Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
10-02-2020
Zaaknummer
NL19.30983
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel. Dublin Italië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Rapport SFH/OSAR 21 januari 2020. Geen ander beeld ten opzichte van recente Afdelingsuitspraken. Tarakhel-arrest niet van toepassing op eiser. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.30983

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.30984, plaatsgevonden op 23 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 22 november 2019 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uit de Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Italië. Nederland heeft Italië verzocht om eiser terug te nemen2. Italië heeft dit verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft vanwege zijn medische omstandigheden opvang nodig en niet is gebleken dat hij in Italië toegang heeft tot opvangvoorzieningen. Daarbij verwijst eiser naar persbericht over een nieuw rapport van SRC3 van 21 januari 2020. Daarnaast meent eiser dat hij vanwege zijn medische omstandigheden moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon waarvoor verweerder aanvullende garanties moet verkrijgen bij de Italiaanse autoriteiten.4 Daarnaast meent eiser dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de (medische) gevolgen van overdracht aan Italië door advies te vragen aan het BMA5. Eiser verwijst hierbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 18 november 20196 en 31 december 20197.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Bij uitspraak van 19 december 20188 heeft de Afdeling9 geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het Salvini-decreet heeft niet tot gevolg dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Ook in recentere uitspraken10 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM11 of artikel 4 van het Handvest12.

5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang of asielprocedure waardoor Italië zich tegenover asielzoekers niet langer aan de internationale verplichtingen houdt. Het door eiser overgelegde persbericht van SRC schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie van asielzoekers dan het beeld dat in de eerdere rapporten van deze organisatie over deze situatie is gegeven. Die eerdere rapporten zijn betrokken bij de jurisprudentie van de Afdeling en gaven geen aanleiding om ernstige structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure in Italië aan te nemen. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen, dan wel dat klagen bij de (hogere) autoriteiten bij voorbaat zinloos is.

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet onder de reikwijdte van het arrest Tarakhel valt. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij een klein stalen plaatje in zijn arm heeft. Hij is – anders dan in het beroepschrift is gesteld – niet verslaafd aan pijnstillers. Uit het overgelegde patiëntendossier blijkt dat het middel waaraan hij verslaafd zou zijn in Nederland door de medische zorg voor asielzoekers niet wordt voorgeschreven. Verder is er ook geen doorverwijzing naar een medisch specialist. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat eiser moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar, als bedoeld in het arrest Tarakhel. In zoverre verschilt eiser van de vreemdelingen in de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. Verweerder was dan ook niet gehouden om voor eiser aanvullende (opvang)garanties te vragen aan de Italiaanse overheid. Ook was verweerder gelet op het vorenstaande niet gehouden om een BMA-advies op te vragen.

7. Tot slot heeft verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de behandeling van zijn asielverzoek onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Andel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3 Swiss Refugee Council, ook genoemd SFH/OSAR.

4 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 (Tarakhel).

5 Bureau Medische Advisering.

6 NL19.24735.

7 NL19.28370.

8 ECLI:NL:RVS:2018:4131.

9 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

10 Zie onder meer de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1085), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 27 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2042) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845).

11 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

12 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie