Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
09/857035-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak inz. witwassen 4 miljoen euro; stappenplan; artikel 420bis Wetboek van Strafrecht; valse reisdocumenten; artikel 231 Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857035-18

Datum uitspraak: 2 oktober 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, Kerkeplaat 25, 3313 LC te Dordrecht.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het inhoudelijke onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 september 2020. Aan deze zitting gingen (12) (pro-forma) zittingen vooraf, te weten op: 15 mei 2018, 24 juli 2018, 12 oktober 2018, 7 december 2018, 6 maart 2019, 24 mei 2019, 15 augustus 2019, 8 november 2019, 17 januari 2020, 3 april 2020, 26 juni 2020 en 11 september 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. de Jonge en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 8 november 2019 en 18 september 2020 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten

- een Litouws paspoort op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] en/of

- een Italiaanse identiteitskaart op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] en/of

- een Italiaans rijbewijs op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Litouws paspoort met nummer [(--)] op naam van [naam 1] geboren op [geboortedag] 1988, door middels voornoemde valse paspoort in te willen schrijven bij de Gemeente Alphen aan den Rijn;

3.

hij op of omstreeks 21 november 2017 te Amsterdam en/of Breda en/of Polen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Litouws paspoort met nummer [(--)] op naam van [naam 1] geboren op [geboortedag] 1988, door middels voornoemde valse paspoort een bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 1] op te richten;

4.

hij op of omstreeks 22 november 2017, te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 62.100 euro, heeft verworwen en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 62.100 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij op of omstreeks 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen (balletjespistool) merk Crosman, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 14 februari 2018, te Dordrecht, althans in Nederland, en/of in Tsjechïe, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 4.105.492,66 euro (op de bankrekening met IBAN: [(--)] van the [naam bank] op naam van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ), heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen:

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2017 tot en met 28 januari 2018, te Dordrecht, althans in Nederland, en/of in Tsjechïe, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 4.105.492,66 euro (op de bankrekening met IBAN: [(--)] van the [naam bank] op naam van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] , de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de rechthebbende op dat voorwerp heeft verborgen en/of verhuld heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

7.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juli 2017 tot en met 20 juli 2017 te Maastricht, althans in Nederland, en/of in Tsjechië tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 2] en/of [bedrijfsnaam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 3081,00 euro, door

- zich voor te doen als legitiem bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 3] , die privéjets verhuurd en/of

- aan die [naam 2] en/of [bedrijfsnaam 2] een privéjet te verhuren en/of

- een factuur hiervoor op te maken en/of te versturen/mailen aan die [naam 2] en/of [bedrijfsnaam 2] met het verzoek om voor 14 juli 2017 het bedrag van 3081,00 euro over te maken naar de Tsjechische bankrekening [(--)] .

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten. Voor zover van belang zal het standpunt van de officier van justitie hierna nader uiteengezet worden en zal de rechtbank hier nader op ingaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 en 5 geen verweer gevoerd nu de verdachte deze feiten heeft bekend. Ten aanzien van de feiten 4, 6 en 7 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Voor zover van belang zal het standpunt van de verdediging hierna nader uiteengezet worden en zal de rechtbank hier nader op ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5

De rechtbank zal voor de feiten 1, 2, 3 en 5 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 september 2020;

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

2. het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, p. 8C-9;

Ten aanzien van feit 2:

3. het proces-verbaal van aangifte door [naam aangever] (Gemeente Alphen aan den Rijn), p. 68C-69;

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

4. het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse documenten, p. 88-90;

Ten aanzien van feit 3:

5. het proces-verbaal van bevindingen ( [bedrijfsnaam 1] ) met bijlagen, p. 123-169;

6. het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] (notariskantoor [naam notariskantoor] ) in bijzijn van [naam 3] , p. 555-557;

Ten aanzien van feit 5:

7. het proces-verbaal van bevindingen (aantreffen balletjespistool), p. 99-101;

8. het proces-verbaal (onderzoek balletjespistool door materiedeskundige), p. 187B-189.

Ten aanzien van de feiten 4 en 6

Inleiding

Op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] met nummer [(--)] , gehouden bij de [naam bank] , is op 6 november 2017 een bedrag van € 4.000.000,- bijgeschreven, afkomstig van een bankrekening op naam van [bedrijfsnaam 4] . Op 16 november 2017 is van een bankrekening van [bedrijfsnaam 5] een bedrag van € 100.000,- bijgeschreven op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1]2

[bedrijfsnaam 1] is een Tsjechische rechtspersoon. Sinds 18 september 2017 (ingeschreven op 26 september 2017) is de verdachte het enige bestuurslid van deze rechtspersoon. Hij is bovendien sinds 26 september 2017 enig aandeelhouder.3 Aangezien aanwijzingen ontbreken dat sindsdien ook andere natuurlijke personen dan de verdachte bij [bedrijfsnaam 1] zijn betrokken, gaat de rechtbank ervan uit dat alle handelingen op naam van [bedrijfsnaam 1] feitelijk aan de verdachte zijn toe te rekenen.

[naam bank] is een onderzoek gestart naar aanleiding van de genoemde overboeking van € 4.000.000,-. Bij de omschrijving van het bedrag stond (in vertaling) vermeld: ‘voortijdige betaling van een schuld’. [naam bank] heeft de verdachte verzocht om informatie met betrekking tot de herkomst van het geld, een verklaring uit welke activiteiten het geld is verkregen en het beoogde doel waarvoor [bedrijfsnaam 1] dit geld wilde gebruiken.

Door justitie in Tsjechië is op 14 februari 2018 het tegoed op de genoemde bankrekening bevroren. Op deze rekening stond op dat moment een bedrag van € 4.105.492,66.4 De verdachte bevond zich op dat moment in voorlopige hechtenis in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht.

Geen brondelict

De officier van justitie heeft onder meer gesteld dat de verdachte, door zich onder de naam [bedrijfsnaam 1] valselijk voor te doen als bank, zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bedrijfsnaam 6] , een in Ierland gevestigde rechtspersoon voor wie het bedrag van € 4.000.000,- van [bedrijfsnaam 4] bestemd was. De officier van justitie merkt dit misdrijf aan als brondelict voor de in de tenlastelegging genoemde bedragen. De verdachte heeft deze bedragen volgens de officier van justitie vervolgens witgewassen. Daarbij gaat de officier van justitie ervan uit dat ook de klanten van de nepbank [bedrijfsnaam 1] , waaronder [bedrijfsnaam 6] , zich aan witwassen schuldig hebben gemaakt. Volgens hem is sprake van dubbel witwassen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte [bedrijfsnaam 6] heeft opgelicht. Niet kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 4.000.000,- in samenspraak met [bedrijfsnaam 6] op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] bij [naam bank] terecht is gekomen. De rechtbank ziet op grond van het dossier ook voor het overige niet een bepaald brondelict.

Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling aan de rechtbank of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de bij de feiten 4 en 6 genoemde bedragen, terwijl geen direct bewijs voor een brondelict of -delicten aanwezig is.

Stappenplan

Volgens vaste jurisprudentie kan, wanneer geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf (brondelict), witwassen niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp – in dit geval: een tegoed op een bankrekening – uit enig misdrijf afkomstig is.5

Daartoe dient het openbaar ministerie allereerst feiten en omstandigheden aan te dragen, blijkend uit het dossier, die een vermoeden rechtvaardigen dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is [stap i]. Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is [stap ii]. Die verklaring moet concreet, verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn [stap iii]. Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring [stap iv]. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Stap i. De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden blijkend uit het dossier het hiervoor genoemde vermoeden rechtvaardigen.

Allereerst heeft de rechtbank meegewogen het (hiervoor genoemde) onderzoek dat [naam bank] is gestart naar aanleiding van de overboeking van een bedrag van € 4.000.000,- en de (hierna te noemen) wisselende verklaringen die de verdachte (kort na elkaar) gedurende dit bancaire onderzoek heeft gegeven op vragen van [naam bank] met betrekking tot dit bedrag.

In een (Engelstalige) e-mail (gedateerd 8 november 2017 8.06 PM) heeft de verdachte voor het eerst verklaard omtrent de herkomst van het geld, inhoudende dat hij geld had geleend van de vennootschap [bedrijfsnaam 6] , dat hij had geïnvesteerd in de cryptomunt bitcoin en een winst van ca. 300% had gerealiseerd. Omdat de verdachte informatie had ontvangen over een toekomstige daling van de bitcoin-koers, heeft de verdachte om de opheffing van de rekening bij de vennootschap [bedrijfsnaam 4] verzocht om verwachte verliezen te voorkomen.6

De rechtbank begrijpt deze eerste verklaring van de verdachte aldus, dat de verdachte, althans zijn bedrijf [bedrijfsnaam 1] een bedrag van € 1.000.000,- had geleend van [bedrijfsnaam 6] en dit via [bedrijfsnaam 4] had belegd in bitcoins waarmee hij een winst van 300% (€ 3.000.000,-) had behaald. Voorts begrijpt de rechtbank deze verklaring aldus dat [bedrijfsnaam 4] , dat de bitcoin-rekening beheerde, deze rekening op verzoek van de verdachte heeft opgeheven om verwachte verliezen (koersval van de bitcoin) te voorkomen en dat [bedrijfsnaam 4] het totaalbedrag heeft overgemaakt aan [bedrijfsnaam 1]

De verdachte heeft daarna een tweede e-mail gestuurd naar [naam bank] . Daarin heeft hij in antwoord op de vragen die [naam bank] aan hem heeft gesteld het volgende geschreven (vertaald): “Wij hebben [bedrijfsnaam 6] gevraagd ons geld te lenen welke zij van [bedrijfsnaam 7] als financieringsovereenkomst kregen voor ons zodat wij in onder andere bitcoins konden investeren. Dit kwam doordat onze Poolse afdeling in bitcoins had geïnvesteerd en deze daar een grote winst uit hadden gehaald. [bedrijfsnaam 6] had nog geld tegoed van [bedrijfsnaam 7] waarop zij vroegen aan [bedrijfsnaam 7] dit geld direct naar ons over te maken. [bedrijfsnaam 7] had dit geld in [bedrijfsnaam 4] zitten waarop dit geld direct vanaf een [bedrijfsnaam 4] account naar ons werd overgemaakt.”7

De rechtbank begrijpt de tweede verklaring van de verdachte aldus dat hij het (gehele) bedrag had geleend via [bedrijfsnaam 6] dat het op zijn beurt had geleend van [bedrijfsnaam 7] , een op Cyprus gevestigde vennootschap (hierna ook: [bedrijfsnaam 7] ). [bedrijfsnaam 7] had dit geld op een account bij [bedrijfsnaam 4] staan en [bedrijfsnaam 4] maakte dit bedrag rechtstreeks over naar [bedrijfsnaam 1] De bedoeling was om dit geld vervolgens te investeren in bitcoins.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft betoogd, tussen deze twee verklaringen een essentieel verschil zit. Volgens de eerste verklaring betrof slechts een deel van het bedrag een lening en behoorde de rest toe aan de verdachte/ [bedrijfsnaam 1] , volgens de tweede verklaring betrof het gehele bedrag een lening. Volgens de eerste verklaring was reeds belegd in bitcoins en werd een koersdaling verwacht, volgens de tweede verklaring was het juist de bedoeling om te gaan beleggen in bitcoins omdat een koersstijging werd verwacht (hetgeen de verdachte later ook bij de rechter-commissaris heeft verklaard8). Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank voorts van oordeel dat de verschillen tussen deze twee verklaringen niet kunnen worden verklaard op grond van de door de verdachte genoemde omstandigheden, te weten dat hij op het moment van schrijven van de eerste e-mail onderweg was met de auto en zijn bericht aan [naam bank] opstelde met behulp van het programma Siri, een programma dat het mogelijk maakt een iPhone met de stem te bedienen.

Voorts weegt bij het oordeel van de rechtbank dat de feiten en omstandigheden het hiervoor genoemde vermoeden rechtvaardigen mee dat drie van de vier rechtspersonen die bij de overboekingen van € 4.000.000,- en € 100.000,- betrokken (zouden) zijn – [bedrijfsnaam 7] , [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 5] – met elkaar in verband zijn te brengen, omdat ze dezelfde bestuurders kennen. Daarbij komt dat deze drie rechtspersonen geen bedrijfsactiviteiten ontplooien die overboekingen van € 4.000.000,- en € 100.000,- verklaren en een gering eigen vermogen hebben, terwijl hun financiële stabiliteit te wensen overlaat.9

Op grond van deze feiten en omstandigheden is het vermoeden gerechtvaardigd dat de bedragen van € 4.000.000,- en € 100.000,- die zijn bijgeschreven op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] , waarvan de verdachte (zoals hiervoor besproken) enig aandeelhouder en bestuurder is, van enig misdrijf afkomstig zijn.

Stap ii. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte een verklaring worden verwacht over de (legitieme) herkomst van deze bedragen. Tijdens zijn verhoor door de politie op 2 juli 2018 heeft de verdachte verklaard – kort gezegd – dat de overboeking van € 4.000.000,- van 6 november 2017 een lening van [bedrijfsnaam 6] aan [bedrijfsnaam 1] betrof en was bedoeld om te investeren in bitcoins. Deze geldlening was vastgelegd in een overeenkomst van 1 september 2017.

Het bedrag zou door [bedrijfsnaam 4] aan [bedrijfsnaam 6] betaald worden, maar bleek uiteindelijk van [bedrijfsnaam 7] afkomstig te zijn.10 In verband met de herkomst van het bedrag van € 100.000,- dat op 16 november 2017 door [bedrijfsnaam 5] is overgemaakt, heeft de verdachte verklaard: ‘Voor zover ik weet huurde dat bedrijf zeilboten of een vliegtuig van ons. Dat is vorig jaar geweest. Ik weet niet meer precies wat er gehuurd werd.’11 De verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij nooit contact heeft gehad met de contactpersoon van dit bedrijf, [naam 4] , maar wel haar naam vond via internet en de naam heeft gebruikt om een vals document op te maken waarmee hij een bankrekening in Luxemburg wilde openen.12 Later in het hetzelfde verhoor heeft de verdachte echter verklaard wel contact met haar te hebben gehad, telefonisch.13 De verdachte kende wel het (overige) bestuur van [bedrijfsnaam 5] .14 De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte hiermee doelde op [naam 5] die de verdachte naar eigen zeggen al zeven jaar kende. [naam 5] was zowel verbonden aan [bedrijfsnaam 6] (als financieel directeur, met wie de verdachte de overboeking van € 4.000.000,- zegt te hebben besproken15) als aan [bedrijfsnaam 5] .16

Stap iii en iv. Uit het onderzoek dat het openbaar ministerie vervolgens heeft gedaan, is gebleken dat het document van de geldleningsovereenkomst, ondertekend op 1 september 201717, valselijk is opgemaakt. Zo blijkt uit het onderzoek naar de echtheid van dit document dat de stijl van binden en verzegelen overeenkomt met een ander contract waarvan door de verdachte is erkend dat het valselijk is opgemaakt.18 De notaris wier naam in het contract is genoemd, gehoord als getuige, heeft ontkend dat de handtekening, stempel en zegel op het contract de hare zijn.19 Ook [naam 6] , die namens [bedrijfsnaam 6] het contract destijds zou hebben ondertekend, heeft ontkend dat de handtekening van haar is.20 Tenslotte heeft de verdachte zelf gezegd, zo blijkt uit de weerslag van een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek dat de verdachte vanuit de penitentiaire inrichting met een derde voerde, dat [bedrijfsnaam 6] het geld ‘zogenaamd’ aan hem heeft geleend.21 De verklaring van de verdachte dat het bedrag van € 4.000.000,- een lening betrof is daarmee onwaarachtig gebleken. Een andere concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van dit bedrag heeft de verdachte niet gegeven.

Ten aanzien van het bedrag van € 100.000,- overweegt de rechtbank dat de verklaring van de verdachte niet is onderbouwd, niet concreet en hoogst onwaarschijnlijk is. [naam 5] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 5] , heeft immers verklaard dat hij niets weet van zaken met [bedrijfsnaam 1] in verband met boten of vliegtuigen, maar alleen heeft gewerkt aan het opzetten van een rekening bij [bedrijfsnaam 1] .22

Conclusie ten aanzien van feit 6

Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van het (nader) onderzoek is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de bedragen van € 4.000.000,- en

€ 100.000,- die zijn bijgeschreven op de rekening van [bedrijfsnaam 1] van enig misdrijf afkomstig zijn. Op de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] [(--)] bij [naam bank] zijn in de periode van 17 oktober 2017 tot 27 november 2017 ook aanzienlijk kleinere bedragen bij- en afgeschreven. Daardoor is vermenging opgetreden. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 14 februari 2018 het saldo van die bankrekening, een bedrag van € 4.105.492,66, voorhanden heeft gehad, zoals primair tenlastegelegd, terwijl hij wist dat dit saldo grotendeels - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf en dat hij zich in die zin schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Conclusie ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht voorts, mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit door een bedrag van € 62.100,- over te dragen op 22 november 2017 te Alphen aan den Rijn terwijl hij wist dat dat bedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Uit het dossier blijkt dat de verdachte een huurovereenkomst heeft afgesloten met betrekking tot een woning in de gemeente Alphen aan den Rijn ( [adres] ). De jaarhuur van deze woning werd betaald door de (hiervoor genoemde) bankrekening van [bedrijfsnaam 1] op 22 november 2017.23 Op deze rekening was (zoals in de inleiding besproken) kort daarvoor een bedrag van € 100.000,- gestort. Dit bedrag kon de verdachte in tegenstelling tot het bedrag van vier miljoen euro wel (deels) opnemen.24 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij onder de valse naam [naam 1] een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot de genoemde woning en dat hij de jaarhuur ter grootte van het genoemde bedrag vooraf heeft betaald vanaf de (hiervoor genoemde) bankrekening van [bedrijfsnaam 1]25

Ten aanzien van feit 7

De rechtbank is met betrekking tot dit ten laste gelegde feit van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat er in het dossier weliswaar aanwijzingen zijn dat [bedrijfsnaam 3] in handen was van de verdachte, maar dat deze onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren. De verklaring van de verdachte dat hij alleen het financiële proces verzorgde voor [bedrijfsnaam 3] en niet betrokken was bij het aanbieden van diensten aan de aangever (de verhuur van privévliegtuigen) kan op grond van het dossier niet worden weerlegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn een reisdocument en identiteitsbewijzen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten

- een Litouws paspoort op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] en

- een Italiaanse identiteitskaart op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] en

- een Italiaans rijbewijs op naam van [naam 1] , registratienummer [(--)] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals of vervalst waren, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Litouws paspoort met nummer [(--)] op naam van [naam 1] geboren op [geboortedag] 1988, door middels voornoemde vervalste paspoort in te willen schrijven bij de Gemeente Alphen aan den Rijn;

3.

hij op 21 november 2017 te Breda, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Litouws paspoort met nummer [(--)] op naam van [naam 1] geboren op [geboortedag] 1988, door middels voornoemde valse paspoort een bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 1] op te richten;

4.

hij op of omstreeks 22 november 2017, te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 62.100 euro, heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij op 29 januari 2018 te Alphen aan den Rijn een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen (balletjespistool) merk Crosman, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op 14 februari 2018, te Dordrecht, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 4.105.492,66 euro (op de bankrekening met IBAN: [(--)] van the [naam bank] op naam van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ), heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmatigingsverweer gevoerd, inhoudende dat de verdachte zijn straf, zelfs als alle feiten bewezen worden verklaard, al heeft uitgezeten gelet op de lange duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim vier miljoen euro. Witwassen, zeker van bedragen van dergelijke hoogte, heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en gebruik van valse identiteitspapieren. De verdachte heeft met een vervalst paspoort een besloten vennootschap opgericht. Ook heeft de verdachte zich in de Basisregistratie Personen van een gemeente willen inschrijven met dat vervalste paspoort, hetgeen een oplettende gemeenteambtenaar heeft kunnen voorkomen. Daarnaast beschikte de verdachte over een vals rijbewijs en een vervalste identiteitskaart. Deze misdrijven schaden en ondermijnen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in identiteitspapieren dient te kunnen worden gesteld.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een balletjespistool. Met dit voorwerp kan weliswaar geen fysiek letsel worden toegebracht, maar het is wel voor bedreiging en afdreiging geschikt en daarom verboden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het internationale strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte al eerder onherroepelijk en meermalen is veroordeeld voor diverse vermogensmisdrijven. De rechtbank constateert op basis hiervan dat er sprake is van veelvuldige recidive. De rechtbank weegt deze omstandigheid te nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte rekening gehouden met wat in vergelijkbare gevallen aan straf wordt opgelegd. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat op het genoemde bedrag van ruim vier miljoen euro beslag is gelegd door justitie. De op te leggen straf zal lager zijn dan door de officier van justitie gevorderd, nu die uitgaat van (hogere) OM-richtlijnen, alsmede van meer bewezenverklaarde feiten en een brondelict.

7 De vordering van de benadeelde partij

[bedrijfsnaam 7] , rechtspersoon naar buitenlands recht, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van € 4.000.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Zij heeft daartoe gesteld dat zij is opgelicht, vermoedelijk door de verdachte. Het rekeningnummer waarnaar het gevorderde bedrag van € 4.000.000,- is overgemaakt is namelijk geen rekeningnummer bij een legitieme bank, maar bij de frauduleuze, vermoedelijk door de verdachte gecontroleerde ‘ [bedrijfsnaam 1] ’. [bedrijfsnaam 7] heeft rechtstreeks schade geleden door het witwassen door de verdachte van dit door oplichting verkregen bedrag.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Het strafrechtelijk onderzoek heeft zich niet gericht op de vraag of de overboeking naar [(--)] ten name van [bedrijfsnaam 1] niet zou hebben plaatsgevonden indien [bedrijfsnaam 7] , zoals zij heeft gesteld, had geweten dat ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ geen legitieme bank/onderneming was. Het onderzoek heeft zich evenmin gericht op de vraag of [bedrijfsnaam 7] betrokkenheid heeft gehad bij het witwassen dat de verdachte wordt verweten.

Bij deze stand van zaken kan derhalve niet worden vastgesteld of [bedrijfsnaam 7] is opgelicht en/of rechtstreeks schade heeft geleden door [verdachte] witwassen en is haar vordering niet toewijsbaar op die grondslag(en). Nader onderzoek naar dit alles leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding en is daarom niet aan de orde. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De inbeslaggenomen goederen

Op de beslaglijst staan de volgende goederen:

1. STK Personenauto [kenteken] , LANDROVER, Kl:wit, Range Rover Vel, waarde: € 58.000,-;

2. 1.00 STK Vorderingen [naam bank] , Saldo rekening [(--)] , waarde: € 4.105.492,-;

3. Geld Euro - 3409.00 euro IBG d.d. 29-01-2018;

4. Geld Euro - 9.376,85 euro d.d. 26-02-2018;

5. Geld Euro - 1634,64 euro IBG d.d. 5-6-2018.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1, 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat ten aanzien van het onder 5 genoemde voorwerp geen beslissing hoeft te worden genomen nu niet duidelijk is wat de herkomst van dit voorwerp is.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van 1 (personenauto)

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan een door de verdachte gecontroleerde rechtspersoon toebehoorde, op naam was gesteld van het door de verdachte gebruikte alias ‘ [naam 1] ’, en met behulp van dit voorwerp het onder 6 bewezenverklaarde feit is voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van 2 (€ 4.105.492,-)

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 6 bewezenverklaarde feit is begaan en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie het voorwerp toebehoort. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het witgewassen bedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring als voorwerp met betrekking tot welke het feit is begaan, als bedoeld in art 33a lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht.

Het bedrag is overgemaakt op een rekeningnummer op naam van een door de verdachte gecontroleerde vennootschap en behoort dus in ieder geval niet toe aan de verdachte in persoon. De overboeking van dit bedrag heeft een complexe achtergrond en lijkt te maken te hebben met een aantal overeenkomsten waarvan de geldigheid in dit strafgeding niet volledig duidelijk is geworden en waarbij meerdere partijen zijn betrokken. Dat maakt dat niet kan worden vastgesteld aan wie dit bedrag toebehoort.

Ten aanzien van 3 (€ 3.409,-) en 4 (€ 9.376,85 )

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen, mede gelet op de eerder genoemde vermenging van (criminele) vermogens, geheel of grotendeels door middel van het onder 6 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 57, 231 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk gebruik maken van een vervalst reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk gebruik maken van een vervalst reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

ten aanzien van feit 4:

witwassen;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 6 primair:

witwassen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijfsnaam 7] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten:

1. STK Personenauto [kenteken] , LANDROVER, Kl:wit, Range Rover Vel, waarde: € 58.000,-;

2. 1.00 STK Vorderingen [naam bank] , Saldo rekening [(--)] , waarde: € 4.105.492,-;

3. Geld Euro - 3409.00 euro IBG d.d. 29-01-2018;

4. Geld Euro - 9.376,85 euro d.d. 26-02-2018.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,

mr. F.A.M. Veraart, rechter,

mr. J. Snoeijer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018029324, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, districtsrecherche Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1597).

2 Proces-verbaal onderzoek rondom overschrijving 4 miljoen euro van [bedrijfsnaam 4] naar [bedrijfsnaam 1] ., p. 706, en de daarbij gevoegde bankafschriften, p. 717-719.

3 Proces-verbaal [bedrijfsnaam 1] , overzicht, p. 907-910 (exclusief bijlagen).

4 Proces-verbaal van bevindingen ibb 4 miljoen euro, p. 694.

5 Zie HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137.

6 Proces-verbaal van bevindingen vertaalde documenten met bijlagen, p. 1047; bijlage nr. 5, p. 1086 (de Engelstalige e-mail van 8 november 2017 8.06 PM).

7 Proces-verbaal van bevindingen vertaalde documenten, p. 1047; proces-verbaal van bevindingen aangifte Tsjechische politie, p. 1284-1286.

8 Proces-verbaal van bevindingen vertaalde documenten, p. 1051; proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris op

9 Proces-verbaal onderzoek rondom overschrijving 4 miljoen euro van [bedrijfsnaam 4] naar [bedrijfsnaam 1] , p. 706-715; proces-verbaal onderzoek ontvangen gegevens Fiod, p. 779-783.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1154-1155.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1153.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1153.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1154.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1153.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1154-1155.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] door de rechter-commissaris op 16 juli 2019, par. 16, 28; proces-verbaal onderzoek rondom overschrijving 4 miljoen euro van [bedrijfsnaam 4] naar [bedrijfsnaam 1] , p. 711.

17 Een geschrift, genaamd ‘loan agreement’ tussen [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 1] , p. 1166 en ook p. 1520.

18 Proces-verbaal onderzoek naar echtheid documenten van [verdachte] , alias [naam 1] en [bedrijfsnaam 1] , p. 1000, in combinatie met het proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1152-1153.

19 Proces-verbaal getuigenverklaring [naam 7] , met bijlagen, p. 1513-1519.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] door de rechter-commissaris op 19 juli 2019, par. 8.

21 Proces-verbaal van bevindingen valse lening [bedrijfsnaam 6] aan [bedrijfsnaam 1] (met bijlage), p. 1403-1407

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] door de rechter-commissaris op 16 juli 2019, par. 34.

23 Proces-verbaal van bevindingen verhuur [adres] , met bijlagen, p. 106-122.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 2 juli 2018, p. 1155.

25 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 september 2020.