke overeenkomst door de Gemeente beëindigd kan worden, zonder aanspraak van [gedaagden] op vergoeding of vervangende grond.

5.7

Niettemin kan het zo zijn dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst iets anders voor ogen heeft gestaan dan de huur en verhuur van losse grond op de eerdergenoemde voorwaarden dan wel dat uit de partijbedoeling anderszins voortvloeit. De Gemeente heeft dat betwist, maar [gedaagden] stellen dat dat het geval is.

5.8

Uit de artikelen 9 en 22 van de overeenkomst en uit het feit dat dat ook tijdens de comparitie van partijen naar voren is gekomen blijkt dat het gehuurde ten tijde van de verhuur niet beschikte over aansluitingen voor elektriciteit, gas en water en dat er geen verharding en afwatering aanwezig was. Daarmee voldeed het gehuurde ten tijde van de verhuur niet aan de definitie van standplaats in artikel 7:236 BW. Dat artikel gaat ervan uit dat voor de verhuur van grond als standplaats de noodzakelijke voorzieningen om regulier woongebruik aanwezig zijn. Niet ter discussie is dat dat niet het geval was. Tijdens de comparitie van partijen is debat gevoerd over de vraag voor wiens rekening de elektriciteits-, gas- en wateraansluitingen zijn gerealiseerd, maar dat kan in het midden blijven. Ook staat vast dat het gehuurde ten tijde van de verhuur geen woonbestemming had. In dat licht volgt de kantonrechter hetgeen het Hof Amsterdam op 11 februari 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:411) heeft beslist, namelijk dat die bestemming niet alleen wordt bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen maar (met name) door de vraag of de kavel de administratiefrechtelijke bestemming standplaats heeft verkregen. Omdat dat niet het geval is houdt de huur van een standplaats, die niet aan de wettelijke eisen voldoet, niet meer in dan huur van een onbebouwde onroerende zaak.

5.9

Uit het voorgaande maakt de kantonrechter op dat het [gedaagden] ten tijde van de verhuur van het gehuurde niet voor ogen kan hebben gestaan dat zij een standplaats in de zin van artikel 7:236 BW voor een woonwagen van de Gemeente huurden. Daaraan staan de feiten en omstandigheden, zoals die hiervoor besproken zijn, in de weg. Dat het gehuurde wellicht na het aangaan van de huur een standplaats in de zin van artikel 7:236 BW is geworden, maakt dat oordeel ook niet anders. Niet ter discussie staat immers dat nadien voorzieningen zijn getroffen voor de plaatsing van een woonwagen en dat die woonwagen ook met (impliciete) toestemming en medeweten van de Gemeente op het gehuurde is geplaatst.

5.10

Dat het gehuurde niet is aan te merken als een standplaats impliceert niet dat het gehuurde ook geen woonruimte is in de zin van artikel 2:233 BW of dat het dat na het aangaan van de overeenkomst is geworden. Ook hier geldt dat het gehuurde ten tijde van aangaan van de huur niet meer was dan een perceel losse grond, zonder voorzieningen, gelegen in een gebied, waarop een agrarische bestemming rustte. Een en ander betekent dus, dat zelfs met de vereist ruime uitleg van hetgeen als woonruimte dient te worden aangemerkt, het gehuurde ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen standplaats noch woonruimte was en dat partijen, meer in het bijzonder [gedaagden] niet voor ogen kan hebben gestaan dat zij huurbescherming zouden genieten. In dat licht valt ook de bepaling in de overeenkomst te verklaren, dat bij het einde van de huur [gedaagden] geen aanspraak zouden hebben op vergoeding of vervangende grond.

5.11

Zoals reeds in rechtsoverweging 5.3 aangekondigd zal de kantonrechter thans de stelling van [gedaagden] onderzoeken of de overeenkomst na het aangaan daarvan een andere strekking heeft gekregen, of ‘van kleur is verschoten’, zoals dat tijdens de comparitie van partijen is genoemd.

5.12

[gedaagden] ontlenen aan het feit dat de Gemeente in 1994 op grond van artikel 10 van de destijds geldende Woonwagenwet een ontheffing van het bepaalde in dat artikel hebben verleend en toestemming hebben gegeven tot het innemen van een standplaats op het gehuurde dat het gehuurde ‘van kleur is verschoten’ en daarmee de overeenkomst een huurovereenkomst voor een standplaats is geworden, waardoor [gedaagden] nu aanspraak kunnen maken op huurbescherming.

5.13

Ten aanzien van de vraag of de verlening van een ontheffing op grond van artikel 10 Woonwagenwet volgt de kantonrechter het Hof Den Bosch dat in rechtsoverweging 3.10.3 van zijn beslissing van 3 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:695) heeft beslist dat de ontheffing niet strekt om het gehuurde te bestemmen als standplaats met civielrechtelijke gevolgen als huurbescherming. Het Hof vervolgt met: Dat [publiekrechtelijk] bestemmen [als woonwagen buiten een woonwagencentrum] had de gemeente kunnen doen door, na de verleende ontheffing, het bestemmingsplan aan te passen of een bouwvergunning ten behoeve van de inrichting als standplaats te verlenen. Dat is niet gebeurd. De oorspronkelijke bestemming is derhalve ongewijzigd gebleven.

5.14

De Woonwagenwet is inmiddels (per 1 maart 1999) ingetrokken. Het woonwagenbeleid behoort sindsdien tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in juli 2018 een ‘Beleidskader gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid’ opgesteld, dat aan de gemeentes kaders aanreikt waarmee zij het lokale woonwagenbeleid kunnen ontwikkelen. Een van de uitgangspunten daarbij is dat het wonen in een woonwagen een erkende vorm van wonen is.

5.15

Het gebied, waarin het gehuurde is gelegen, had ten tijde van het aangaan van de overeenkomst een agrarische bestemming, maar met de vaststelling van het (nieuwe) bestemmingsplan ‘Madestein-Vroondaal’ heeft het gebied intussen een woonbestemming gekregen.

5.16

Omdat het wonen in een woonwagen een erkende vorm van wonen is, is het feit dat [gedaagden] in het betreffende gebied een woonwagen bewonen sinds het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Madestein-Vroondaal’ in die zin in overeenstemming met het bestemmingsplan en niet langer in strijd daarmee, waardoor een ontheffing noodzakelijk zou zijn. Weliswaar bevindt de woonwagen van [gedaagden] zich niet op een locatie, waar meerdere woonwagens bij elkaar zijn geplaatst, maar met de intrekking van de Woonwagenwet is het uitgangspunt niet langer dat woonwagens bijeen moeten worden geplaatst op een woonwagencentrum. Gemeentes, en dus ook de Gemeente Den Haag, hebben ten opzichte van woonwagenbewoners de zorg voor het voorzien van een passende huisvesting, als ‘gewone burgers’ (zie pagina 10, rechter kolom van het eerdergenoemde Beleidskader).

5.17

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagden] van de gemeente een oppervlakte gemeentegrond huren die hen een woonfunctie verschaft. Immers, op het perceel bevindt zich de woonwagen, waarin zij hun hoofdverblijf hebben. Dat maakt dat thans het gehuurde als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW dient te worden aangemerkt en dat in die zin de overeenkomt inderdaad, zoals [gedaagden] ook stellen, ‘van kleur is verschoten’. Dat is het gevolg van hetgeen met medeweten van beide partijen na het aangaan van de huurovereenkomst is gebeurd en van de veranderde wetgeving en de veranderde bestemming van het gebied, waarin het gehuurde is gelegen. Daardoor moeten [gedaagden] thans naar het oordeel van de kantonrechter dezelfde huurbescherming genieten, als andere bewoners, die in dezelfde omstandigheden verkeren.

5.18

Bij het voorgaande zijn nog de volgende overwegingen van belang. De Woonwagenwet is ingetrokken middels de Wijzigingswet Huisvesting van 1 juli 1998. In artikel IX daarvan zijn regels getroffen in verband met afgegeven vergunningen op grond van artikel 10 van de Woonwagenwet. Omdat in de aan [gedaagden] verleende vergunning geen termijn wordt genoemd is lid 7 van artikel IX van toepassing, dat luidt dat de voorschriften van de Woonwagenwet van toepassing blijven tot het tijdstip waarop de standplaats in een bestemmingsplan is opgenomen. Indien de gemeenteraad niet binnen vijf jaar na inwerkingtreden van deze wet een bestemmingsplan heeft vastgesteld waarin de standplaats is opgenomen, gaan gedeputeerde staten hiertoe over, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, en op kosten van de gemeente. Geconstateerd moet worden, althans in deze procedure is niet anders komen vast te staan, dat noch de Gemeente Den Haag noch GS van Zuid-Holland in het bestemmingsplan de standplaats van [gedaagden] hebben opgenomen. Zou dat wel het geval geweest zijn dan was de standplaats van [gedaagden] in die zin reeds ‘gelegaliseerd’ geweest. Naar het oordeel kan nu niet in redelijkheid aan [gedaagden] worden tegengeworpen dat de Gemeente Den Haag zijn wettelijke plicht op dit punt niet is nagekomen.

5.19

Ook is van belang dat tijdens de comparitie van partijen van de zijde van de Gemeente is bevestigd dat zich in het gebied dat door het bestemmingsplan ‘Madestein-Vroondaal’ wordt bestreken andere bestaande bouw aanwezig is, die in de bouwplannen voor het gebied worden ingepast. Als dat voor de andere bestaande bouw mogelijk is, moet dat ook mogelijk zijn voor de bestaande ‘bouw’, dat wil zeggen de woonwagen, van [gedaagden]

5.20

Tenslotte neemt de kantonrechter in zijn overwegingen mee dat het eerdergenoemde Beleidskader stelt dat een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, binnen redelijke termijn kans heeft op een standplaats (zie pagina 7, rechter kolom, laatste bullit van het Beleidskader). Zowel de Gemeente als [gedaagden] hebben de beperkingen toegelicht met betrekking tot het vinden van een andere standplaats, mede in het licht van de mededeling van [gedaagden] dat zij best bereid zijn te verhuizen naar een andere standplaats. Juist omdat [gedaagden] in het licht van de beperkingen geen kans hebben op een standplaats binnen redelijke termijn, dient hen bescherming voor hun woonsituatie toe te komen.

5.21

Dat [gedaagden] huurbescherming dienen te genieten, betekent dat de Gemeente Den Haag alleen de huur kan beëindigen op de gronden, die voor alle woonruimten gelden, zoals gedefinieerd in de artikelen 2:271 en 7:274 BW, maar zoals uit de dagvaarding blijkt heeft de Gemeente de overeenkomst niet op de grondslag van deze bepalingen opgezegd. Daardoor komt de kantonrechter in deze procedure aan een toetsing daarvan niet toe.

5.22

Het voorgaande neemt overigens niet weg dat het gebruik door [gedaagden] van het gehuurde voor de opslag van kermismaterieel niet (langer) in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De stalling van dat materieel behoort niet tot de woonfunctie van het gebied, waarvoor het bestemmingsplan geldt, is daar zelfs mee in strijd. Dat betekent dat de Gemeente de overeenkomst kan opzeggen voor zover het de stalling van dat materieel betreft. Daarvoor geldt de huurbescherming immers niet. Dat betekent ook dat [gedaagden] een andere stallingsplaats dienen te vinden voor dat materieel. Anders dan wat betreft de woonfunctie van het gehuurde zijn de bepalingen van de overeenkomst in artikel 3 (geen aanspraak op vergoeding of vervangende grond) op het materieel van toepassing gebleven. Het kermismaterieel zullen [gedaagden] dan ook uiterlijk op 1 juli 2021 van het gehuurde moeten verwijderen.

5.23

Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen van de Gemeente uitsluitend wat betreft het kermismaterieel zal worden toegewezen, maar voor het overige zullen worden afgewezen. Aan de verplichting tot het verwijderen van het kermismaterieel zal de kantonrechter vooralsnog geen dwangsom verbinden, gelet op de bereidheid van [gedaagden] om het materieel te verwijderen en op het feit dat zij niet de indruk hebben gewekt zich niet aan een rechterlijke beslissing te houden.

5.24

Omdat de vorderingen van de Gemeente slechts gedeeltelijk zullen worden toegewezen zal de kantonrechter de proceskosten zodanig tussen partijen verdelen, dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat de tussen de Gemeente als verhuurder en [gedaagde 1] als huurder gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het perceel grond, gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie K, nr.1417, ter grootte van circa 436 m2 rechtsgeldig is opgezegd en dat voornoemde huurovereenkomst eindigt op 1 juli 2021, doch uitsluitend voor het betreft het gebruik van het gehuurde ten behoeve van de stalling en opslag c.q. het parkeren van zijn kermisbedrijf;

- veroordeelt [gedaagden] om op uiterlijk 1 juli 2021 alle roerende zaken, en installaties die onderdeel zijn van het kermisbedrijf te verwijderen en na verwijdering niet wederom zonder toestemming van de Gemeente weer als stalling en opslag van zijn kermisbedrijf in gebruik te nemen;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de ontruimingsverplichting van [gedaagden] uitvoerbaar bij voorraad;

- verdeelt de proceskosten zodanig tussen partijen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.