Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
NL20.14017
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, eerste beroep. Gronden, misdrijf, lichter middel, COVID-19. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.14017

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Walther), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.A. Bos, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen

Z. Jgamadze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1982] .

  2. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat Georgië geen visumplicht kent, eiser niet de gelegenheid heeft gehad om zich te melden omdat hij op de dag van binnenkomst in Nederland is aangehouden, hij zich niet in Nederland, maar in Frankrijk heeft ontdaan van reisdocumenten en hij daar over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Eiser is van mening dat voor het ten grondslag leggen van het verdacht zijn van een misdrijf het Europese openbare-ordecriterium van toepassing is en dat er geen sprake is van een ernstige daadwerkelijke en actuele bedreiging van de rechtsorde.

  3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor

beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

4. Over de grond 4e is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 moeten strafbare feiten zijn gerelateerd aan de terugkeer of uitzetting van de vreemdeling om aanleiding te kunnen geven voor de conclusie dat er een risico is op onttrekking aan of belemmering van de uitzetting, of het onttrekken aan het toezicht. De ABRvS heeft dat oordeel onlangs uitdrukkelijk herhaald in haar uitspraak van 25 maart 20202. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2020 is eiser op die datum aangehouden wegens verdenking van diefstel van brandstof en het voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen. Verweerder heeft niet nader onderbouwd hoe deze feiten zijn te relateren aan de terugkeer of uitzetting van eiser, maar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser zich niet aan de strafwet houdt, de veronderstelling rechtvaardigt dat eiser zich ook niet aan de vertrekplicht zal houden. De rechtbank volgt dit betoog niet en verwijst naar de bovengenoemde uitspraken van de ABRvS.

5. De rechtbank is van oordeel dat dit echter niet inhoudt dat wat eiser heeft aangevoerd aanleiding is de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat grond 4d niet wordt bestreden en dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gronden 3a, 3b en 3f aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Eiser heeft niet bestreden dat hij zich in Frankrijk van zijn reisdocumenten heeft ontdaan en vervolgens naar Nederland is gereisd, zodat verweerder de gronden onder 3a en 3f aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Eiser heeft zijn stelling dat hij kort na zijn inreis in Nederland is aangehouden en zich daarom niet heeft gemeld, niet nader onderbouwd, zodat verweerder ook de grond onder 3b aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Nu verweerder hierdoor over voldoende gronden beschikte om de maatregel aan eiser op te leggen, worden de overige bestreden gronden verder buiten beschouwing gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert voorts aan dat het niet duidelijk is of eiser de nationale procedure of de Dublinprocedure ingaat. Als dat de Dublinprocedure is, moet er sprake zijn van een significante vrees voor onttrekking aan de overdracht.

1. Bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3351.

2 ECLI:NL:RVS:2020:829, r.o. 16.2 e.v.

7. De rechtbank stelt vast dat aan eiser de maatregel als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is opgelegd en dat er geen sprake is van het volgen van een zogenoemde Dublinprocedure. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder had dienen af te zien van het opleggen van de maatregel en had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Eiser heeft psychische problemen en dat is een voor de hand liggende indicatie voor het opleggen van een lichter middel. Bovendien is het in deze coronaperiode niet wenselijk om veel mensen in de gevangenis te stoppen.

9. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 februari 20153 en 10 april 20154 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20145.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem benodigde zorg in het detentiecentrum niet beschikbaar is. De enkele stelling ter zitting dat de arts aldaar op een niet nader genoemde dag niet beschikbaar was, is geen aanleiding voor een ander oordeel. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat er vanwege het COVID-19-virus beperkt wordt omgegaan met inbewaringstelling en dat in het detentiecentrum zorg wordt besteed aan het tenuitvoerleggen van de maatregel zonder gevaar voor besmetting. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 ECLI:NL:RVS:2015:674

4 ECLI:NL:RVS:2015:1309

5 ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

03 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.