Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9939

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
NL20.14886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, nieuwe elementen of bevindingen (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:9938)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.14886

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummeraanduiding]

(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.14887, plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer B. van Brunschot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Identiteit en nationaliteit van eiseres

1. Eiseres stelt van Burundese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995.

De eerste procedure

2. Eiseres heeft eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 8 februari 2018 afgewezen. Eiseres heeft beroep ingediend tegen dit besluit. Dit beroep is door de gemachtigde van eiseres op 28 februari 2019 ingetrokken, omdat zij geen contact meer had met eiseres.

De huidige procedure

3. Op 18 juni 2020 heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt nu ten grondslag aan het bestreden

besluit. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 8 februari 2018. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Beoordeling door de rechtbank

4. Verweerder mag op een aanvraag negatief beslissen wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen als er geen relevante wijziging van het recht is. Er is niet gebleken en evenmin is aangevoerd dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 juni 2016.1 Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

Nieuwe elementen of bevindingen

5. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan het standpunt dat de rapportage van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) van 23 oktober 2018 geen nieuw element of nieuwe bevinding is, omdat hij in de eerste procedure inhoudelijk heeft gereageerd op deze rapportage. Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat doorslaggevend is dat de door haar ingebrachte medische rapportage niet is onderworpen aan rechterlijke toetsing en dat de rechtbank in de eerste asielprocedure deze rapportage op grond van artikel 83 van de Vw niet heeft meegenomen in de beoordeling van het beroepschrift. Er is immers geen rechterlijk oordeel gekomen in de eerste procedure. Verweerder heeft de huidige opvolgende aanvraag volgens eiseres daarom niet niet- ontvankelijk kunnen verklaren.

Het ingebrachte iMMO-rapport

6. Wanneer een vreemdeling in de bestuurlijke fase, dan wel binnen de grenzen van de goede procesorde in de beroepsfase, een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de staatssecretaris de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling.2 Eiseres heeft het iMMO-rapport in de procedure tegen de afwijzing van haar eerste asielaanvraag ingebracht na de eerste afwijzende beschikking van 8 februari 2018. Verweerder heeft dit rapport beoordeeld en besproken in het verweerschrift van 22 januari 2019. Daarmee heeft verweerder dit rapport in de beoordeling van het asielrelaas betrokken en daarover zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank is in de eerste procedure niet in de gelegenheid geweest om verweerders beoordeling van het asielrelaas - inclusief het iMMO-rapport - te beoordelen, aangezien de

1. ECLI:NL:RVS:2016:1759.

2 ECLI:NL:RVS:2018:2086.

gemachtigde van eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat eiseres met onbekende bestemming was vertrokken.

7. Het voorgaande betekent dat de afwijzing van de eerste asielaanvraag van eiseres formele rechtskracht heeft gekregen. De feiten en omstandigheden die daarbij van betekenis zijn geweest omvatten ook het in beroep overgelegde iMMO-rapport omdat verweerder dat rapport in de beoordeling van het asielrelaas heeft betrokken. Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat het iMMO-rapport bij de opvolgende aanvraag geen nieuw element of nieuwe bevinding is. De omstandigheid dat er in de eerste procedure geen rechterlijk oordeel is gegeven is niet van belang. Als het iMMO-rapport aangemerkt moet worden als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 83 van de Vw, en niet als bewijs van een eerder ingenomen standpunt, dan heeft verweerder op grond van artikel 85, vijfde lid, van de Vw gemotiveerd aan de rechtbank laten weten dat het iMMO-rapport geen aanleiding vormt om het bestreden besluit te wijzigen. Het iMMO-rapport is daarmee onderdeel van die procedure en van de besluitvorming van verweerder geworden. De omstandigheid dat de rechter daarover geen oordeel heeft kunnen geven, is niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of het iMMO-rapport onderdeel uitmaakt van de eerste procedure en de besluitvorming van verweerder.

8. De omstandigheid dat het eerste beroep is ingetrokken komt voor rekening en risico van eiseres. Zij heeft ervoor gekozen om de beslissing van de rechtbank niet af te wachten en Nederland te verlaten. Dat vertrek is vrijwillig geweest zodat eiseres zelf heeft afgezien van een effectief rechtsmiddel. De omstandigheid dat zij is vertrokken omdat zij geen vertrouwen meer had in de Nederlandse autoriteiten, maakt dat niet anders. De conclusie is dan ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van het eerste beroep geen reden is om het iMMO-rapport toch als nieuw element of nieuwe bevinding aan te merken.

Het horen tijdens de asielprocedure

9. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder haar had moeten horen tijdens de huidige asielprocedure. Eiseres geeft hierbij aan dat zij graag haar individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in een gehoor had willen toelichten. Volgens eiseres is het onzorgvuldig dat verweerder haar niet heeft gehoord en heeft verweerder hiermee gehandeld in strijd met artikel 28 van de Procedurerichtlijn.3

Hierbij is allereerst van belang dat als bij een opvolgende asielaanvraag geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, verweerder de vreemdeling niet hoeft te horen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat wat eiseres bij haar opvolgende aanvraag naar voren heeft gebracht geen aanleiding gaf om haar te horen. Verweerder kan op grond van artikel 3.118b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) afzien van horen als de situatie zich voordoet zoals genoemd in het derde lid van dat artikel. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat een dergelijke situatie zich hier voordoet en dat dit niet in strijd is met artikel 28 van de Procedurerichtlijn.

Tussenconclusie

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

3 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

Bahaddartoets (artikel 83.0a van de Vw)

11. Als een vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, moet de bestuursrechter onderzoeken of het besluit op de opvolgende aanvraag toch als een eerste afwijzing moet worden beoordeeld. Dat moet als er zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen.4 Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, als wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling een refoulementverbod zou schenden, als neergelegd in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De bestuursrechter dient te beoordelen of zich dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden voordoen aan de hand van wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, en het standpunt van de staatssecretaris daarover in het desbetreffende besluit.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw. Verweerder heeft in het voornemen en in het besluit in de eerste procedure uitvoerig gemotiveerd dat de situatie in Burundi (op dat moment) niet zodanig is dat eiseres bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade. Daarbij is onder andere overwogen dat eiseres niet aangemerkt kan worden als alleenstaande vrouw omdat zij in ieder geval familie in Burundi heeft. Eiseres heeft niet gesteld dat er (bijzondere) omstandigheden zijn waardoor zij op dit moment bij terugkeer naar Burundi een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook is de rechtbank dit niet op een andere manier gebleken. Daarbij is van belang dat de asielmotieven verband houden met de werkzaamheden van de echtgenoot van eiseres. Inmiddels is bekend geworden dat de echtgenoot van eiseres is overleden. De stukken bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres, na het overlijden van haar echtgenoot, bij terugkeer naar Burundi ernstige schade zal ondervinden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Slotsom

13. De slotsom is dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Evenmin zijn er bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw die maken dat de rechtbank het bestreden besluit desondanks moet toetsen als ware het de afwijzing van een eerste aanvraag. Hieruit volgt dat verweerder de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4 Zoals bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int; het arrest Bahaddar).

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is bekend gemaakt op 10 september 2020.

Documentcode: DSR12675849

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.