Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4722
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De berekening van het dagloon is in geschil. N.a.v. het beroepschrift heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Eiseres heeft niet gemotiveerd aangevoerd waarom de berekening zoals neergelegd in de nieuwe beslissing volgens haar onjuist is. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de berekening van het dagloon. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/4499 en 19/4722

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Alsemgeest).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiseres van
10 augustus 2017 tot en met 28 december 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.

Bij besluit van 9 oktober 2018 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres per
29 december 2017 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 12 februari 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I kennelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 juli 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 juli 2019 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II gegrond verklaard en vastgesteld dat zij vanaf 29 december 2017 recht heeft op een IVA-uitkering.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit II en III afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit IV) heeft verweerder bestreden besluit II ingetrokken en het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I alsnog gegrond verklaard. Aan eiseres is vanaf 10 augustus 2017 een IVA‑uitkering toegekend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 24 januari 2020. Eiseres is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat om verweerder de gelegenheid te geven het dagloon opnieuw te berekenen.

Bij besluit van 5 februari 2020 (bestreden besluit V) heeft verweerder bestreden besluiten III en IV ingetrokken en het dagloon bijgesteld van € 160,85 naar € 190,86. De ingangsdatum van de IVA-uitkering is gehandhaafd op 10 augustus 2017.

Eiseres heeft de rechtbank verzocht om op een nadere zitting te worden gehoord. Zij heeft een nader stuk ingebracht.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus heeft de nadere zitting met instemming van partijen op 17 juli 2020 op digitale wijze plaatsgevonden. Eiseres heeft niet deelgenomen aan de digitale zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres heeft zich op 1 februari 2013 ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW) en aan haar is met ingang van 3 mei 2013 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Deze uitkering is beëindigd per 9 juni 2014.

1.2.

Op 10 augustus 2018 heeft eiseres bij verweerder een WIA‑uitkering aangevraagd. De in het procesverloop weergegeven besluitvorming heeft ertoe geleid dat aan eiseres met ingang van 10 augustus 2017 een IVA-uitkering is toegekend, berekend naar een dagloon van € 190,86.

2. Eiseres betoogt dat de ingangsdatum van haar IVA-uitkering onjuist is vastgesteld en dat het dagloon onjuist is berekend. Met betrekking tot de ingangsdatum van haar IVA-uitkering stelt eiseres dat verweerder heeft verzuimd haar een kennisgeving als bedoeld in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA toe te sturen. Volgens eiseres moet er daarom van uit worden gegaan dat zij op 16 oktober 2014 – 89 weken na haar ziekmelding op 1 februari 2013 – een fictieve aanvraag om een WIA‑uitkering heeft ingediend. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het achterwege laten van de vereiste kennisgeving een bijzonder geval oplevert als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Volgens eiseres had zij daarom vanaf 30 januari 2015 – 104 weken na haar ziekmelding – recht op een IVA‑uitkering. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het dagloon onjuist is berekend, betoogt eiseres dat volstrekt onduidelijk is van welk maatmanloon is uitgegaan.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de bestreden besluiten II en III, waartegen eiseres beroep heeft ingesteld, zijn ingetrokken en – uiteindelijk – zijn vervangen door bestreden besluit V. Niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit II en III. De rechtbank zal daarom de beroepen tegen de bestreden besluiten II en III niet-ontvankelijk verklaren. In deze procedure ligt uitsluitend nog bestreden besluit V voor. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiseres van rechtswege mede gericht tegen bestreden besluit V, nu dit besluit niet volledig aan haar tegemoetkomt. De rechtbank zal bestreden besluit V inhoudelijk beoordelen.

De ingangsdatum van de IVA-uitkering

4. Artikel 64 van de Wet WIA luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Het Uwv stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van artikel 47 of

artikel 54 ontstaat.

2. Het UWV stelt de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag

schriftelijk in kennis uiterlijk op de dag waarop de wachttijd 89 weken heeft

geduurd. (…)

3. De verzekerde doet zijn aanvraag uiterlijk elf weken voor afloop van de wachttijd (…).

6. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien het UWV de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid (…) de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen. (…)

11. Het recht op een uitkering op grond van deze wet kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

Ingevolge artikel 88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA – voor zover hier van

belang – weigert het UWV een uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk,

tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde zich niet houdt aan de verplichting, bedoeld in

artikel 64, derde lid.

4.1.

Niet in geschil is dat verweerder geen kennisgeving heeft gestuurd zoals genoemd in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA. Evenmin in geschil is dat eiseres haar aanvraag voor een WIA-uitkering niet heeft ingediend binnen de daarvoor in artikel 64, derde lid, van de Wet WIA gestelde termijn. Beoordeeld dient te worden of eiseres desondanks met succes aanspraak kan maken op toekenning van een uitkering per einde wachttijd.

4.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat in haar geval sprake is van een fictieve aanvraag op 16 oktober 2014. De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 64 van de Wet WIA bieden voor dat standpunt geen steun. De rechtbank wijst in dit verband op de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA (Kamerstukken II, 2004 – 2005, 30 034, nr. 3, blz. 196), waaruit naar voren komt dat een te laat ingediende aanvraag niet leidt tot verlies van aanspraken van de verzekerde tenzij – zoals in het geval van eiseres – de aanvraag meer dan een jaar na het ontstaan van het recht op een uitkering is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 64, zesde lid, van de Wet WIA aldus te worden gelezen dat een buiten de termijn ingediende aanvraag niet reeds wegens de te late indiening kan worden afgewezen als het UWV geen kennisgeving heeft verstuurd. Ten aanzien van een dergelijke aanvraag blijft toepassing van artikel 88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA dus achterwege. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3931) baat haar niet, nu die uitspraak geen betrekking heeft op een vergelijkbaar geval. In die zaak was immers, anders dan in het voorliggende geval, sprake van een latere kennisgeving door het UWV.

4.3.

De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat in dit geval sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. De Memorie van Toelichting bij de Wet WIA (Kamerstukken II, 2004 – 2005, 30 034, nr. 3, blz. 198), biedt weliswaar ruimte om het achterwege laten van een kennisgeving door het UWV te beschouwen als een bijzonder geval, maar uit rechtspraak van de CRvB volgt dat het begrip “bijzonder geval” naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd en dat het enkele achterwege laten van een kennisgeving geen grond oplevert om een bijzonder geval aan te nemen.1Naar vaste rechtspraak van de CRvB moet met name van een bijzonder geval worden gesproken, indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest.2 Dit zal onder meer het geval zijn wanneer de verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving van de verzekerde. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat zich ten aanzien van eiseres in de periode voorafgaand aan haar aanvraag van 10 augustus 2018 een situatie heeft voorgedaan als hiervoor bedoeld. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was eerder een aanvraag in te dienen.

4.4.

Nu er geen sprake is van een bijzonder geval, heeft verweerder terecht een IVA-uitkering aan eiseres toegekend met ingang van 10 augustus 2017.

De berekening van het dagloon

4.4.

De rechtbank stelt vast dat het inleidend beroepschrift van eiseres ertoe heeft geleid dat het dagloon over de referteperiode opnieuw is berekend. In bestreden besluit V heeft dat geleid tot het vaststellen van een hoger dagloon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in bestreden besluit V inzichtelijk uiteengezet hoe dit hogere dagloon is vastgesteld. Eiseres heeft niet gemotiveerd aangevoerd waarom de berekening zoals neergelegd in bestreden besluit V onjuist zou zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de berekening van het dagloon zoals neergelegd in bestreden besluit V.

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beroepen van eiseres tegen de bestreden besluiten II en III niet-ontvankelijk zijn en dat haar beroep tegen bestreden besluit V ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 94,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit III niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit V ongegrond;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 94,- (tweemaal € 47,-) aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2020 door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Lemmen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu nog niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak de CRvB van 8 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3931.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1483.