Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9678

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
NL20.12506
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Substantiële verschillen tussen twee opvolgende FMMU-adviezen – onderliggende stukken individueel ambtsbericht.

In het dossier bevinden zich twee adviezen van het FMMU over het kunnen horen en beslissen. Het tweede advies, dat is opgesteld door dezelfde arts die het eerste advies heeft opgesteld, bevat geen enkele referentie aan het eerste advies. Daar waar uit het eerste advies volgt dat eiser niet kan worden gehoord omdat sprake is van een te forse, overwegende psychische problematiek, dat een medische behandeling moet worden gestart en dat er vervolgens mogelijk een oordeel kan worden gegeven over de termijn waarbinnen gehoord kan worden, volgt uit het tweede advies, dat 14 dagen later is gegeven, dat eiser kan worden gehoord als pauzes worden gehouden en rekening wordt gehouden met het niet kunnen benoemen van data en alle gebeurtenissen. Uit het dossier blijkt niet dat eiser inmiddels een aanvang heeft gemaakt met een behandeling terwijl ook niet is gebleken van een diagnose. In dit advies wordt in het geheel geen melding meer gemaakt van de forse problematiek en de noodzakelijk geachte medische behandeling. De totstandkoming van dit tweede advies, op grond waarvan eiser is gehoord, is zonder nadere toelichting niet inzichtelijk. Anders dan verweerder in zijn besluit en ter zitting heeft aangegeven kan hij niet steeds zonder meer van het meest actuele FMMU-advies uitgaan als er meerdere adviezen zijn uitgebracht, maar mag hij dit slechts als hij er zich van heeft vergewist dat de totstandkoming inzichtelijk is.

Indien verweerder zich op het standpunt stelt dat hij de onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht niet wil verstrekken omdat deze geheim moeten blijven dient hij een procedure op grond van artikel 8:29 Awb te (doen) starten. Het volstaat niet om te verwijzen naar de REK-check.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12506


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. de Jong),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).


Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL20.12507).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12507, plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij activist is voor de Nationale Raad, dat hij heeft deelgenomen aan verschillende demonstraties van de Nationale Raad en dat hij tijdens een demonstratie in april 2017 is opgepakt, nadat hij eerst een oproep thuis had gekregen van het politiebureau waaraan hij geen gehoor had gegeven. Eiser heeft verklaard dat hij op het politiebureau is beledigd en mishandeld en dat hij vervolgens is veroordeeld tot 10 dagen gevangenisstraf. Eiser werd onder meer beschuldigd van het aanzetten tot een coup. Eiser heeft verklaard ook gedurende zijn gevangenisstraf te zijn mishandeld en beledigd en dat hij na zijn gevangenisstraf naar het ziekenhuis moest voor een behandeling. Eiser heeft verklaard dat hij vreest bij terugkeer te worden gearresteerd, omdat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst.

  • -

    Deelname aan demonstraties van de Nationale Raad.

  • -

    Detentie en marteling door gevangenisbewakers.

  • -

    Er is een opsporings- en arrestatiebevel tegen eiser uitgevaardigd.

4. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De overige elementen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de documenten die eiser heeft overgelegd om zijn relaas te onderbouwen laten onderzoeken door bureau documenten, heeft een individueel ambtsbericht laten opstellen en heeft de verklaringen die eiser heeft afgelegd beoordeeld. Op basis van het geloofwaardig geachte relevante element komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, ongeacht het tweede advies van FMMU, tijdens het nader gehoor duidelijk bleek dat hij op dat moment niet in staat was om te worden gehoord. Door eiser werd meerdere malen aangegeven dat hij zich niet goed voelde en dat hij zich dingen niet goed kon herinneren. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de psychische gesteldheid van eiser alvorens het gehoor voort te zetten.

6. De rechtbank overweegt dat allereerst de vraag aan de orde is of verweerder eiser had mogen horen over zijn asielmotieven en de in het gehoor afgelegde verklaringen aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen zonder beperkingen aan te nemen bij eiser om te kunnen verklaren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7. In het dossier bevindt zich een FMMU-advies van 11 april 2018. In dit advies is –onder meer- het navolgende opgenomen:

(…)

Niet horen

1.a. Indien uit uw onderzoek blijkt dat (nog) niet kan worden gehoord, op grond van welke beperkingen komt u tot dit oordeel?

Er is bij betrokkene momenteel sprake van een te forse, overwegende psychische problematiek.

1.b. Kunt u, indien er niet gehoord kan worden, uitspraken doen over de te nemen maatregelen en een termijn aangegeven waarop wel gehoord kan worden?

Betrokkene kreeg een advies, met klem te zorgen voor een consult GZA, om verder te laten behandelen, van de bekende klachten en voortgang te bespreken.

Betrokkene wordt uitgenodigd door de arts FMMU binnen twee weken, dan kan er mogelijk een oordeel worden gegeven ten aanzien van de termijn waarbinnen gehoord kan worden.

Er is dan mogelijk zicht op de ingezette behandeling.

De arts van de FMMU kan desgewenst via de advocaat het medisch dossier opvragen bij de behandelaar, nu nog de arts GZA.

1.c. Is het in dat geval wenselijk om voorafgaand aan het horen een nieuw medisch advies aan te vragen?

Ja.

Het is essentieel om een nieuw medisch advies aan te vragen.

(…)

Client is geadviseerd de huisarts van de GCA/JCS te bezoeken (Ja/Nee)

Ja

(…)

Dit advies is op 11 april 2018 ondertekend door een verpleegkundige en een arts.

8. In het dossier bevindt zich een tweede FMMU-advies dat is opgemaakt en getekend door dezelfde arts die het FMMU-advies van 11 april 2018 heeft opgesteld en ondertekend.

Dit tweede advies is door deze arts zowel op 25 april 2018 als op 26 april 2018 ondertekend. Uit de informatie in de velden waarin de arts zijn handtekeningen heeft geplaatst blijkt dat eiser is verschenen op het spreekuur en dat de arts geen beschikking heeft over een dossier. In dit advies is - onder meer – het navolgende opgenomen:

(…)

Wel horen

2.a Gegeven de medische klachten die tijdens het onderzoek zijn gebleken, zijn de volgende beperkingen relevant voor het Horen & Beslissen:

Gegeven de klacht rekening houden met het volgende: Betrokkene vertelt geen exacte data te kunnen benoemen omtrent zijn asielrelaas. Voorts geeft betrokkene aan niet alle gebeurtenissen te kunnen herinneren. Bij het spreken over gebeurtenissen uit het verleden kunnen angstklachten ontstaan. Pauze inlassen.

(…)

9. De rechtbank stelt vast dat in het tweede FMMU-advies niet wordt gerefereerd aan het eerste advies terwijl beide adviezen door dezelfde art zijn opgesteld. Daar waar uit het eerste advies volgt dat eiser niet kan worden gehoord omdat sprake is van een te forse, overwegende psychische problematiek., dat een medische behandeling moet worden gestart en dat er vervolgens mogelijk een oordeel kan worden gegeven over de termijn waarbinnen gehoord kan worden, volgt uit het tweede advies, dat 14 dagen later is gegeven, dat eiser kan worden gehoord als pauzes worden gehouden en rekening wordt gehouden met het niet kunnen benoemen van data en alle gebeurtenissen. Uit het dossier blijkt niet dat eiser inmiddels een aanvang heeft gemaakt met een behandeling terwijl ook niet is gebleken van een diagnose. In dit advies wordt in het geheel geen melding meer gemaakt van de forse problematiek en de noodzakelijk geachte medische behandeling. Het komt de rechtbank voor, door het ontbreken van een referentie aan het eerste advies en de substantiële verschillen tussen de onderlinge adviezen die binnen een korte termijn zijn afgegeven, dat de arts over het hoofd heeft gezien dat hij op 11 april 2018 ook een advies ten behoeve van het horen en beslissen van eiser heeft afgegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel, zoals reeds ter zitting met partijen is besproken, dat de totstandkoming van het FMMU-advies van 26 april 2018 zonder nadere toelichting niet inzichtelijk is. Anders dan verweerder in zijn besluit en ter zitting heeft aangegeven kan hij dus niet steeds zonder meer van het meest actuele FMMU-advies uitgaan, maar mag hij dit slechts als hij er zich van heeft vergewist dat de totstandkoming inzichtelijk is. Dit betekent dat de gehoren van 11 april 2018 en 26 april 2018, zonder nadere (medische) toelichting, niet als basis voor de beoordeling van de asielaanvraag kunnen dienen. Het beroep wordt om deze reden gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen om opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser.

10. De rechtbank heeft ter zitting reeds aangegeven dat het besluit de toets in rechte niet kan doorstaan vanwege het niet inzichtelijk zijn van het tweede FMMU-advies geeft partijen voor het vervolg van deze procedure, zoals uitgebreid besproken ter zitting, het navolgende mee. Verweerder heeft een individueel ambtsbericht (IAB) doen opmaken en aan zijn besluit ten grondslag gelegd. Eiser kan zich niet verenigen met de conclusies uit dit IAB en verzoekt om inzage van de onderliggende stukken en wil bovendien een contra-expertise laten verrichten om de conclusies uit het IAB te weerleggen.

11. Verweerder heeft het verzoek om inzage in de onderliggende stukken afgewezen omdat deze geheim moeten blijven en stelt zich daarbij op het standpunt dat er al een zogenaamde REK-check heeft plaatsgevonden zodat er voldoende waarborg is dat de conclusies volgen uit de onderliggende stukken. De rechtbank heeft verweerder gewezen op de geheimhoudingsprocedure zoals opgenomen in artikel 8:29 Awb en daarbij aangegeven dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken geheimhouding van de onderliggende stukken kan verzoeken en dat een rechter vervolgens in een specifiek daartoe ingerichte procedure zal beoordelen of deze geheimhouding gerechtvaardigd is. Indien in die procedure wordt geoordeeld dat geheimhouding niet gerechtvaardigd is zullen de onderliggende stukken moeten worden verstrekt indien het IAB aan het besluit ten grondslag ligt. Verweerder zal dus voor zover hij opnieuw een afwijzend besluit wenst te nemen dat (deels) is gebaseerd op het IAB een verzoek moeten (laten) doen ex artikel 8:29 Awb.

12. Eiser heeft op vragen van de rechtbank aangegeven dat wel reeds contact is gelegd met een deskundige om een mogelijke contra-expertise te verrichten maar dat nog geen opdracht daartoe is verstrekt. Eiser beschikt thans niet over genoeg financiële middelen om een deskundige in te schakelen en is in afwachting van de uitkering van de dwangsommen die verweerder aan hem is verschuldigd. De rechtbank heeft eiser voorgehouden dat de rechtbank niet kan bewilligen in een (spoedige) uitkering van de dwangsommen maar heeft daarbij aangegeven dat het thans niet daadwerkelijk inschakelen van een deskundige in een later stadium van deze procedure kan leiden tot de conclusie dat het IAB niet is weerlegd. De rechtbank heeft tevens aangegeven dat verweerder terecht uiteen heeft gezet dat eiser de stukken die hij heeft overgelegd niet terugkrijgt maar rechtstreeks aan de door hem ingeschakelde deskundige zullen worden verstrekt. Eiser heeft aangegeven dat hij geen zekerheid heeft dat hij door het laten verrichten van een contra-expertise, ook als die het IAB zou kunnen weerleggen, zijn relaas aannemelijk kan maken gelet op de overige tegenwerpingen van verweerder. De rechtbank heeft aangegeven dat de keuze om al dan niet een contra-expertise te verrichten vanzelfsprekend uitsluitend door hem gemaakt wordt. Indien hij echter thans niet daadwerkelijk een deskundige inschakelt terwijl hij reeds in de zienswijze heeft aangegeven dit te zullen doen, zal dit met zich brengen dat in een later stadium van de procedure een verzoek tot aanhouding in verband met een te verrichten contra-expertise weinig kansrijk zal zijn.

13. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat het niet opportuun is om de andere beroepsgronden nu te bespreken en beoordelen. Die gronden zien immers op de beoordeling door verweerder van de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Doordat de totstandkoming van het tweede FMMU-advies niet inzichtelijk is kan de rechtbank niet vaststellen of eiser gehoord had mogen worden en of sprake was van beperkingen ten aanzien van het horen en beslissen. Dit brengt mee dat de verklaringen die eiser heeft afgelegd niet zonder meer integraal hadden mogen worden beoordeeld en tot afwijzing van de asielaanvraag kunnen leiden. Het besluit zal om deze reden worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder hiervoor geen nadere termijn stellen. Dit is immers ter zitting niet besproken en niet onaannemelijk is dat verweerder wederom een FMMU-advies moet aanvragen om eiser vervolgens opnieuw te horen. De rechtbank heeft geen zicht op de termijnen die hiermee zijn gemoeid. Ook valt niet uit te sluiten dat verweerder de zogenaamde 8:29 Awb-procedure zal entameren en eiser vervolgens een termijn zal verzoeken aan verweerder om een contra-expertise op te stellen en deze in de besluitvormingsprocedure in te mogen brengen. De rechtbank geeft partijen mee over de verdere voortgang van de procedure met elkaar in contact te treden.

14. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W.M. Bankers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.