Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9535

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
SGR 20/2397, SGR 20/2399 en SGR 20/2400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is begin 2011 een vennootschap onder firma (VOF) aangegaan. Hij maakt niet aannemelijk dat hij in de jaren 2011, 2012 en 2013 een onderneming in de zin van de inkomstenbelasting dreef. Voor de inkomstenbelasting is dan ook geen sprake van een VOF. Het belastbaar inkomen is voor 2011, 2012 en 2013 niet te hoog vastgesteld. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-12-2020
V-N Vandaag 2020/3253
FutD 2021-0014
NTFR 2021/266
V-N 2021/4.2.1
NLF 2021/0031 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 20/2397, SGR 20/2399 en SGR 20/2400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2020 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: W. Hillenbrink),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2011 en 2012 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en daarbij heffingsrente respectievelijk belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij beschikking het verzamelinkomen van eiser voor het jaar 2013 opnieuw vastgesteld.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 8 juni 2019 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 verminderd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2019 het verzamelinkomen voor het jaar 2013 opnieuw vastgesteld.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 3 september 2020. Namens eiser heeft gemachtigde deelgenomen aan de telefonische zitting. Namens verweerder heeft deelgenomen mr. [A] .

Tijdens de zitting zijn - met toestemming van partijen - tegelijkertijd de zaken van [naam] VOF behandeld met zaaknummers SGR 20/2126 en SGR 20/2129.

Overwegingen

Feiten

1. Tot en met 2010 was eiser in de vorm van een eenmanszaak werkzaam als consultant in de ICT-branche, daarbij handelend onder de naam “ [eenmanszaak] ” (F). Mevrouw [B] (de partner) was in de vorm van een eenmanszaak werkzaam als ambulant pedicure.

2. Met ingang van 1 januari 2011 zijn eiser en de partner een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam [naam] V.O.F. (VOF). De VOF is per 31 december 2010 ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

3. Eiser is tot medio 2012 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [werkgever] (B).

4. Op 3 januari 2017 is een boekenonderzoek gestart waarbij – onder andere – de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van eiser over de jaren 2011 tot en met 2015 is onderzocht. De bevindingen zijn weergegeven in het controlerapport van 1 november 2017.

5. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn aan eiser navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 opgelegd en is het verzamelinkomen over 2013 opnieuw vastgesteld.

6. In de bezwaarfase heeft een aanvullend boekenonderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van het aanvullend boekenonderzoek zijn weergegeven in het controlerapport van 24 september 2018. Hierin is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“ 2.1 Rechtsvorm

Tot en met 2010 hadden zowel [eiser], als zijn partner [de partner], ieder een eigen eenmanszaak. [De partner] exploiteerde een bedrijf als ambulant pedicure en [eiser] was consultant in de Informatie Technologie branche. Op initiatief van de adviseur zijn de twee eenmanszaken per 1 januari 2011 omgezet in een vennootschap onder firma. [Eiser] verricht licht administratief werk voor de pedicure praktijk van [de partner] om te voorkomen dat er onderlinge doorbelastingen moeten plaatsvinden is gekozen voor het oprichten van een VOF. Er is geen VOF overeenkomst opgesteld en geen vaste winstverdeling van toepassing. De administratie van de VOF is zo ingericht dat de opbrengsten en kosten per activiteit te splitsen zijn, dat is de basis voor de winstverdeling. Na de oprichting van de VOF is in de bedrijfsvoering, behalve de grootte ervan niks veranderd. De activiteiten zijn totaal branchevreemd van elkaar en de partners hebben geen zeggenschap in elkaars onderneming. Ook de expertise in de bedrijfshandelingen van de partner ontbreekt. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is het standpunt ingenomen dat er voor de inkomstenbelasting geen sprake is van een V.O.F.

(…)

7.1

Resultaat uit overige werkzaamheden

Tijdens het boekenonderzoek is het volgende standpunt ingenomen:

[Eiser] is tot medio 2012 in loondienst werkzaam geweest bij [B]. Met betrekking tot de activiteiten vanuit [F] in 2011 en 2012 heeft [eiser] ruim 98% van de verantwoorde omzet gefactureerd aan [B]. Vanaf 2013 tot en met 2015 is er uitsluitend omzet verantwoord van [C]. Gezien de grootte van de omzet, 1 opdrachtgever en minimale bedrijfsmiddelen ben ik van mening dat het resultaat als ‘resultaat uit overige werkzaamheid’ moeten worden en niet als winst uit onderneming.

Conclusie aanvullend onderzoek:

Naar aanleiding van het aanvullend onderzoek kan in het ingenomen standpunt ondersteunen. Volgens de adviseur hebben de activiteiten op automatiseringsgebied welke worden geëxploiteerd door [eiser] weinig toekomst. In de administratie is dit tevens terug te zien. Er is slechts sprake van 1 opdrachtgever.

(…)

7. Met dagtekening 8 juni 2019 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 verminderd, waarbij uit gegaan is van een verzamelinkomen voor 2011 van € 115.711 en voor 2012 van € 117.127. Met dagtekening 11 juni 2019 is het verzamelinkomen 2013 vastgesteld op negatief € 25.338.

Geschil

8. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2012 terecht zijn opgelegd en of het verzamelinkomen 2013 terecht opnieuw is vastgesteld.

9. Eiser stelt dat het boekenonderzoek bijzonder amateuristisch is uitgevoerd. Eiser geeft aan dat het voor hem door alle aangebrachte correcties en de daaropvolgende verminderingen onmogelijk is om een eindconclusie te trekken. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte de ondernemersvorm van de VOF heeft afgekeurd en dat deze afwijzing voor problemen zorgt in de boekhouding en de onderlinge facturatie.

10. Verweerder bestrijdt de kwalificatie van het boekenonderzoek door eiser. Verweerder concludeert dat eiser geen inhoudelijke gronden tegen de correcties heeft aangevoerd.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder een onderneming wordt volgens vaste jurisprudentie verstaan een organisatie van kapitaal en arbeid, gericht op deelname aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer acht worden geslagen op de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en de omvang van de investeringen.1

12. Nu het bestaan van de onderneming van eiser door verweerder wordt weersproken, rust op eiser de bewijslast aannemelijk te maken dat hij in het onderhavige jaren een onderneming dreef. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd in die bewijslast. Eiser heeft enkel gesteld dat hij - zoals door verweerder is aangegeven - weliswaar steeds aan één juridische entiteit heeft gefactureerd maar dat sprake is van verzamelfacturen voor meerdere ondernemingen. De entiteit waaraan hij heeft gefactureerd is namelijk aan te merken als een groep die uit verschillende rechtspersonen bestaat. Zijn werkzaamheden heeft hij verricht voor verschillende rechtspersonen van deze groep afzonderlijk, zodat sprake is van meerdere opdrachtgevers en daarmee ondernemerschap. Wat er verder ook zij van deze - niet nader onderbouwde - stelling, eiser maakt daarmee nog niet aannemelijk dat hij dan aangemerkt zou kunnen worden als ondernemer. Immers door eiser zijn de andere aspecten om te kwalificeren als ondernemer niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft bijvoorbeeld niet inzichtelijke gemaakt in hoeverre hij als zelfstandige naar buiten is getreden; wat de aard van zijn werkzaamheden zijn geweest, in hoeverre hij debiteurenrisico heeft gelopen, hoe hij zich als ondernemer naar buiten toe heeft opgesteld, of hij investeringen heeft gedaan of dat hij reclame heeft gemaakt.

13. Gelet hierop is eiser niet aan te merken als zelfstandige ondernemer, zodat van een vennootschap onder firma geen sprake is. Dat de VOF als zodanig is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel doet daar – nu daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend - niet af. Evenmin dat voor de heffing van omzetbelasting de VOF wel is geaccepteerd. Daarvoor moet immers getoetst worden aan de wettelijke vereisten als genoemd in de Wet op de Omzetbelasting en de kwalificatie die aan het daarin opgenomen begrip ondernemer moet worden toegekend. Dat de opstelling van verweerder, door het niet accepteren van de VOF voor de inkomstenbelasting mogelijk administratieve problemen tot gevolg heeft, maakt ook niet dat de VOF om die reden moet worden geaccepteerd.

14. Verweerder heeft voor het verloop van het boekenonderzoek verwezen naar de controlerapporten van 1 november 2017 en 24 september 2018. Tegenover deze onderbouwing heeft eiser, behalve de blote stelling dat het onderzoek amateuristisch is uitgevoerd, geen inhoudelijk gronden aangevoerd tegen de aangebrachte correcties. De rechtbank is niet gebleken dat de correcties onjuist of onbegrijpelijk zijn, evenmin dat het boekenonderzoek op ontoelaatbare wijze is uitgevoerd. Dat verweerder in bezwaar op een aantal correcties is teruggekomen maakt niet dat het boekenonderzoek niet juist is uitgevoerd.

15. Ter zitting is verweerder voorgehouden dat in het verloopoverzicht van het inkomen over het jaar 2013 – bijlage 35 bij het verweerschrift – een positief bedrag van € 5.621 aan MKB-winstvrijstelling is vermeld bij de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden. Bij nadere bestudering van de stukken is gebleken dat dit bedrag weliswaar is vermeld in de opsomming van de correcties maar dat dit bedrag cijfermatig niet is meegenomen. Dit heeft tot gevolg dat, in tegenstelling tot hetgeen ter zitting aan de orde is geweest, de enkele vermelding van dit bedrag niet leidt tot een gegrond beroep.

16. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn door eiser geen zelfstandige gronden aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is vastgesteld.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 HR 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5328.