Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9924

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/09/596013 / KG ZA 20-647
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom. Kort geding. Octrooi op modulaire drijvende installatie voor zonnepanelen. Conform het octrooi zijn er 2 type drijvende elementen: steuninrichtingen en verbindingselementen. Gedaagde heeft een niet drijvend verbindingselement toegevoegd. Inbreuk bij wege van equivalentie niet aan de orde. Het kenmerk "drijven" van "elk" verbindingselement kan niet worden weggeïnterpreteerd. Function-way-result toets. Geen (dreiging) van letterlijke (in)directe inbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/596013 / KG ZA 20-647

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar Frans recht

CIEL ET TERRE INTERNATIONAL SAS,

te Sainghin en Mélantois, Frankrijk,

eiseres,

advocaat mr. M.H.J. van den Horst te Den Haag,

tegen

PROFLOATING B.V.,

te Maasdijk, gemeente Westland,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna C&T en ProFloating genoemd worden. De zaak is voor C&T inhoudelijk behandeld door mr. Van den Horst voornoemd en mr. J.B. Westerveld, advocaat te Den Haag, en voor ProFloating door mr. Rijsdijk voornoemd en mr. M.W. Wiegerinck, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:1

  • -

    de dagvaarding van 22 juli 2020, met producties EP1 tot en met EP31;

  • -

    de conclusie van antwoord, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2020, met producties GP1 tot en met GP19;

  • -

    de brief van C&T, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2020, met producties EP32 en EP33;

  • -

    de pleitnota van C&T, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2020;

  • -

    de pleitnota van ProFloating, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2020;

  • -

    de digitale mondelinge behandeling via Skype-verbinding op 1 september 2020 met participatie van partijen, octrooigemachtigden en advocaten, en de ter gelegenheid daarvan overgelegde schriftelijke repliek en dupliek. Van de repliek zijn de punten 20 tot en met 24 door C&T niet voorgedragen.

1.2.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

C&T is een onderneming die - onder meer - drijvende installaties voor zonnepanelen ontwikkelt en verkoopt. Zij heeft in 2011 een modulaire drijvende installatie voor zonnepanelen ontwikkeld onder de naam Hydrelio. C&T biedt haar Hydrelio producten wereldwijd aan, waaronder in Nederland.

2.2.

ProFloating biedt drijvende installaties voor zonnepanelen aan onder de naam FLOTAR, onder andere in Nederland.

2.3.

C&T is houdster van het Europese octrooi EP 3 336 447 B1 (hierna: EP 447 of het octrooi), getiteld “dispositif support de panneau” (“steuninrichting voor panelen”), dat is afgesplitst van het Europese octrooi EP 2 697 574. De aanvraag voor EP 447 dateert van 10 april 2012 onder inroeping van prioriteit van FR 1101189, ingediend op 15 april 2011. De verlening is gepubliceerd op 22 januari 2020 en EP 447 is onder meer gedesigneerd voor Nederland.

2.4.

De conclusies van EP 447 luiden in de - onweersproken gebleven - Nederlandse vertaling als volgt:

1. Drijvende fotovoltaïsche installatie omvattende fotovoltaïsche panelen en een systeem (50) voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen dat het resultaat is van de assemblage van steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen en van verbindingselementen (30), waarbij de steuninrichtingen (1) en de verbindingselementen (30) modulaire elementen zijn, welk systeem is voorzien van bevestigingsmiddelen voor de onderlinge assemblage van de verbindingselementen (30) en de steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen, en waarbij:

  • -

    elke steuninrichting (1) voor fotovoltaïsche panelen in hoofdzaak is gevormd uit een waterdichte kunststoffen omhulling (2), welke kunststoffen omhulling (2) een onderwand (3), een bovenwand (4), en vier laterale wanden (5, 6, 7, 8) vormt, welke kunststoffen omhulling (2) een luchtvolume kan insluiten zodat het geheel een drijver vormt, waarbij de inrichting middelen omvat om een fotovoltaïsch paneel op de bovenwand (4) van de kunststoffen omhulling vast te houden;

  • -

    elk verbindingselement (30) in hoofdzaak is gevormd uit een waterdichte kunststoffen omhulling (31), welke kunststoffen omhulling (31) een onderwand (32), een bovenwand (33), en vier laterale wanden (34, 35, 36, 37) vormt, waarbij de kunststoffen omhulling (31) een inwendig volume omvat waardoor drijven van het verbindingselement (30) verzekerd wordt,
    en waarbij de fotovoltaïsche panelen op de bovenwanden (4) van de kunststoffen omhullingen van de steuninrichtingen (1) van de fotovoltaïsche panelen vastgehouden worden,

welk systeem ten minste twee rijen (R1, R2) met steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen omvat, welke twee rijen (R1, R2) inrichtingen (1) op hun plaats worden gehouden met behulp van een rij (R3) tussengelegen verbindingselementen (30) die een onderhoudsgang kunnen vormen,

welke rij (R3) tussengelegen verbindingselementen (30) een tussengelegen rij is die is geconfigureerd om de twee rijen (R1, R2) met steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen op afstand van elkaar te houden, waardoor tegengegaan wordt dat een fotovoltaïsch paneel van een rij (R1) steuninrichtingen schaduw werpt op een fotovoltaïsch paneel van een volgende rij (R2) steuninrichtingen, en waarbij twee opeenvolgende steuninrichtingen (1) die tot eenzelfde rij (R1) behoren op onderlinge afstand worden gehouden met behulp van een verbindingselement (30), of met behulp van twee parallelle verbindingselementen (30), de twee inrichtingen (1) op zodanige wijze verbindend dat de onderlinge afstand tussen de twee opeenvolgende inrichtingen die tot eenzelfde rij (R1) behoren het mogelijk maakt te voorzien in fotovoltaïsche panelen die uitsteken ten opzichte van de kunststoffen omhulling (2) van de steuninrichtingen (1),

waarbij de rij (R1) is gevormd door steuninrichtingen (1) die met hun laterale wanden (5, 7) naast elkaar zijn geplaatst, en waarbij de fotovoltaïsche panelen zo zijn voorzien dat ze over de kunststoffen omhullingen (2) van de steuninrichtingen (1) heen reiken.

2. Installatie volgens conclusie 1, waarbij de kunststof omhulling (2) van elke steuninrichting (1) voor fotovoltaïsche panelen is verkregen door blaasextrusie.

3. Installatie volgens conclusie 2, waarbij de kunststof omhulling (31) van elk verbindingselement (30) is verkregen door blaasextrusie.

4. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 3, waarbij de kunststoffen omhulling (2) van elke steuninrichting (1) voor fotovoltaïsche panelen is voorzien van een opening (14) die bedoeld is voor de ventilatie van het fotovoltaïsche paneel, waarbij de opening (14) door de kunststoffen omhulling (2) heen reikt, vanaf de bovenwand (4) tot aan de onder wand (3).

5. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 4, waarbij de kunststoffen omhulling (2) van de inrichting (1) een opening (200) omvat die is afgesloten met een dop.

6. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 5, waarbij de bevestigingsmiddelen bevestigingsogen (201) omvatten van de kunststoffen omhulling (2) van de steuninrichtingen (1) voor de fotovoltaïsche panelen, alsook bevestigingsogen (301) van de kunststoffen omhulling (31) van de verbindingselementen (30), alsook pennen, waarbij elke pen bedoeld is om tegelijkertijd door twee of zelfs door drie ogen die tegenover elkaar geplaatst zijn heen te reiken, teneinde de vergrendeling van het samenstel te verzekeren.

7. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 6, waarbij één op twee verbindingselementen (30) van de tussenrij (R3) zorgt voor de verbinding van de twee opeenvolgende steuninrichtingen van de rij (R1).

8. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 7, waarbij de bovenwand (33) van elk verbindingselement (31) niet glad is, maar een gegaufreerd of een geribbeld oppervlak vertoont om tegen te gaan dat het glibberig is bij het belopen.

9. Installatie volgens een der conclusies 1 tot en met 8, waarbij de kunststoffen omhulling (31) van elk van de verbindingselementen (30) een opening (300) omvat die is afgesloten met een dop.

10. Installatie volgens conclusie 6, waarbij elk verbindingselement (31) in hoofdzaak de vorm van een rechthoekig parallellepipedum heeft, en aan zijn vier hoeken vier bevestigingsogen (301) omvat, waarbij de lange zijde van het parallellepipedum in hoofdzaak gelijk in afmeting is aan de lengte van twee (6,8 ) van de laterale wanden van de kunststoffen omhulling (2) van de steuninrichting, waarbij twee opeenvolgende verbindingselementen (30) van eenzelfde rij R3 die via hun korte zijde zij aan zij liggen, aan elkaar bevestigd zijn door de vier ogen twee aan twee tegenover elkaar te plaatsen.

2.5.

In de - onweersproken gebleven - Nederlandse vertaling van de beschrijving van het octrooi is voorts - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

[0001] De uitvinding heeft betrekking op een drijvende fotovoltaïsche installatie omvattende fotovoltaïsche panelen en een systeem voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen dat het resultaat is van de assemblage van steuninrichtingen voor fotovoltaïsche panelen en van verbindingselementen.

(…)

[0003] Op het gebied van de drijvende fotovoltaïsche installaties zijn er drijvende steuninrichtingen voor fotovoltaïsche panelen bekend, omvattende een ondersteuningsstructuur, in de vorm van een metalen chassis dat een of meerdere fotovoltaïsche panelen ondersteunt en drijfmiddelen, die onderaan de ondersteuningsstructuur zijn vastgemaakt, in de vorm van kunststoffen drijvers.

[0004] Deze drijvende inrichtingen, die een complexe structuur hebben, zijn bedoeld om in de werkplaats vervaardigd te worden en vervolgens vervoerd te worden per vrachtwagen tot aan de plaats van installatie.

[0005] Het plaatsen van een drijvende fotovoltaïsche installatie volgens de stand der techniek vereist een omvangrijke logistiek, niet alleen voor de vervaardiging van drijvende inrichtingen in de werkplaats, maar ook voor het vervoer naar de plaats van installatie, en vervolgens de assemblage ervan.

(…)

[0010] Het doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een installatie waarvan de steuninrichtingen voor fotovoltaïsche panelen ten opzichte van de stand der techniek een vereenvoudigde structuur hebben, die gemakkelijk kan worden vervaardigd en tegen een lage kostprijs.

[0011] Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een installatie met dergelijke inrichtingen die het mogelijk maken om een paneel al dan niet met kader eenvoudig en tegen lage kosten vast te maken.

[0012] Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een dergelijke installatie waarvan de inrichtingen het mogelijk maken om een groot aantal op de markt beschikbare fotovoltaïsche panelen vast te maken, zelfs in geval van verschil in afmetingen tussen de panelen.

[0013] Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een dergelijke installatie waarvan de drijvende inrichtingen het koelen van het paneel vergemakkelijken, waardoor beluchting mogelijk is van de watervlakte waarop de inrichting is geplaatst.

[0014] Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een dergelijke installatie waarvan het systeem voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen gemakkelijk kan worden geplaatst.

[0015] Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een installatie waarvan het systeem voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen deinende omstandigheden kan weerstaan, en dat spatten op de fotovoltaïsche cellen van de panelen beperkt.

Een ander doel van de onderhavige uitvinding is het voorzien in een dergelijke installatie met een dergelijk systeem voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen waarvan de elementen die het systeem vormen - in het bijzonder verbindingsinrichtingen en verbindingselementen - gemakkelijk kunnen worden vervoerd en opgeslagen.

2.6.

Het octrooi bevat onder meer de volgende tekeningen:

2.7.

Conclusie 1 van het octrooi kan in de volgende deelkenmerken worden onderverdeeld:

  1. Drijvende fotovoltaïsche installatie omvattende

  2. fotovoltaïsche panelen en

  3. een systeem (50) voor het ondersteunen van fotovoltaïsche panelen dat het resultaat is van de assemblage van steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen en van verbindingselementen (30), waarbij de steuninrichtingen (1) en de verbindingselementen (30) modulaire elementen zijn,

  4. welk systeem is voorzien van bevestigingsmiddelen voor de onderlinge assemblage van de verbindingselementen (30) en de steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen, en waarbij

  5. elke steuninrichting (1) voor fotovoltaïsche panelen in hoofdzaak is gevormd uit een waterdichte kunststoffen omhulling (2), welke kunststoffen omhulling (2) een onderwand (3), een bovenwand (4), en vier laterale wanden (5, 6, 7, 8) vormt, welke kunststoffen omhulling (2) een luchtvolume kan insluiten zodat het geheel een drijver vormt, waarbij de inrichting middelen omvat om een fotovoltaïsch paneel op de bovenwand (4) van de kunststoffen omhulling vast te houden;

  6. elk verbindingselement (30) in hoofdzaak is gevormd uit een waterdichte kunststoffen omhulling (31), welke kunststoffen omhulling (31) een onderwand (32), een bovenwand (33), en vier laterale wanden (34, 35, 36, 37) vormt, waarbij de kunststoffen omhulling (31) een inwendig volume omvat waardoor drijven van het verbindingselement (30) verzekerd wordt, en waarbij de fotovoltaïsche panelen op de bovenwanden (4) van de kunststoffen omhullingen van de steuninrichtingen (1) van de fotovoltaïsche panelen vastgehouden worden,

welk systeem ten minste twee rijen (R1, R2) met steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen omvat,

welke twee rijen (R1, R2) inrichtingen (1) op hun plaats worden gehouden met behulp van een rij (R3) tussengelegen verbindingselementen (30) die een onderhoudsgang kunnen vormen,

welke rij (R3) tussengelegen verbindingselementen (30) een tussengelegen rij is die is geconfigureerd om de twee rijen (R1, R2) met steuninrichtingen (1) voor fotovoltaïsche panelen op afstand van elkaar te houden, waardoor tegengegaan wordt dat een fotovoltaïsch paneel van een rij (R1) steuninrichtingen schaduw werpt op een fotovoltaïsch paneel van een volgende rij (R2) steuninrichtingen, en

waarbij twee opeenvolgende steuninrichtingen (1) die tot eenzelfde rij (R1) behoren op onderlinge afstand worden gehouden met behulp van een verbindingselement (30), of met behulp van twee parallelle verbindingselementen (30), de twee inrichtingen (1) op zodanige wijze verbindend dat de onderlinge afstand tussen de twee opeenvolgende inrichtingen die tot eenzelfde rij (R1) behoren het mogelijk maakt te voorzien in fotovoltaïsche panelen die uitsteken ten opzichte van de kunststoffen omhulling (2) van de steuninrichtingen (1),

waarbij de rij (R1) is gevormd door steuninrichtingen (1) die met hun laterale wanden (5, 7) naast elkaar zijn geplaatst, en

waarbij de fotovoltaïsche panelen zo zijn voorzien dat ze over de kunststoffen omhullingen (2) van de steuninrichtingen (1) heen reiken.

2.8.

Ter uitleg van EP 447 is in de dagvaarding het volgende opgenomen:

Achtergrond van de uitvinding

1. Duurzame energie kan op verschillende manieren worden opgewekt. In Nederland zijn windenergie en zonne-energie de voornaamste manieren van opwekking. Er is een toenemende vraag naar duurzame energiebronnen en dus ook naar oplossingen voor zonne-energie.

10. Voor het opwekken van zonne-energie wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen. In de techniek spreekt men van ‘fotovoltaïsche panelen’, in de praktijk ook wel aangeduid als ‘PV-panelen’. De hoeveelheid energie die met een enkel zonnepaneel kan worden opgewekt, is relatief klein. Door een groot aantal zonnepanelen bij elkaar te plaatsen kan een installatie worden gerealiseerd waarmee een effectieve hoeveelheid energie kan worden opgewekt. Het gevolg is dat een effectieve zonnepanelen installatie veel ruimte in beslag neemt.

11. In dunbevolkte gebieden waar genoeg ruimte beschikbaar is kunnen de zonnepanelen met behulp van steunframes op de grond geplaatst worden. In dichtbevolkte gebieden is het vinden van voldoende ruimte voor het plaatsen van zonnepanelen echter een uitdaging. In de praktijk worden de zonnepanelen in dichtbevolkte gebieden vaak op daken van gebouwen geplaatst. Ze worden bijvoorbeeld met beugels op schuine daken verankerd of met behulp van schuine, open schalen op platte daken geplaatst. Plaatsing op daken is relatief kostbaar en bovendien is het aantal beschikbare en geschikte daken ook beperkt.

12. Met name voor dichtbevolkte gebieden is het daarom interessant als zonnepanelen op wateroppervlakten kunnen worden geplaatst. Wateroppervlakten van plassen, meren, zeearmen maar ook van overstromingsgebieden, stuwmeren, bezinkmeren, waterzuiveringsinstallaties, kweekvijvers en opslagreservoirs kunnen daardoor efficiënt worden benut. Vooral op plaatsen waar zowel energie als water nodig is, zoals in de tuinbouw, is het bijzonder interessant om het oppervlak van een waterreservoir te gebruiken om energie op te wekken.

13. Zonnepanelen zijn relatief kostbaar en stabiele plaatsing van de panelen op het water is niet eenvoudig. Voor een rendabele exploitatie is het van groot belang dat de ondersteuningsstructuur niet alleen goed functioneert, maar dat deze ook tegen een lage kostprijs kan worden gefabriceerd, vervoerd en geïnstalleerd. Om aan die eisen te kunnen voldoen voorziet EP 447 in een drijvende installatie voor zonne-energie met een slimme modulaire opbouw.

De uitvinding van EP 447

14. EP 447 is een afgesplitst octrooi dat is gericht op een drijvende installatie voor zonnepanelen. EP 447 claimt een drijvende installatie met een slimme modulaire opbouw die meerdere voordelen biedt. Door de slimme modulaire opbouw zijn productie, vervoer en assemblage eenvoudig. Daarnaast zijn de modulaire onderdelen tegen lage kostprijs te produceren en zijn zowel het vervoer als de assemblage voordelig uit te voeren. Verder is de installatie zodanig uitgevoerd dat deze compatibel is met veel verschillende soorten zonnepanelen. Bovendien is de installatie zodanig dat de ondersteunde zonnepanelen worden gekoeld door het wateroppervlak. Tenslotte is de installatie goed bestand tegen stormachtige condities op het water. Een uitvoeringsvoorbeeld van de geclaimde installatie is getoond in figuren 7-19 van EP 447 en is toegelicht in par. 83-101 van EP 447 (blz. 19 r. 28 tot blz. 23 r. 22 van de Nederlandse vertaling).

15. De installatie omvat zonnepanelen en een modulair ondersteuningssysteem. Het ondersteuningssysteem is samengesteld uit holle kunststoffen drijfelementen, die met behulp van bevestigingsmiddelen onderling zijn verbonden tot een skelet. Het systeem is opgebouwd uit twee typen drijfelementen. Er zijn steuninrichtingen, die aan hun bovenzijden de zonnepanelen kunnen dragen, en verbindingselementen om de steuninrichtingen onderling te verbinden.

16. De opbouw van de installatie is goed te zien in figuren 6, 7, 8 en 17 van het uitvoeringsvoorbeeld van EP 447. Hieronder wordt de opbouw van de installatie toegelicht met opname van de afbeeldingen van de genoemde figuren uit het uitvoeringsvoorbeeld van EP 447. Ter verduidelijking zijn in de onderstaande afbeeldingen van de figuren van EP 447 aanvullende markeringen aangebracht.

17. Onderstaande afbeelding A van figuur 6 toont het ondersteuningssysteem bestaande uit de steuninrichtingen (1) en de verbindingselementen (30) in samengestelde toestand zonder de zonnepanelen. De opeenvolgende steuninrichtingen (1) vormen rijen (R1, R2) en de opeenvolgende verbindingselementen (30) vormen rijen (R3). Binnen de rij van opeenvolgende steuninrichtingen (R1) bevindt zich tussen de steuninrichtingen (1) steeds een tussenruimte.

Afbeelding A

18. Afbeelding B van figuur 7 hieronder toont hetzelfde ondersteuningssysteem als in figuur 6 maar dan onder een andere kijkhoek en met de zonnepanelen (P) bevestigd bovenop de steuninrichtingen. De zonnepanelen (P) steken aan weerszijden over de steuninrichtingen (1) heen en hangen met de overstekende delen over de tussenruimtes.


Afbeelding B

19. Afbeelding C van figuur 8 en afbeelding D van figuur 17 hieronder tonen respectievelijk een steuninrichting (1) en een verbindingselement (30). Bij zowel de steuninrichting (1) als bij het verbindingselement (30) zijn de bevestigingsogen aan de hoeken duidelijk zichtbaar. Voor het gemak zijn de figuren vergroot weergegeven in Productie 4.

Afbeelding C Afbeelding D

20. De steuninrichtingen (1) zijn opgesteld in rijen, in afbeelding A aangegeven met pijlen R1, R2. Van rij R2 staat alleen de pijl getekend, de steuninrichtingen van rij R2 zelf zijn niet weergegeven. De rijen R1, R2 worden op hun plaats worden gehouden met een tussengelegen rij R3 van verbindingselementen (30). Met behulp van deze tussengelegen rij R3 wordt tegengegaan dat een zonnepaneel van de ene rij R1 schaduw werpt op een zonnepaneel van een volgende rij R2. Bovendien kan met de tussengelegen rij R3 bestaande uit verbindingselementen 30 een gang worden gevormd, waarover men kan lopen om onderhoud te plegen aan het ondersteuningssysteem en de zonnepanelen.

21. Met de opeenvolgende verbindingselementen (30) binnen een rij R3 worden bovendien ook opeenvolgende steuninrichtingen (1) binnen een rij R1, R2 op onderlinge afstand gehouden. Hierdoor ontstaat de tussenruimte tussen de steuninrichtingen en kunnen de zonnepanelen over de zijwanden van de steuninrichtingen heen uitsteken. Doordat opeenvolgende steuninrichtingen 1 binnen een rij R1, R2 met behulp van de verbindingselementen 30 op afstand zijn geplaatst en de zonnepanelen over de steuninrichtingen heen tot in de tussenruimte uitsteken, wordt een open skelet gevormd met overhangende zonnepanelen.

22. Voor het ondersteuningssysteem is slechts vervaardiging van twee typen drijfelementen (de steuninrichting en het verbindingselement) nodig. Beide drijfelementen zijn hol en kunnen dunwandig uit kunststof worden gevormd door middel van blaasextrusie. Dunwandige vervaardiging is licht, en vereist relatief weinig grondstoffen. Bovendien is blaasextrusie een relatief goedkoop productieproces, dat bijvoorbeeld ook wordt gebruikt voor het maken van grote kunststoffen melkflessen. Doordat er slechts twee typen drijfelementen zijn, is de productie overzichtelijk en het voorraadbeheer eenvoudig. Als gevolg is de productie eenvoudig en relatief goedkoop.

23. Dankzij de modulaire opbouw kan het systeem in onderdelen worden aangevoerd, waardoor transport en logistiek eenvoudig zijn. Het systeem kan bovendien zonder hulpmiddelen zoals hijskranen worden geassembleerd. Voor drijvende installaties, die bestemd zijn om op het water te worden geplaatst, is dit bijzonder handig omdat aanvoer op water vanaf land niet altijd eenvoudig is. Voor de assemblage van het ondersteuningssysteem is slechts weinig ruimte nodig. Afbeelding E (hierna) toont dat de ondersteuningsinstallatie met zonnepanelen tijdens het samenstellen van het skelet op het wateroppervlak kan worden geduwd.

Afbeelding E

24. Het bovenoppervlak van de verbindingselementen zelf kan direct worden belopen, zodat de rijen verbindingselementen (R3) tegelijkertijd de rijen R1, R2 etc. uit elkaar houden en dienen als looppaden voor het plegen van onderhoud. Onderstaande Afbeelding F toont het looppad.

Afbeelding F

25. Doordat opeenvolgende steuninrichtingen met behulp van de drijvende verbindingselementen op afstand worden gehouden en de zonnepanelen over de steuninrichtingen heen tot over de tussenruimte uitsteken, kan een aanzienlijke hoeveelheid kunststof worden bespaard. Hierdoor is sprake van een ondersteuningsstructuur met een relatief open skelet. Dit heeft als voordeel dat de overhangende zonnepanelen door het wateroppervlak in de tussenruimte worden gekoeld. Met dergelijke goede koeling kan de energieproductie van de zonnepanelen aanzienlijk worden vergroot.

Onderstaande Afbeelding G toont het ondersteuningssysteem met duidelijk zichtbaar de tussenruimtes en overhangende zonnepanelen.

Afbeelding G

2.9.

Op 2 juli 2020 heeft (de advocaat) van C&T aan ProFloating een sommatiebrief gestuurd waarin is gesteld dat ProFloating met haar FLOTAR installatie inbreuk maakt op het octrooi.

2.10.

Bij brief van 5 augustus 2020 heeft ProFloating gereageerd.2 ProFloating stelde voor zich te onthouden van het verder vervaardigen van de in de dagvaarding beschreven configuratie (hierna: de oude configuratie) en vanaf 5 augustus 2020 alleen nog de configuraties als opgenomen in een bijlage (hierna: de nieuwe configuratie) zou verhandelen. Zij heeft tevens in de brief opgave gedaan van de zes projecten die zij heeft uitgevoerd volgens de oude configuratie. In een bijlage bij de brief heeft zij de onderstaande tekeningen bijgevoegd van de nieuwe configuratie met twee uitvoeringsvormen (de eerste drie tekeningen). De hieronder opgenomen vierde tekening betreft een “opengewerkte” versie van de eerste uitvoeringsvorm van de nieuwe configuratie:

2.11.

Op 12 augustus 2020 heeft ProFloating met betrekking tot de oude configuratie een onthoudingsverklaring ondertekend, versterkt met een directe opeisbare boete. Zij heeft deze onthoudingsverklaring bijgevoegd bij haar conclusie van antwoord in de onderhavige procedure, op welke datum (14 augustus 2020) C&T daarvan kennis heeft genomen.

3 Het geschil

3.1.

C&T vordert na wijziging en vermindering van eis en samengevat - een inbreukverbod voor het Nederlandse deel van EP 447, met nevenvorderingen (rectificatie en verwijdering van foto’s en dergelijke van de oude en nieuwe configuratie van sociale media) en dwangsom, inclusief een volledige proceskostenveroordeling.

3.2.

Ter onderbouwing van haar (neven)vorderingen stelt C&T - verkort weergegeven - het volgende.

3.3.

Enerzijds stelt zij dat de door ProFloating overgelegde uitvoeringsvormen van de nieuwe configuratie (zie onder 2.10) inbreuk maken op het octrooi bij wege van equivalentie. Met vervanging van een beperkt aantal van de drijvende verbindingselementen door niet-drijvende verbindingselementen blijft de nieuwe configuratie nog steeds in hoofdzaak dezelfde functie vervullen, met in hoofdzaak dezelfde middelen en met in hoofdzaak hetzelfde resultaat. De functionaliteit van de niet-drijvende verbindingselementen blijft gelijk aan die van de drijvende verbindingselementen, nu deze zowel de parallelle rijen steuninrichtingen onderling op afstand houden, als de opeenvolgende steuninrichtingen binnen een rij steuninrichtingen op afstand houden. Daarnaast ontlenen de niet-drijvende verbindingselementen hun drijfvermogen aan aangrenzende drijvende steun- en/of verbindingselementen. In de nieuwe configuratie verschaffen de drijvende verbindingselementen het benodigde drijfvermogen aan de voor het systeem zo belangrijke onderhoudsgang.

3.4.

Anderzijds legt C&T aan haar (neven)vorderingen - samengevat - ten grondslag dat ProFloating nog steeds letterlijke inbreuk maakt c.q. kan maken. Dit is het geval indien zij haar nieuwe configuratie zodanig herconfigureert dat enkel gebruik wordt gemaakt van de drijvende verbindingselementen,.

3.5.

ProFloating voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Aangezien ProFloating in Nederland is gevestigd, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank internationaal (en relatief) bevoegd van de vorderingen kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 4 Brussel I bis-Vo3 en artikel 80 lid 2 onder a ROW4.

Spoedeisend belang

4.2.

Als het gaat om de nieuwe configuratie heeft C&T, gezien de gestelde inbreuk op haar octrooi, een spoedeisend belang bij het gevorderde. Dat is door ProFloating ook niet bestreden. Voor wat betreft de oude configuratie ontbreekt naar voorlopig oordeel het spoedeisend belang (één van de nevenvorderingen ziet nog op de oude configuratie), omdat ProFloating ter zake inmiddels een onthoudingsverklaring versterkt met een boete heeft afgegeven aan C&T.

Inbreuk op basis van equivalentie?

4.3.

Partijen lijken het erover eens dat de nieuwe configuratie (in de door ProFloating opgegeven uitvoeringsvormen: zie onder 2.10) geen letterlijke inbreuk maakt op EP 447. De stellingen van C&T zijn mogelijk niet geheel eenduidig of zij op letterlijke inbreuk inderdaad niet langer een beroep doet maar na het verweer ter zake van ProFloating heeft C&T dit beroep niet nader toegelicht of onderbouwd. Hoe dat ook zij, van letterlijke inbreuk met de nieuwe configuratie (in de door ProFloating opgegeven uitvoeringsvormen) is geen sprake nu bij de door ProFloating toegepaste niet-drijvende verbindingselementen niet wordt voldaan aan deelkenmerk f (vergelijk onder 2.7). Volgens dit deelkenmerk dient immers elk verbindingselement (30) in een zonnepaneleninstallatie conform het octrooi drijvend te zijn. Niet in geschil is dat er bij ProFloating drijvende maar ook niet-drijvende verbindingselementen (30) zijn.

Evenmin is voldaan aan deelkenmerk j waarin wordt vereist dat de opvolgende rijen steuninrichtingen door verbindingselementen (30) op afstand van elkaar worden gehouden. Dat ziet op de verbindingselementen die in de door ProFloating opgegeven nieuwe uitvoeringsvormen juist niet drijvend zijn.
Het onderhavige geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of met de (twee uitvoeringsvormen van de) nieuwe configuratie van ProFloating sprake is van inbreuk bij wege van equivalentie.

4.4.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord en inbreuk niet aan de orde is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van inbreuk wordt het volgende vooropgesteld.5

4.5.1.

Artikel 69 lid 1 EOV6 houdt in dat de beschermingsomvang van een octrooi wordt bepaald door de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies.

4.5.2.

Artikelen 1 en 2 van het bij artikel 69 EOV behorende uitlegprotocol (hierna: het Protocol) luiden:

Artikel 1 - Algemene beginselen

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi strikt worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen slechts mogen dienen om de onduidelijkheden, die in de conclusies zouden kunnen voorkomen, op te heffen. Artikel 69 mag evenmin worden uitgelegd als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de beschermingsomvang zich ook uitstrekken tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg dient daarentegen tussen deze twee uitersten het midden te houden, waarbij zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

Artikel 2 - Equivalenten

Bij het vaststellen van de beschermingsomvang van het Europees octrooi dient op passende wijze rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.

4.5.3.

In overeenstemming met deze uitlegregel van het Protocol heeft de Hoge Raad de in zijn eerdere uitspraken gebezigde formuleringen “hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is”, onderscheidenlijk “de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte” bestempeld als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de “uitersten” in de woorden van het Protocol).7 Daarbij dient het achterhalen van de achter de woorden van de conclusies liggende uitvindingsgedachte ertoe een uitsluitend op de letterlijke betekenis van de bewoordingen gegronde en daarom voor een redelijke bescherming van de octrooihouder wellicht te beperkte of onnodig ruime uitleg te vermijden.8 De beschrijving en de tekeningen vormen in dat kader een belangrijke bron.

4.5.4.

Van de beschrijving maakt onderdeel uit een weergave van de stand van de techniek die de aanvrager als nuttig beschouwt voor het begrijpen van de uitvinding (regel 42 van het uitvoeringsreglement bij het EOV). Ook niet in de beschrijving genoemde stand van de techniek kan van belang zijn. Bij de uitleg van een octrooi is immers leidend het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek.

4.5.5.

Hierbij geldt voorts dat de letterlijke tekst van de conclusies in het kader van het bepalen van de beschermingsomvang van een octrooi niet steeds zal prevaleren. Artikel 1 Protocol stelt immers nu juist buiten twijfel dat de beschermingsomvang van het Europees octrooi niet uitsluitend wordt bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en dat artikel 69 EOV evenmin zo moet worden uitgelegd dat de beschrijving en de tekeningen alleen maar mogen dienen om eventuele onduidelijkheden in de conclusies op te heffen.

4.5.6.

Aangaande de te hanteren peildatum voor de beoordeling van inbreuk geldt het volgende. Onderscheiden dient te worden tussen enerzijds de vraag naar de uitleg van het octrooi met het oog op de vaststelling van de beschermingsomvang daarvan en anderzijds de daarop volgende vraag of een voortbrengsel (of in voorkomend geval: werkwijze) onder de aldus vastgestelde beschermingsomvang valt.

4.5.7.

In het kader van eerstgenoemde vraag kunnen diverse gezichtspunten een rol spelen. Een daarvan is de achter de woorden van de conclusies liggende uitvindingsgedachte (zie hiervoor in 4.5.3). Bij het achterhalen daarvan moet het perspectief van de gemiddelde vakman en diens kennis van de stand van de techniek op de aanvraag- of prioriteitsdatum richtinggevend worden geacht. Het gaat dan immers om de vaststelling van hetgeen het octrooi toevoegt aan de stand van de techniek. Dat, zoals uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, bij de beantwoording van deze vraag onder omstandigheden ook betekenis kan worden gehecht aan gegevens uit het - van na de aanvraag- of prioriteitsdatum daterende - verleningsdossier, doet aan dit uitgangspunt niet af.

4.5.8.

In het kader van de daarop volgende inbreukvraag kan daarentegen mede betekenis worden gehecht aan de kennis van de gemiddelde vakman ten tijde van de beweerde inbreuk, in het bijzonder waar het erom gaat of sprake is van equivalente elementen (vergelijk artikel 2 van het Protocol).

4.5.9.

Ter zake van het beschermen van equivalenten heeft de Hoge Raad in het Bayer / Sandoz arrest onder meer overwogen:
3.3.6 Voor zover onderdeel 1.1.1 het hof verwijt de regel te hebben miskend dat de maatstaf voor het niet beschermen van equivalente maatregelen daarin gezocht moet worden dat een goede grond ervoor moet bestaan dat de octrooihouder afstand heeft gedaan van die bescherming, hoewel hij die had kunnen verkrijgen, gaat het uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht. Het hof heeft terecht onderzocht of de gemiddelde vakman uit conclusie 1 van EP 791 zou begrijpen dat de octrooihouder in de oxidatiestap een bewuste keuze heeft gemaakt voor het gebruik van rutheniumzout als katalysator. Daartoe heeft het hof in aanmerking genomen: de inhoud van het octrooi, de stand van de techniek, het met de geoctrooieerde werkwijze beoogde doel, de bijkomende voordelen van die werkwijze, de kennis van het bestaan van de betrokken stoffen, de aard van en de verhouding tussen die stoffen, alsmede de mate en wijze waarin zij tot het beoogde resultaat leiden, dit alles vanuit het perspectief van de gemiddelde vakman. Het wegen van al deze omstandigheden heeft het hof tot het oordeel gebracht (samengevat in rov. 4.20) dat Bayer bewust voor rutheniumzout heeft gekozen, zodat het gebruik van tempo als katalysator geen inbreuk maakt op EP 791. Dit oordeel berust op een aan het hof voorbehouden weging van relevante factoren en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

3.3.7

Onderdeel 1.1.2 ziet om te beginnen eraan voorbij dat uit rov. 4.19 volgt dat naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde vakman tempo niet een stof was waarmee hetzelfde resultaat bereikt kon worden als met rutheniumzout, zodat reeds daarom niet van equivalentie sprake kan zijn. Voorts miskent het dat het bij de hier aan de orde zijnde vraag erom gaat of in de perceptie van de gemiddelde vakman de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving en de tekeningen, ruimte laten voor equivalenten, gelet op enerzijds een adequate bescherming van de octrooihouder en anderzijds de rechtszekerheid voor derden. Daarbij speelt de wil of de bedoeling van de aanvrager om van die bescherming afstand te doen, geen beslissende rol. Voor het overige bouwen de klachten van onderdeel 1.1.2, evenals die van onderdeel 1.1.3, voort op die van onderdeel 1.1.1, zodat die het lot daarvan moeten delen.

4.6.

Het voorgaande op deze zaak toegepast, komt de voorzieningenrechter tot het volgende voorlopige oordeel.

4.6.1.

Het octrooi ziet op een modulaire drijvende installatie voor zonnepanelen, dat is opgebouwd uit een tweetal drijvende elementen: steuninrichtingen en verbindingselementen, zodanig dat productie, vervoer en assemblage eenvoudig zijn, waarmee de installatie ten opzichte van de stand van de techniek relatief voordelig kan worden uitgevoerd (zie 2.5 onder [0004], [0005], [0010] - [0012], [0014] en [0015]). In deelkenmerk f (vergelijk onder 2.7) is daartoe (de tekeningen mede in aanmerking genomen: zie onder 2.6) eenduidig opgenomen dat er slechts één type verbindingselement ten behoeve van de installatie wordt geproduceerd, welk verbindingselement modulair is en drijft. Hetzelfde geldt overigens voor de in deelkenmerk e opgenomen steuninrichting. In de deelkenmerken g tot en met j is geformuleerd waar de steuninrichtingen en verbindingselementen in de installatie zijn gesitueerd en welke functie zij vervullen. Daarbij komt dat in deelkenmerk f zonder voorbehoud is opgenomen dat “(…) de kunststoffen omhulling (31) een inwendig volume omvat waardoor drijven van het verbindingselement (30) verzekerd wordt, (…)”. De gemiddelde vakman begrijpt hieruit niet alleen dat het verbindingselement zelfstandig moet drijven maar ook hoe dat drijfvermogen wordt bewerkstelligt: doordat het hol is. Die bewoordingen sluiten voorshands uit dat de niet-drijvend (massief) uitgevoerde verbindingselementen alsnog drijvend zouden worden in de zin van conclusie 1 als gevolg van het drijfvermogen van de elementen waaraan zij gekoppeld zijn. Het is duidelijk dat de octrooihouder voor ogen had dat alle steunelementen en alle verbindingselementen zelfstandig drijvend zouden zijn en zodoende aan het drijfvermogen van het geheel zouden bijdragen, gelet op het gebruik van het woordje “elke” in kenmerken e en f. In dit verband is tevens belang dat – zoals hiervoor overwogen – uit kenmerk j, gelezen in samenhang met kenmerk f, duidelijk blijkt dat het verbindingselement dat de afstand tussen de rijen verzorgt, zelfstandig dient te drijven.

4.6.2.

De stelling van C&T zou er op neer komen dat de gemiddelde vakman na lezing van beschrijving en conclusies zal menen dat - in het kader van het aannemen van equivalentie - het kenmerk “drijven” van “elk” verbindingselement voor sommige verbindingselementen kan worden weggeïnterpreteerd. Dit is naar voorlopig oordeel evenwel niet aan de orde. Daarvoor laten de bewoordingen van deelkenmerk f (en j) geen ruimte, gelezen in samenhang met de gedachte achter het voorschrift dat alle elementen moeten drijven. Het is verder niet zo dat de niet-drijvende elementen op onbelangrijke plaatsen in het systeem zitten. Voor zover C&T aanvoert dat de conclusie door gebruik van het woord “omvattende” toe zou laten dat er ook niet-drijvende verbindingselementen kunnen zijn, moet dit betoog worden gepasseerd omdat – zoals hiervoor overwogen – uit kenmerk j, gelezen in samenhang met kenmerk f, duidelijk blijkt dat het verbindingselement dat de afstand tussen de rijen verzorgt, (zelfstandig) dient te drijven.

4.6.3.

Bovendien zou de aanname dat niet zelfstandig drijvende verbindingselementen bij wege van equivalentie nog onder deelkenmerk f vallen, ervoor zorgen dat de zonnepaneleninstallatie zou worden opgebouwd met behulp van drie in plaats van twee elementen, te weten een drijvende steuninrichting en verbindingselementen (30) die van elkaar verschillen, namelijk drijven of juist niet drijven. Ook dat past niet binnen de scope van de werkelijke uitvinding, die in het kader van eenvoudige productie, vervoer en assemblage uitgaat van slechts twee (modulaire) elementen. Onder toepassing van de bij equivalentie wel gehanteerde function-way-result toets, is zowel de functie, de weg/wijze als het resultaat van het niet-drijvende verbindingselement anders. Het verbindingselement heeft immers niet langer tevens de functie om aan het drijfvermogen van het systeem bij te dragen. De wijze waarop het verbindingselement alsnog boven water blijft, is verder wezenlijk verschillend: ondersteuning door belendende, wel drijvende elementen tegenover zelfstandig drijfvermogen door een holte (inwendig volume). Het resulteert voorts in een complexer systeem met niet twee maar drie modulaire elementen, dat (op plekken) minder goed zal drijven.

4.6.4.

De billijke bescherming van de octrooihouder vereist voorshands ook geen ander oordeel. Hierbij weegt mee dat de bescherming van het octrooi (mits geldig) zich uitstrekt tot een modulair systeem met (slechts) twee (drijvende) elementen met alle in het octrooi beschreven voordelen van dien. Evenmin is gesteld, noch valt dit anderszins in te zien, dat het octrooi (mits geldig) een dusdanige vernieuwing heeft gebracht dat een ruime beschermingsomvang gerechtvaardigd is. Zoals uit het voorgaande blijkt zou naar voorlopig oordeel de aan derden te bieden rechtszekerheid te zeer geweld aan worden gedaan indien de bescherming zou uitstrekken tot een systeem met niet twee maar drie modulaire elementen, waarvan sommige (op belangrijke plaatsen in het systeem) niet over (zelfstandig) drijfvermogen beschikken.

4.6.5.

Het voorgaande betekent dat ProFloating door vervanging van de drijvende verbindingselementen die de afstand tussen de rijen bewaren door niet-drijvende verbindingselementen zoals opgenomen in de twee uitvoeringsvormen van haar nieuwe configuratie, voorshands geen inbreuk op basis van equivalentie maakt.

Letterlijke (in)directe inbreuk?

4.7.

C&T heeft nog gesteld dat ProFloating letterlijke (in)directe inbreuk kan maken op EP. ProFloating (of haar afnemer/installateur) kan er immers voor kiezen om bij de opbouw van een installatie volgens de nieuwe configuratie uit de onderdelen van haar modulaire systeem enkel de drijvende steuninrichting en het drijvende verbindingselement te gebruiken. C&T denkt dan aan de wijze zoals hieronder weergegeven (waarbij de linker afbeelding de tekening betreft conform de eerste onder 2.10 opgenomen uitvoeringsvorm en de rechter afbeelding de door C&T gevreesde variatie betreft):

4.8.

ProFloating betwist dat zij in de markt andere uitvoeringsvormen zal aanbieden of verkopen dan de uitvoeringsvormen zoals opgenomen onder 2.10, dan wel daarmee vergelijkbare uitvoeringsvormen. Bovendien wijst zij erop dat de door haar gebruikte niet-drijvende verbindingselementen langer zijn dan de door haar gebruikte drijvende verbindingselementen, zodat deze niet onderling uitwisselbaar zijn. In het licht daarvan is onvoldoende onderbouwd gesteld noch gebleken dat (er een serieuze dreiging bestaat dat) ProFloating een uitvoeringsvorm zal aanbieden of verkopen zoals door C&T betoogd, althans haar afnemer/installateur dat systeem zal maken. De voorzieningenrechter passeert daarom deze stelling.

Slotsom en proceskosten

4.9.

De slotsom van het voorgaande is dat vorderingen worden afgewezen. C&T zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze zijn te begroten volgens artikel 1019h Rv. Partijen hebben afgesproken dat de proceskosten € 80.000,- bedragen zodat daarvan is uit te gaan. De kosten aan de zijde van ProFloating worden daarom begroot op € 80.000,-, vermeerderd met het griffierecht van € 656,-, derhalve in totaal op € 80.656,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt C&T in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van ProFloating begroot op € 80.656,-,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 6 oktober 2020.

1 Het procedureverloop is aangepast in verband met de uitbraak van het coronavirus.

2 De brief zelf is niet overgelegd maar het navolgende leidt de voorzieningenrechter af uit het over en weer gestelde.

3 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

4 Rijksoctrooiwet 1995

5 Vergelijk HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:816 (Medinol / Abbott), zie met name r.o. 3.4.1-3.5.2; zie voorts Hof Den Haag 8 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1105 (cassatieberoep verworpen volgens art. 81 lid 1 RO, zie HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1036)

6 Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

7 HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3522 (Lely Enterprises / Deleval c.s.) en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3680 (AGA Medical / Occlutech)

8 HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1609 (Ciba Geigy / Oté Optics)