Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9812

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
C/09/587900 / FA RK 20-527
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Eenhoofdig gezag aangehouden in afwachting van ondertoezichtstelling; verzoek vervangende toestemming aanvraag verlenging PGB toegewezen. Vervangende toestemming voor vakantie met kinderen naar Frankrijk of Duitsland afgewezen: een kind in het gezin heeft een kwetsbare gezondheid. Van belang is dat het kind, mocht het kind tijdens de vakantie toch gezondheidsproblemen krijgen, bij de behandelend arts terecht kan. Reizen naar Frankrijk of Duitsland (code geel) is weliswaar toegestaan maar er is sprake van veiligheidsrisico’s. Het is onduidelijk hoe de verspreiding van het virus zich de komende dagen en weken zal ontwikkelen en welke gevolgen dit zal hebben voor de veiligheidsrisico’s, de mogelijkheid om terug te reizen naar huis en of (quarantaine)maatregelen zullen volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 20-527 (echtscheiding) en FA RK 20-4377 (gezagsuitoefening)

Zaaknummers: C/09/587900 (echtscheiding) en C/09/595713 (gezagsuitoefening)

Datum beschikking: 28 augustus 2020 (bij vervroeging)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 27 januari 2020 ingekomen verzoek met zaaknummer C/09/587900 en het op 8 juli 2020 ingekomen verzoek met zaaknummer C/09/595713 van:

[X]

de vrouw/de moeder,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. M.A. Spek te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man/de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. S. Salhi te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

In de echtscheidingsprocedure

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 27 januari 2020;

  • -

    het bericht van 17 februari 2020 met bijlagen van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;

- het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 14 juli 2020.

In de gezagsuitoefeningsprocedure

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 8 juli 2020;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift, ingekomen op 10 augustus 2020

  • -

    het bericht van 12 augustus 2020 met bijlagen van de vrouw.

Op 14 augustus 2020 zijn de zaken gecombineerd behandeld met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling (zaak- en rekestnummer: C/09/595825 en JE RK 20-1631) voor de duur van een jaar. In die laatste zaak zijn de kinderen bij beschikking van 14 augustus 2020 van deze rechtbank onder toezicht gesteld van [jeugdbescherming] Jeugdbescherming [jeugdbescherming] (hierna: [jeugdbescherming] ).

Ter zitting zijn verschenen: de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten, namens de Raad voor de Kinderbescherming mevrouw [naam medewerker] en namens [jeugdbescherming] mevrouw [naam medewerker]

Feiten

  • -

    De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2011 te [huwelijksplaats] .

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats]

  • -

    [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats]

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

  • -

    De kinderen verblijven bij de vrouw.

  • -

    De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Deze rechtbank heeft op 24 februari 2020 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd.

Verzoek en verweer

De verzoeken van de vrouw strekken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen alsmede verzoeken in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek, De vrouw verzoekt:

  • -

    primair: het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking; subsidiair: de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;

  • -

    toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;

  • -

    te bepalen dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen;

  • -

    primair: opname van het echtscheidingsconvenant in de beschikking; subsidiair: vaststelling van de verdeling van de gemeenschap van goederen;

  • -

    vervangende toestemming te geven die de toestemming van de man vervangt voor een vakantie naar Frankrijk of Duitsland in de periode van 15 augustus tot en met 30 augustus 2020,

  • -

    vervangende toestemming te geven die de toestemming van de man vervangt voor het aanvragen van een PGB voor [minderjarige 1] .

De man stemt in met het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, het huurrecht en stemt uiteindelijk ook in met de verdeling van de gemeenschap van goederen. Tegen de overige verzoeken voert de man verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Verder heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat het ouderschapsplan onderdeel zal uitmaken van de beschikking.

Beoordeling

Echtscheiding

Ouderschapsplan

Beide partijen verzoeken om een ouderschapsplan op te nemen in de beschikking. De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd.

Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Het is de rechtbank gebleken – mede gelet op het verzoek tot ondertoezichtstelling van de Raad voor de Kinderbescherming – dat partijen niet in staat zijn een ouderschapsplan op te stellen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet van de partijen worden gevergd dat zij een door hen beide akkoord bevonden ouderschapsplan overleggen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815, tweede lid, Rv. De verzoeken van partijen ten aanzien van het ouderschapsplan worden daarom afgewezen.

Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding en de verzoeken tot echtscheiding toewijzen.

Hoofdverblijfplaats

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft ingestemd met dat verzoek. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen.

Huurrecht

Het verzoek ten aanzien van het huurrecht zal eveneens worden toegewezen. De man heeft met dit verzoek ingestemd.

Verdeling

De man heeft ter zitting medegedeeld ook in te stemmen met het voorstel van de vrouw tot verdeling van de gemeenschap van goederen en verder niet meer uit de voormalige echtelijke woning te willen hebben. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen zal daarom worden toegewezen,

Eenhoofdig gezag

De moeder heeft verzocht haar met het eenhoofdig gezag te belasten. De moeder heeft aangevoerd dat de vader weinig betrokken is bij de kinderen en in het raadsrapport aangegeven heeft afstand te willen doen van contact met de kinderen. De vader antwoordt op e-mails van de moeder dat hij niet geïnformeerd of benaderd wil worden en de vader onderhoudt geen contact met school, aldus de moeder. De moeder wijst erop met name snel beslissingen te moeten kunnen nemen ten aanzien van de verzorging en behandeling van [minderjarige 1] . De moeder vreest dat de ondertoezichtstelling geen verbetering in de houding van de vader met zich meebrengt.

De vader heeft verweer ter zitting gevoerd. Hij voert aan dat de moeder hem in een kwaad daglicht zet. Daar wordt hij erg boos om en daarom wil hij niet met haar communiceren. De communicatie kan de komende tijd via zijn advocaat plaatsvinden. Het is aan de hulpverlening om de komende tijd aan de slag te gaan met de ouders en te werken aan de communicatie, aldus de vader. Er is volgens de vader geen sprake van het klem of verloren raken van de kinderen. De vader wijst erop dat hij overal zijn toestemming voor geeft, behalve voor zaken waar hij een gefundeerde andere mening over heeft, zoals de verlenging van het PGB voor [minderjarige 1] en de vakantie naar het buitenland. Het verzoek om de moeder te belasten met het eenhoofdige gezag over de kinderen moet daarom volgens vader worden afgewezen.

Door de Raad is ter zitting mondeling geadviseerd het verzoek aan te houden. Er is geen onderzoek naar het gezag gedaan. Tussen de ouders is veel gebeurd, maar de situatie is nog pril en beide ouders zitten vol emoties. Er zal een jeugdbeschermer worden ingezet, die tussen de ouders kan bemiddelen, maar dat is niet de primaire taak van de jeugdbeschermer. De communicatie kan niet, zoals de vader zegt, via de oudste twee kinderen lopen. De ouders zullen uiteindelijk samen aan de slag moeten. Als de situatie tot rust is gekomen zal mogelijk sprake kunnen zijn van een betere samenwerking tussen de ouders.

De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt is, dat ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, in samenhang met artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter slechts bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Duidelijk is dat de communicatie tussen de ouders op dit moment niet goed verloopt en ouders nu onvoldoende in staat zijn gezamenlijke beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. Het gebrek aan constructieve communicatie is (één van) de grond(en) voor de ondertoezichtstelling die op 14 augustus 2020 is uitgesproken. Het is mogelijk dat de huidige situatie en verstandhouding van de ouders nog zal verbeteren, mede door de inzet van de jeugdbeschermer. In het kader van de ondertoezichtstelling zal de jeugdbeschermer de communicatie tussen de ouders over de kinderen zo veel mogelijk dienen te bevorderen. De rechtbank acht het daarom op dit moment nog te vroeg om een definitieve beslissing te nemen ten aanzien van het gezag.

Mede gelet op de stellige mededeling van de vader dat hij niet met de moeder wil communiceren en de ernst van de strijd tussen de ouders, is het op dit moment nog onvoldoende duidelijk of de communicatie tussen hen (uiteindelijk) zodanig zal verbeteren dat de ouders het gezag gezamenlijk kunnen blijven uitvoeren. De rechtbank ziet in die omstandigheid aanleiding om het verzoek tot eenhoofdig gezag aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 1 juli 2021).

De rechtbank verzoekt de ouders en de jeugdbeschermer om de rechtbank uiterlijk op 1 juli 2021 te berichten over de stand van zaken. Daarbij wordt verzocht in ieder geval aan te geven hoe het contact tussen de vader en de kinderen verloopt, of de ouders tot een regeling zijn gekomen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoe de communicatie tussen de ouders verloopt. De rechtbank constateert dat op dit moment geen verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling voorligt. Indien de ouders tot een zorgregeling komen dan kan deze regeling in een beschikking worden vastgelegd.

Vervangende toestemming PGB

Partijen zijn het er over eens dat hulp voor [minderjarige 1] nodig is en dat daartoe een aanvraag voor de verlenging van het PGB moet worden gedaan. Over de invulling van de zorg verschillen de ouders van mening. De moeder wil de zorg samen met de voor haar bekende verpleegkundige uitvoeren. De vader vindt dat de zorg door een onafhankelijke derde moet worden uitgevoerd. Daarnaast stelt de vader dat de moeder een te hoog PGB budget aanvraagt en daarmee misbruik maakt van de regeling.

De rechtbank stelt voorop dat de moeder in samenwerking met de zorgregisseur van het [naam hulpverlening] een plan van aanpak en bijbehorende aanvraag voor de verlenging van het PGB heeft geformuleerd. De moeder heeft dus niet alleen, maar samen met de daarin gespecialiseerde instantie, de zorgbehoefte van [minderjarige 1] in kaart gebracht. Onder die omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de aanvraag waarvoor vervangende toestemming is gevraagd overeenkomt met de zorg die voor [minderjarige 1] nodig is. Het is niet aan de rechtbank, maar aan de Sociale Verzekeringsbank om, nadat het PGB is toegekend, ervoor te zorgen dat niet méér wordt uitbetaald dan noodzakelijk is voor de zorg voor [minderjarige 1] .

De zorg voor [minderjarige 1] zou wellicht ook op andere wijze kunnen worden georganiseerd. De vader heeft evenwel geen concreet voorstel gedaan voor een alternatieve invulling van de zorg voor [minderjarige 1] . De vader heeft wel een second opinion aangevraagd bij de arts van [minderjarige 1] , maar onduidelijk is wanneer die second opinion zal plaatsvinden, terwijl de aanvraag voor het PGB moet worden ingediend. Omdat een concreet alternatief zorgplan ontbreekt is het in het belang van [minderjarige 1] om de aanvraag voor het PGB, conform het door de moeder in samenwerking met het [naam hulpverlening] opgestelde plan van aanpak, in te dienen. De rechtbank zal het verzoek tot vervangende toestemming daarom toewijzen.

Vervangende toestemming vakantie

Door de moeder is vervangende toestemming voor een vakantie verzocht naar Frankrijk of Duitsland. Zij wil graag met de kinderen naar een huisje, het liefst in Duitsland. De moeder heeft een verklaring overgelegd van de kinderarts van [minderjarige 1] , waarin is vermeld dat, op basis van de nu bekende gegevens over het Covid-19 virus, geen duidelijk verhoogd risico lijkt te bestaan op ernstig verlopende infecties bij kinderen, ook niet indien er aangeboren afwijkingen zijn. Om die reden lijkt de door de moeder geplande vakantie medisch niet gecontra-indiceerd, zolang de reguliere voorzorgsmaatregelen (zoals die van 1,5 meter afstand) worden gerespecteerd, aldus de verklaring van de kinderarts.

Door de vader heeft ter zitting medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen een buitenlandse vakantie van de drie dochters met hun moeder, maar geen toestemming te geven voor een vakantie naar het buitenland voor [minderjarige 1] . De vader vindt dit voor [minderjarige 1] , vanwege het heersende Covid-19 virus te gevaarlijk. [minderjarige 1] leeft op één long en loopt daardoor volgens de vader een verhoogd risico. Daarbij is het volgens de vader belangrijk dat [minderjarige 1] , wanneer hij gezondheidsproblemen krijgt, gecontroleerd en behandeld kan worden door zijn eigen arts.

Door de Raad is ter zitting geadviseerd om het verzoek af te wijzen. Het algemene beleid is dat ouders nu niet met hun kinderen naar het buitenland moeten gaan als dat niet nodig is. De Raad wijst er bovendien op dat in bepaalde landen mondkapjes moeten worden gedragen. Voor een kind met één long is dat extra belastend.

Ter zitting heeft de rechtbank het verzoek van de moeder afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het voor de moeder en de kinderen niet noodzakelijk is dat zij naar het buitenland reizen. Zij hebben behoefte aan vakantie, maar die vakantie kan ook in Nederland plaatsvinden. Voor [minderjarige 1] bestaat op basis van de nu bekende gegevens niet een verhoogd risico op een ernstig verlopende infectie met het Covid-19 virus. Dat neemt niet weg dat hij een meer kwetsbare gezondheid heeft. Het is voor hem van belang dat hij, mocht hij tijdens de vakantie toch gezondheidsproblemen krijgen, bij zijn behandelend arts terecht kan.

Op dit moment is sprake van een stijging van de besmettingen met het Covid-19 virus. In Frankrijk en Duitsland is op dit moment code geel van kracht: reizen is weliswaar toegestaan maar er is sprake van veiligheidsrisico’s. Het is onduidelijk hoe de verspreiding van het virus zich de komende dagen en weken zal ontwikkelen en welke gevolgen dit zal hebben voor de veiligheidsrisico’s, de mogelijkheid om terug te reizen naar huis en of (quarantaine)maatregelen zullen volgen. De rechtbank acht daarom een verblijf in Duitsland of Frankrijk, zonder noodzaak daartoe, nu niet in het belang van [minderjarige 1] .

Ten aanzien van de verzochte vervangende toestemming voor de vakantie is deze beschikking de schriftelijke uitwerking van de reeds op de zitting genomen beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

in de echtscheidingsprocedure met zaaknummer C/09/587900:

- spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] 2011 te [huwelijksplaats] ;

- bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats]

  • -

    [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats]

  • -

    [minderjarige 4] geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats]

bij de vrouw;

- bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder zal zijn van de woonruimte te [woonplaats 2] aan de [adres] en verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

  • -

    aan de man worden toebedeeld de op zijn naam staande bankrekeningen en de inboedel die hij onder zich heeft, zonder nadere verrekening van de saldi van de rekeningen en waarde van de inboedel met de man;

  • -

    aan de vrouw worden toebedeeld de op haar naam staande bankrekeningen en de inboedel die zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening van de saldi van de rekeningen en waarde van de inboedel met de man;

- houdt de behandeling van het verzoek tot eenhoofdig gezag aan tot 1 juli 2021 pro forma in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling;

- bepaalt dat beide advocaten en de jeugdbeschermer zich uiterlijk op 1 juli 2021 schriftelijk moeten uitlaten over de stand van zaken en daarbij in ieder geval moeten aangeven hoe het contact tussen de vader en de kinderen verloopt, of de ouders tot een regeling zijn gekomen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoe de communicatie tussen de ouders verloopt;

- gelast de griffier de toezending van deze beschikking aan [jeugdbescherming] ;

- bepaalt dat een nader te bepalen behandeling ter zitting zal worden voortgezet in de vorm van een gecombineerde behandeling bij een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen in aanwezigheid van de jeugdbeschermer van [jeugdbescherming]

- wijst af het meer of anders verzochte;

in de procedure met zaaknummer C/09/595713:

- verleent de vrouw vervangende toestemming, welke toestemming die van de man vervangt, voor de aanvraag van een PGB voor [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] conform de aangehechte “aanvraag specialistische hulpverlening” van 26 mei 2020, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor vakantie met de kinderen.

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. M. Corver, griffier, en – met uitzondering van de beslissing op het verzoek tot vervangende toestemming voor vakantie – uitgesproken ter openbare zitting van
28 augustus 2020.

De schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak op 14 augustus 2020 ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming voor vakantie is vastgesteld op 28 augustus 2020.