Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9674

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
NL20.1613
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, beroep ongegrond.

Het ontbreken van de naam van de dochter van eiseres in het claimakkoord maakt niet dat overdracht van eiseres en haar dochter op voorhand onrechtmatig is. Uit het claimverzoek blijkt namelijk dat het verzoek ook ziet op de dochter.

Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 kan verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij Italië, ook in het geval van kwetsbare asielzoekers, ervan uitgaan dat de internationale verplichtingen worden nageleefd. Wat eiseres heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat niet langer van deze uitspraken van de Afdeling kan worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.1613


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [V-nummer 1] , eiseres

mede voor het minderjarige kind:

[minderjarige] , v-nummer: [V-nummer 2] ,

(gemachtigde: mr. T. Volckmann),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.F. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 7 februari 2020 (NL20.1614) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiseres en het minderjarige kind niet mogen worden overgedragen totdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) duidelijkheid verschaft over de overdracht van bijzonder kwetsbare asielzoekers aan Italië.

De Afdeling heeft op 8 april 2020 uitspraken (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) gedaan over de overdracht van kwetsbare asielzoekers aan Italië, waarna de rechtbank eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om hierover een standpunt in te nemen.

Eiseres heeft naar aanleiding van deze uitspraken haar standpunt kenbaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 14 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedag 1] 1994, de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten en de moeder te zijn van dochter [minderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2017. Zij heeft op 15 oktober 2019, mede namens haar dochter, een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000), omdat Italië op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 3 december 2019 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

Het claimakkoord

3. Eiseres wijst erop dat uit het claimakkoord van Italië niet blijkt dat dit ook ziet op haar dochter. Dit betekent volgens eiseres dat zij en haar dochter niet kunnen worden overgedragen aan Italië omdat de eenheid van het gezin niet is gewaarborgd.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat het claimverzoek van verweerder aan de Italiaanse autoriteiten van 19 november 2019 ook ziet op de dochter van eiseres. Dit blijkt uit het feit dat op het formulier van het claimverzoek onder ‘Andere nuttige informatie’ is vermeld dat het verzoek ook ziet op de dochter. Nu de Italiaanse autoriteiten er door verweerder met het claimverzoek over zijn geïnformeerd dat het verzoek ook ziet op de dochter van eiseres, brengt het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich mee dat ervan uitgegaan mag worden dat het claimakkoord van de Italiaanse autoriteiten ook ziet op de dochter van eiseres. Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat overdracht niet zal plaatsvinden als blijkt dat de eenheid van het gezin bij de overdracht niet door Italië wordt gewaarborgd. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het ontbreken van de naam van de dochter in het claimakkoord niet maakt dat overdracht van eiseres en haar dochter op voorhand onrechtmatig is.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder bij Italië, ondanks de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020, ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De uitspraken van de Afdeling zijn volgens eiseres niet afdoende, omdat niet duidelijk is op welke periode de informatie van de Italiaanse autoriteiten ziet die door de Afdeling is betrokken in haar uitspraken, de Afdeling het rapport van de Swiss Refugee Council van januari 2020 (het SFH-rapport) niet heeft betrokken in haar uitspraken noch de mogelijke gevolgen van de maatregelen die de Italiaanse autoriteiten hebben genomen om verspreiding van het coronavirus te voorkomen op de beschikbaarheid en kwaliteit van de opvangvoorzieningen in Italië. Daar komt bij dat een aantal toegewezen interim measures van het EHRM nog geldig is, wat maakt dat nog niet alle vragen van het EHRM over de opvangvoorzieningen in Italië zijn beantwoord. Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van 4 mei 2020 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (NL20.8146 en NL20.8149). Tot slot stelt eiseres dat ze bij terugkeer naar Italië illegaal zal zijn. Ze was in Italië in het bezit van een (tijdelijke) verblijfsvergunning voor de duur van twee jaar, maar deze is waarschijnlijk vervallen als gevolg van het Salvini-decreet zonder dat ze de mogelijkheid heeft om deze te verlengen of om te zetten.

5. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder in het geval van eiseres en haar dochter bij Italië terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verweerder in zijn algemeenheid ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 19 december 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987). Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit anders is in haar geval en dat van haar dochter.

5.2.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 april 2020 geoordeeld dat op dit moment niet aannemelijk is dat sprake is van zo’n structurele verslechtering in de opvangvoorzieningen en asielprocedure dat Dublinclaimanten sinds de uitspraken van 19 december 2018 en 12 juni 2019, ook de bijzonder kwetsbare personen onder hen, in Italië een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De Afdeling is mede tot dit oordeel gekomen op basis van de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten aan het EHRM, waarbij de Italiaanse autoriteiten de in de circular letters van 8 juni 2015 en 8 januari 2019 gegeven garantie dat in alle gevallen de eenheid van het gezin wordt gewaarborgd hebben herhaald en bevestigd en hebben toegelicht hoe zij de toegang tot essentiële diensten in de opvangcentra waarborgen, zoals eten, huisvesting en zakgeld, maar ook gezondheidszorg en juridische, sociale, informatieve en taalkundige hulp. Uit deze antwoorden blijkt eveneens dat er bijzondere opvangvoorzieningen zijn voor kwetsbare personen, zoals zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en mensen die lijden aan ernstige lichamelijke of geestelijke aandoeningen. Tot slot hebben de Italiaanse autoriteiten, voor zover relevant, bevestigd dat alle onder de Dublinverordening aan hen overgedragen families met minderjarige kinderen opvang hebben gekregen in het door hen beschreven systeem. Dit betekent dat verweerder ook bij kwetsbare vreemdelingen bij Italië uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten niet nodig zijn.

5.3.

De Afdeling heeft – in tegenstelling tot wat eiseres stelt – het SFH-rapport wel degelijk betrokken in haar uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986. In rechtsoverweging 10.2 oordeelt de Afdeling dat verweerder terecht stelt dat uit dit rapport geen wezenlijk ander beeld naar voren komt van de situatie van Dublinclaimanten dan al bekend was ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Voor zover uit dit rapport volgt dat de eerder aan eiseres verstrekte verblijfsvergunning is vervallen en zij en haar dochter daardoor geen juridische status in Italië zullen hebben, brengt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Italiaanse autoriteiten hebben het claimverzoek van verweerder geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, wat betekent dat de Italiaanse autoriteiten eiseres en haar minderjarige dochter terugnemen omdat de asielaanvraag van eiseres nog in behandeling is. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit de juridische positie van eiseres en haar dochter voldoende duidelijk.

5.4.

Voor zover eiseres ter zitting een beroep heeft gedaan op het AIDA-rapport van 27 mei 2020, brengt ook dit de rechtbank niet tot een andere oordeel. Hoewel de Afdeling dit rapport niet heeft kunnen betrekken bij de uitspraken van 8 april 2020, schetst dit rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie van Dublinclaimanten in Italië dan de rapporten en informatie die de Afdeling wel in haar (eerdere) uitspraken heeft betrokken. De rechtbank sluit daarbij aan bij de door verweerder ter zitting aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 23 juni 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:5891) en betrekt daarbij dat eiseres heeft nagelaten nader te specificeren uit welke passages van dit rapport blijkt dat sprake is van een wezenlijk verslechterde situatie in Italië.

5.5.

De rechtbank ziet ook in de interim measures van het EHRM geen aanleiding – ongeacht de verlenging of opheffing ervan – om tot het oordeel te komen dat verweerder bij overdracht aan Italië individuele garanties moet verkrijgen van de Italiaanse autoriteiten of de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van een arrest van het EHRM. Zoals de Afdeling in haar uitspraken van 8 april 2020 overweegt zijn de interim measures niet gemotiveerd, wat betekent dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis dit zou kunnen zijn. Dit betekent dus dat uit de interim measures niet per definitie volgt dat bij Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daar komt bij dat de Afdeling in haar uitspraken van 8 april 2020 op basis van informatie van de Italiaanse autoriteiten oordeelt dat ook bij kwetsbare vreemdelingen bij Italië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en individuele garanties niet noodzakelijk zijn. Dat de informatie van de Italiaanse autoriteiten op 16 december 2019 aan het EHRM is verstrekt brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat sindsdien de situatie in Italië structureel is verslechterd. Dit heeft zij niet gedaan.

5.6.

Dit laatste maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er ook geen aanleiding bestaat om de uitspraak van de voorzieningenrechter van zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch te volgen. Deze uitspraak laat namelijk onverlet dat het aan eiseres is om in beroep aannemelijk te maken dat bij Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat de door de Italiaanse autoriteiten genomen maatregelen ter bestrijding van het coronavirus tot een structurele verslechtering van de opvangvoorzieningen hebben geleid of zullen leiden, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt daarbij vast dat de maatregelen die de Italiaanse autoriteiten tot op heden hebben genomen tegen de verspreiding van het coronavirus op hoofdlijnen vergelijkbaar zijn met de maatregelen die de Nederlandse autoriteiten hebben genomen. Niet gebleken is dat de Italiaanse autoriteiten met deze maatregelen niet voldoen aan de internationale verplichtingen en het voor eiseres niet mogelijk is om bij eventuele problemen zich te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten of het EHRM. Ook dit maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om anders te oordelen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel dan de Afdeling heeft gedaan in haar uitspraken van 8 april 2020.

5.7.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel maakt dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië ook jegens kwetsbare asielzoekers zoals eiseres en haar dochter de internationale verplichtingen nakomt.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment, voor zover nodig, alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.