Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9556

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
AWB 20/1024
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit met vertrektermijn van 28 dagen; zorgvuldigheidsgebrek op grond van Boudjlida-arrest met nieuw besluit hersteld. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1024

[V-Nummer:]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] , van Venezolaanse nationaliteit, eiseres,

(gemachtigde mr. G.P. Dayala),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Oude Lenferink).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2020 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Op 10 februari 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden zolang de lopende procedures van eiseres tegen het bestreden besluit in Nederland in behandeling zijn.

Met toestemming van partijen is het onderzoek op de zitting achterwege gebleven.

Bij tussenuitspraak van 29 juni 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het besluit van 14 juni 2020 te herstellen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen.

In reactie op de tussenuitspraak heeft verweerder op 14 juli 2020 (het bestreden besluit) een nieuw besluit genomen en het besluit van 14 januari 2020 ingetrokken.

Eiser heeft hierop bij brief van 3 september 2020 gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak en nieuw besluit

1. In de tussenuitspraak van 26 juni 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het dossier niet is gebleken dat eiseres is gewezen op het recht op bijstand. Gelet op het Boudjlida-arrest 1 van het Hof van Justitie van de Europese Unie is dit naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldigheidsgebrek in verweerders besluitvorming. Verweerder is vervolgens in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

2. Verweerder heeft het besluit van 14 januari 2020 ingetrokken. Eiseres is op

7 juli 2020 wederom gehoord ten aanzien van het voornemen van verweerder om aan haar een terugkeerbesluit op te leggen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat ook dit terugkeerbesluit geen stand kan houden.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak het besluit van 14 januari 2020 heeft ingetrokken en het bestreden besluit heeft genomen, dat niet is tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Het beroep van eiseres heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan ook betrekking op het bestreden besluit.

4. Blijkens het proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2020 en het bestreden besluit is eiseres expliciet gewezen op het recht op rechtsbijstand. Dat zorgvuldigheidsgebrek in verweerders besluitvorming is hiermee dan ook hersteld.

Terugkeerbesluit

5. Volgens eiseres is in het bestreden besluit niet vermeld dat zij zich zal onttrekken aan het haar op te leggen toezicht, althans is dat niet gemotiveerd. De rechtbank stelt vast dat aan eiseres een vertrektermijn is gegeven van 28 dagen. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de vertrektermijn te verkorten op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Als verweerder daarvan gebruikmaakt, moet hij motiveren dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Nu verweerder hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hoefde dit dus ook niet gemotiveerd te worden. De beroepsgrond van eiseres faalt.

6.1

Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt en dat verweerder zich in haar geval enkel heeft beperkt tot het loutere feit van illegaal verblijf en geen andere feiten en omstandigheden in acht heeft genomen bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Verweerder heeft dan ook onvoldoende rekening gehouden met het familie en gezinsleven van eiseres in Nederland. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan onder meer verwezen naar de considerans van de Terugkeerrichtlijn en artikel 8 van het EVRM2.

6.2

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 7 juli 2020 volgt dat eiseres is gevraagd naar haar familie- en gezinsleven, haar gezondheid en of zij een onmenselijke behandeling vreest bij terugkeer naar Venezuela. Eiseres heeft die vragen beantwoord. Zij heeft drie kinderen, waarvan een dochter in Nederland, die ze helpt met oppassen en ze is in goede gezondheid. Eiseres heeft voorts verklaard dat het probleem is als ze terug zou moeten naar Venezuela dat zij daar moet leven van omgerekend € 5,-, dat ze daar niemand heeft en de omstandigheden heel slecht zijn.

6.3

Voor zover eiseres heeft willen betogen dat het opleggen van een terugkeerbesluit getoetst moet worden aan strijdigheid met artikel 8 van het EVRM, faalt dat betoog op grond van vaste rechtspraak3. Verweerder dient bij het opleggen van een terugkeerbesluit wel te toetsen of het door eiseres gestelde familie- en gezinsleven aanleiding vormt om een vertrektermijn vast te stellen. Verweerder heeft in dit geval de gebruikelijke vertrektermijn van 28 dagen geboden. Hoe vervelend de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden ook zijn, verweerder had daarin geen aanleiding hoeven zien om de vertrektermijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder eiseres op goede gronden een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen heeft opgelegd.

Conclusie

7. De rechtbank concludeert dat verweerder het geconstateerde gebrek met het bestreden besluit heeft hersteld. Ook overigens heeft verweerder voldaan aan zijn onderzoeksplicht en eiseres voldoende gelegenheid geboden haar persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen. In de naar voren gebrachte omstandigheden heeft verweerder op goede gronden geen aanleiding gezien om de vertrektermijn te verlengen.

8. Nu verweerder het besluit van 14 januari 2020 heeft ingetrokken en het bestreden besluit stand kan houden, is het beroep van eiseres ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Oosterhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 september 2020.

griffier

rechter

is verhinderd om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 ECLI:EU:C:2014:2431

2 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816.