Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9663

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
09-153379-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 3 maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 4.000,- voor opzetwitwassen. In een verborgen ruimte in een personenauto is een contant geldbedrag van € 123.500,- aangetroffen. Gezien omstandigheden is voorafgaand aan het openen van die verborgen ruimte redelijk vermoeden van schuld ontstaan aan een strafbaar feit als omschreven in art. 67 lid 1 Sv. Het is een feit van algemene bekendheid dat verborgen ruimtes in auto’s doorgaans gebruikt worden voor criminele doeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09-153379-20

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Tegenspraak

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [verdachte] op [geboortedag] 1992,

[adres]

1 De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 augustus 2020.

De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Wösten, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. W.A.J.A. Welten, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juni 2020 te Delft, althans in Nederland, - van een of meer geldbedrag(en), te weten 123.520 euro en/of 4.000 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de/het geldbedrag(en) was, en/of - een of meer geldbedrag(en), te weten 123.520 euro en/of 4.000 euro, verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of gebruikt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Feiten en omstandigheden

De politierechter gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 10 juni 2020 kregen verbalisanten een melding van een ANPR-hit (Automatic Number Plate Recognition) op het [kenteken] Zij zagen de auto met dit kenteken rijden op de A2 ter hoogte van Vinkeveen. Verbalisanten hebben de auto gevolgd naar de [straat 1] te Amsterdam. Daar parkeerde de auto, waarbij de politie zag dat de bestuurder de enige inzittende was, en reed even later weer weg naar de [straat 2] te Den Haag. Daar zagen verbalisanten de bestuurder met lege handen uitstappen en terugkomen met een blauwe tas in zijn handen. Verbalisanten zagen dat de bestuurder vanaf de bestuurdersstoel over de middenarmsteun naar de achterbank leunde en daar handelingen verrichte. Vervolgens reed de auto de A4 op en de verbalisanten hebben de auto in Delft gecontroleerd op grond de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte bleek de bestuurder van de auto te zijn. De verbalisanten hebben met toestemming van verdachte de auto doorzocht. Daarbij viel hen op dat de blauwe tas nergens terug te vinden was. De verbalisanten zagen dat er een opvallende naad rondom een opbergvak bij de middenarmsteun zichtbaar was. Toen zij aan dit vak trokken kwam het vak in zijn geheel uit het voertuig. Aan de onderzijde van het opbergvak was een elektriciteitsdraad vast getapet. Door de wijze waarop dit eruit zag hadden verbalisanten het vermoeden dat deze bedrading naderhand was aangebracht en dat daarin een "readcontact" verwerkt was om een verborgen ruimte te openen. Op dat moment is verdachte aangehouden als verdachte van overtreding van (onder meer) witwassen.2

Uit nader onderzoek bleek dat er een verborgen ruimte onder de achterbank van de auto was aangebracht. In die verborgen ruimte zijn twee tassen aangetroffen. Eén van die tassen is door verbalisanten herkend als de blauwe tas waarmee ze verdachte hadden zien lopen. In deze tas zat een Albert Heijn-tas waarin diverse bundels eurobiljetten zaten. Onder de tas lag een Albert Heijn-boodschappentas, waarin een doos zat waarin eveneens diverse bundels met eurobiljetten zaten.3 In beide tassen werd in totaal een bedrag van €123.520 aangetroffen.4

Diezelfde dag is de woning van verdachte doorzocht. In de woning is in een schoenendoos een contant geldbedrag van €4.000 aangetroffen.5

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 augustus 2020 verklaard dat hij een klus had aangenomen om tegen betaling de blauwe tas in Den Haag op te halen, te vervoeren en af te leveren bij een hem onbekend persoon in Tilburg. Hij moest de tas vervoeren in de verborgen ruimte van de auto. Hij heeft de Albert Heijn-tas in de verborgen ruimte zien liggen. Hij zag wel iets met papier in de tas zitten en had een vermoeden dat het om geld ging.6 Ten aanzien van het bedrag van €4.000 dat bij hem thuis is aangetroffen, heeft verdachte verklaard dat dat zijn spaargeld is. Hij heeft dat geld op verschillende momenten contant opgenomen in een casino.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op er het moment van aanhouden sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als omschreven in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Voorts heeft zij bewezenverklaring van het opzetwitwassen van €123.520 gevorderd. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het witwassen van €4.000, aangezien verdachte een voldoende aannemelijke verklaring voor de herkomst van dat geldbedrag heeft gegeven.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit, namelijk van het opzetwitwassen, alsmede van het witwassen van het bij verdachte thuis aangetroffen geldbedrag van €4.000 en het geldbedrag dat zich niet in de blauwe tas, maar in de tweede Albert Heijn-tas bevond.

3.4.

Het oordeel van de politierechter

Redelijk vermoeden van schuld

De politierechter is met de officier van justitie van oordeel dat op het moment van aanhouding sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv. Er bestond namelijk een voldoende concreet vermoeden dat in de auto een verborgen ruimte aanwezig was. De blauwe tas waarmee verdachte kort daarvoor in de auto was gestapt werd immers niet aangetroffen en er was een opvallende elektriciteitsdraad gezien die verband zou kunnen houden met de aanwezigheid van een verborgen ruimte in de auto. Het is een feit van algemene bekendheid dat verborgen ruimtes in auto’s doorgaans gebruikt worden voor criminele doeleinden. De wetenschap van de aanwezigheid van dergelijke ruimtes kan een verdenking opleveren van een misdrijf als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv.

Bewijsoverweging

Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte de bestuurder was van een auto waarin een contant geldbedrag van €123.520 in een verborgen ruimte werd vervoerd. Voorts staat vast dat verdachte de blauwe tas met een deel van dat geldbedrag heeft opgehaald en in de verborgen ruimte gelegd. De politierechter gaat er gelet op de verklaring van de verdachte van uit dat verdachte wist dat er geld in die blauwe tas zat.

Het verweer dat verdachte niet zou hebben geweten wat er in de tweede in de verborgen ruimte aangetroffen Albert Heijn-tas zou zitten, wordt verworpen. De politierechter gaat ervan uit dat verdachte wist dat ook deze tas contant geld bevatte. Daarbij is van belang dat (1) verdachte die tas heeft zien liggen; en (2) die tas zich op een zeer specifieke plaats in de auto bevond, namelijk in een verborgen ruimte waarin verdachte werd geacht een tweede tas met contant geld te verbergen. Voorts is het scenario dat de opdrachtgever(s) van de verdachte hem een groot geldbedrag hebben meegegeven zonder dat hij daarvan op de hoogte was, zeer onwaarschijnlijk. Dat zou immers een groot veiligheidsrisico met zich brengen.

De omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen duiden op een criminele herkomst. Het geldbedrag van €123.520 is contant aangetroffen in een verborgen ruimte van de door verdachte bestuurde auto. Verdachte moest dit bedrag voor een oude bekende van hem – wiens naam hij niet heeft willen noemen – ophalen en naar een onbekende man in Tilburg brengen. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden is de politierechter van oordeel dat het niet anders kan dan dat het onder verdachte aangetroffen geldbedrag van €123.520 niet op een legale wijze is verkregen, maar afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dit wist.

De politierechter is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van €4.000. Uit in de woning van verdachte aangetroffen bonnetjes blijkt dat hij een bedrag van €2.366 gepind heeft in een casino. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van het resterende bedrag ook kan aantonen dat hij dit gepind heeft. Verdachte heeft daarmee een voldoende aannemelijke verklaring gegeven voor de legale herkomst van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag.

4 De bewezenverklaring

De politierechter verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 10 juni 2020 te Delft, van een geldbedrag, te weten 123.520 euro, de vindplaats heeft verborgen, en een geldbedrag, te weten 123.520 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafmotivering

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en een geldboete van €4.000 wordt opgelegd.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, oplegging van een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geldboete bepleit.

7.3.

Het oordeel van de politierechter

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft een fors geldbedrag, te weten €123.520, witgewassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van de het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken. De veelal lucratieve vormen van criminaliteit zouden immers niet zo aantrekkelijk zijn als de daders er niet in slaagden wegen te vinden om de opbrengsten ervan aan het zicht van justitie en de fiscus te onttrekken.

De politierechter heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 11 juni 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De politierechter zoekt voor de duur en hoogte van de straf aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude, die bij een benadelingsbedrag van €70.000 tot €125.000 uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden. De politierechter zal de hoogte van deze gevangenisstraf matigen, gelet op de geldboete die tevens zal worden opgelegd.

De politierechter is met de officier van justitie van oordeel dat een dergelijk misdrijf, met financieel gewin als motief, naast een gevangenisstraf ook een financiële straf rechtvaardigt.

Bij de vaststelling van hoogte van deze geldboete heeft de politierechter rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De politierechter zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van drie maanden opleggen en een geldboete van €4.000.

8 Het beslag

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft teruggave aan de verdachte gevorderd van de onder nrs. 2, 3 en 4 op de beslaglijst genoemde goederen, te weten 5 bonnetjes, één iPhone, en €4.000. Zij heeft voorts verbeurdverklaring van het onder nr. 5 op de beslaglijst genoemde goed, te weten €123.520 gevorderd en onttrekking aan het verkeer van het onder nr. 1 op de beslaglijst genoemde genomen goed, te weten een personenauto met [kenteken]

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto moet worden teruggegeven aan de rechthebbende. Hij heeft zich ten aanzien van de overige beslagen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de politierechter.

8.3

Het oordeel van de politierechter t.a.v. het beslag

De op de beslag lijst onder 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen zullen aan de verdachte worden teruggegeven.

De politierechter zal het onder 5 genoemde goed, het geldbedrag van € 123.520 verbeurd verklaren, nu dit het voorwerp betreft met betrekking tot welke het feit is begaan. De politierechter merkt daarbij op dat hij ervan uit gaan dat het geld niet aan verdachte toebehoort, maar dat degene aan wie het geld toebehoort bekend was met het witwassen van het geldbedrag.

De onder 1 genoemde auto zal worden onttrokken aan het verkeer, aangezien de auto voorzien van een verborgen ruimte is bestemd tot het begaan van het onder 4 bewezenverklaarde feit en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezet daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 55, 420bis Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden.

10 De beslissing

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

witwassen

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een geldboete van € 4.000 (VIERDUIZEND EURO);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 80 dagen;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder nr. 5 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 123.520;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder nr. 1 genoemde voorwerp, te weten een personenauto met [kenteken] ;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder nrs. 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten 5 bonnetjes, 1 telefoontoestel en een geldbedrag van € 4.000.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. Boogers, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting in deze rechtbank van 25 augustus 2020.

Dit vonnis is ondertekend door de politierechter.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020166830 van de Politie, Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, Geografische afdeling – Zuid-West-Nederland, met bijlagen (p. 1-74).

2 Proces-verbaal van bevindingen., p. 1-4.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 4-5..

4 Geschrift, Kennisgeving van inbeslagneming, p. 61.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.

6 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 augustus 2020.