Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
C/09/596809 / KG ZA 20-711
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Art. 843a Rv. Rechtsbetrekking niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/596809 / KG ZA 20-711

Vonnis in kort geding van 29 september 2020

in de zaak van

OI EUROPEAN GROUP B.V. te Schiedam,

eiseres,

advocaat mr. T. Schouten te Rotterdam,

tegen:

(PETROLEOS DE VENEZUELA) PDV EUROPA B.V. te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. L.M. Graal te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'OIEG' en 'PDV'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de akte wijziging eis en overlegging aanvullende producties;

- de op 15 september 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Petróleos de Venezuela S.A. (hierna 'PDVSA') is het staatsoliebedrijf van de Bolivariaanse Republiek van Venezuela (hierna 'Venezuela').

2.2.

PDVSA houdt 100% van de aandelen in Propernyn B.V. te Den Haag (hierna 'Propernyn').

2.3.

Propernyn houdt op haar beurt 100% van de aandelen in PDV.

2.4.

PDV hield tot voor kort 50,001% van de aandelen in de Zweedse vennootschap A.B. Nynäs Petroleum (hierna 'Nynäs'). De overige 49,999% van de aandelen in Nynäs werden gehouden door het Finse energiebedrijf Neste.

2.5.

Bij onherroepelijk arbitraal vonnis van het International Centre for Settlement of Investment Disputes te Washington DC uit 2015 is Venezuela veroordeeld om aan OIEG te voldoen een schadevergoeding van USD 372.461.982,--. Inclusief rente bedraagt de vordering van OIEG op Venezuela inmiddels meer dan USD 600 miljoen. Venezuela weigert aan het vonnis te voldoen.

2.6.

Sinds enkele jaren verkeert Nynäs in financiële problemen (met name) als gevolg van sancties die de Verenigde Staten van Amerika ('VS') haar in 2017 hebben opgelegd en in 2019 zijn aangescherpt. Deze sancties vloeien voort uit een politiek conflict tussen de VS en Venezuela en houden - kort gezegd - in dat Amerikaanse ondernemingen (vrijwel) geen handelstransacties meer kunnen verrichten met de Venezolaanse overheid en daaraan gelieerde (staats)bedrijven. Het Amerikaanse Office of Foreign Assets Control (hierna 'OFAC') is verantwoordelijk voor de uitvoering van de sancties en houdt een lijst bij met namen van bedrijven die onder die sancties vallen. PDVSA, Propernyn en PDV (hierna - voor zover gezamenlijk bedoeld - aangeduid als 'PDVSA cs') komen op deze lijst voor. Ook Nynäs stond daarop vermeld in verband met het meerderheidsbelang van PDV.

2.7.

Na verkregen toestemming van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft OIEG op 25 april 2019 conservatoir (derden)beslag laten leggen op de aandelen van PDVSA in Propernyn.

2.8.

Vervolgens heeft OIEG op 5 juni 2019 bij deze rechtbank een bodemzaak aanhangig gemaakt tegen - onder meer - PDVSA cs. Hierin stelt OIEG dat PDVSA cs dienen te worden vereenzelvigd met Venezuela en om die reden hoofdelijk moeten worden veroordeeld tot betaling van de bedragen die Venezuela aan haar verschuldigd is op grond van het arbitrale vonnis. Deze procedure loopt nog.

2.9.

In verband met ernstige financiële problemen, die het gevolg waren van de door OFAC aan haar opgelegde sancties, heeft Nynäs op 13 december 2019 een Zweedse Reorganisatieprocedure (vergelijkbaar met een surseance van betaling in Nederland) aangevraagd bij de rechtbank Södertörn (Zweden). Deze heeft dat verzoek diezelfde dag nog toegewezen, met benoeming van twee bewindvoerders. De Reorganisatieprocedure is inmiddels verschillende keren verlengd en loopt thans nog steeds.

2.10.

In het kader van de Reorganisatieprocedure heeft PDV - teneinde de eigendoms- en zeggenschapstructuur binnen Nynäs te wijzigen - op of omstreeks 6 mei 2020 een deel van haar aandelen in Nynäs verkocht en geleverd aan de Zweedse stichting Nynässtiftelsen, dan wel de Zweedse onderneming Ny Colleagues AB, alsmede een nog openstaande lening aan Nynäs (van minstens € 119 miljoen) kwijtgescholden (hierna 'de Transactie'). PDV houdt thans nog 14,999% van de aandelen in Nynäs.

2.11.

Na uitvoering van de Transactie heeft OFAC Nynäs van de hiervoor onder 2.6 bedoelde lijst verwijderd.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert OIEG - kort gezegd - PDV, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot afgifte van verschillende stukken betreffende de Transactie, met veroordeling van PDV in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert OIEG - samengevat - het volgende aan.

In geval van toewijzing van de vorderingen in de onder 2.8 vermelde bodemprocedure zal OIEG zich in het bijzonder moeten verhalen op de aandelen van Propernyn en PDV, waarvan de waarde grotendeels of zelfs uitsluitend wordt bepaald door het belang van PDV in Nynäs. Onlangs heeft PDV - middels de Transactie - 35% van haar aandelen in Nynäs verkocht en overgedragen aan een derde en een substantiële lening aan Nynäs kwijtgescholden. Over de voorwaarden waaronder de Transactie heeft plaatsgevonden en de prijs die voor de door PDV overgedragen aandelen is betaald is weinig bekend. OIEG heeft gegronde redenen te vrezen dat PDV de aandelen niet tegen een marktconforme vergoeding heeft verkocht en dat OIEG als gevolg van de Transactie is benadeeld in haar verhaalspositie jegens PDVSA cs in geval van toewijzing van haar vorderingen in de bodemzaak. PDV is niet bereid OIEG nadere informatie te verstrekken over de Transactie. Deze informatie heeft zij nodig om te kunnen beoordelen of zij op korte termijn rechtsmaatregelen dient te treffen tegen (de bestuurders van) PDVSA cs, dan wel één van hen, waarbij onder andere kan worden gedacht aan een Actio pauliana, een paulianabeslag en vorderingen op grond van onrechtmatig handelen van PDV en/of (persoonlijke) aansprakelijkheid van de bestuurders van PDVSA cs. Gelet op een en ander maakt OIEG op grond van artikel 843a van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv') aanspraak op stukken waaruit die gewenste nadere informatie volgt, dan wel kan volgen.

3.3.

PDV voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

OIEG heeft haar vordering gebaseerd op artikel 843a Rv. Voor een geslaagd beroep op dat artikel moet zijn voldaan aan de volgende vereisten:

(i) OIEG moet een rechtmatig belang hebben bij de stukken;

(ii) de stukken moeten voldoende bepaald zijn;

(iii) de stukken moeten betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij OIEG betrokken is;

(iv) PDV moet de stukken daadwerkelijk tot haar beschikking hebben, dan wel relatief eenvoudig tot haar beschikking kunnen krijgen.

4.2.

Het is aan OIEG om in dit kort geding aannemelijk te maken dat aan al die vier vereisten is voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is OIEG daarin niet geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang.

4.3.

Het vereiste rechtmatig belang brengt mee dat OIEG een direct en concreet belang moet hebben bij de gevorderde stukken. Dat is het geval als die stukken relevant zijn voor de onderbouwing van de rechtsmaatregelen die OIEG voornemens is tegen (de bestuurders van) PDVSA cs, dan wel één van hen, te treffen. Het bestaan van de aan die maatregelen ten grondslag liggende rechtsbetrekking moet dan wel voldoende aannemelijk zijn (zie Hoge Raad 10-7-20, ECLI:NL:HR:2020:1251). Op grond van hetgeen OIEG heeft aangevoerd moet worden geconcludeerd dat zij deze drempel niet heeft genomen.

4.4.

Aan alle door OIEG voorgenomen rechtsmaatregelen ligt ten grondslag dat PDVSA cs - en dus ook PDV - moeten worden vereenzelvigd met Venezuela. PDV betwist dat dit het geval is. In dit kort geding heeft OIEG die (vermeende) vereenzelviging van PDV met Venezuela nauwelijks nader onderbouwd. In feite verwijst zij in dat verband enkel naar de door haar - als productie 5 - overlegde dagvaarding in de bodemzaak. Het debat in de bodemprocedure over de vereenzelviging, waarvan het bestaan niet snel wordt aangenomen, is nog volop gaande, terwijl over de uitkomst daarvan in dit kort geding geen enkele voorspelling kan worden gegeven. De uitspraken waarop OIEG zich in haar pleitnota, onder 4.5, verwijst maken dat niet anders. De beslissing van het gerecht in eerste aanleg van Aruba is niet overgelegd en kennelijk ook niet gepubliceerd, zodat de voorzieningenrechter daarvan geen kennis kan nemen, wat wel nodig is om te kunnen beoordelen of die uitspraak relevant is voor het onderhavige geschil. Met betrekking tot het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 29 augustus 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:9100), is van belang dat daarin andere procespartijen optraden dan in dit kort geding en dat het een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag (op de aandelen van PDVSA in Propernyn) betrof ten aanzien waarvan een ander toetsingskader geldt dan met betrekking tot een vordering ex artikel 843a Rv. Overigens valt op dat ook de voorzieningenrechter in dat vonnis heeft overwogen dat geen voorspelling valt te geven over de uitkomst in de bodemprocedure met betrekking tot de vraag of sprake is van vereenzelviging (naar Argentijns recht) tussen Venezuela en PDVSA. Voorts kan OIEG ook geen rechten ontlenen aan het onder 2.7 bedoelde beslagverlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De Hoge Raad heeft immers in het arrest waarnaar onder 4.3 wordt verwezen uitdrukkelijk aangegeven dat aan de mate van aannemelijkheid van een vordering ex artikel 843a Rv hogere eisen moeten worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek om beslag te mogen leggen. Dat een andere maatstaf geldt blijkt ook uit het feit dat, anders dan een bij een vordering ex artikel 843a Rv, een beslagverzoek in beginsel zonder het horen van de wederpartij wordt toegewezen.

4.5.

Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat OIEG haar rechtsbetrekking met PDVSA cs - en dus ook met PDV - niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Reeds daarom komt haar vordering niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6.

Overigens heeft OIEG ook niet voldoende onderbouwd dat zij door de Transactie is gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden. Te minder nu ook volgens de stellingen van OIEG zelf de financiële positie van Nynäs - als gevolg van de Amerikaanse sancties – voorafgaand aan de transactie uitermate slecht was en dat deze door de Reorganisatieprocedure, waarvan de Transactie onderdeel uitmaakt, is verbeterd. Volgens OIEG is de waarde van de aandelen in Nynäs daardoor substantieel gestegen. Gelet hierop en op de beweerdelijk door PDV overeengekomen - en door OIEG gewraakte - terugkoopoptie ter zake van de overgedragen aandelen, valt zeker niet op voorhand uit te sluiten dat de verhaalsmogelijkheden van OIEG door de Transactie zijn toegenomen in plaats van afgenomen. Overigens laat dat onverlet dat OIEG zich er desgewenst op kan beroepen dat een forse lening kennelijk om niet is kwijtgescholden, en zich reeds om die reden op haar positie jegens (bestuurders van) PDVSA c.s. kan beraden.

4.7.

Tot slot - en (ook) ten overvloede - valt niet in te zien waarom niet van OIEG zou mogen worden gevergd de vordering ex artikel 834a Rv, al dan niet bij wijze van provisionele voorziening, in te stellen in de reeds aanhangige dan wel de nog aanhangig te maken bodemprocedure. OIEG heeft dat in ieder geval niet voldoende duidelijk gemaakt. Derhalve kan ook het spoedeisende belang bij de hier aan de orde zijnde vordering niet worden aangenomen.

4.8.

De slotsom is dat de vordering van OIEG zal worden afgewezen.

4.9.

OIEG zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente op de hieronder in het dictum vermelde wijze. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van OIEG af;

5.2.

veroordeelt OIEG in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van PDV begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

jvl