Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
SGR 20/2126
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van een door een onbevoegd persoon ingesteld beroep is geen sprake. Bezwaar tegen naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht wegen termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-12-2020
FutD 2020-3888
V-N Vandaag 2020/3255
NTFR 2021/365
V-N 2021/6.2.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/2126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: W. Hillenbrink),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd waarbij belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2019 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 3 september 2020. Namens eiseres heeft gemachtigde deelgenomen aan de telefonische zitting. Namens verweerder heeft deelgenomen mr. [A] .

Tijdens de zitting zijn – met toestemming van partijen - tegelijkertijd behandeld de zaak van eiseres met zaaknummer SGR 20/2129 en de zaken van een van de vennoten van eiseres met zaaknummers SGR 20/2397, SGR 20/2399 en SGR 20/2400.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 januari 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014, aanslagnummer 8501.00.677.F.01.4211 (de naheffingsaanslag).

2. Bij brief van 22 juli 2019, door verweerder ontvangen op 24 juli 2019, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Geschil

3. Primair is in geschil of eiseres ontvankelijk is in haar beroep. Subsidiair is in geschil of verweerder terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer subsidiair is in geschil of de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4. Eiseres stelt dat zij beroep heeft aangetekend omdat verweerder de beslissing heeft genomen om de vennootschap onder firma niet te accepteren.

5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het onbevoegd is ingesteld. Hiertoe draagt verweerder aan dat uit de op 17 januari 2020 overgelegde machtiging van eiseres volgt dat zij de gemachtigde machtigt om namens haar op te treden in onderhavige procedure. Het beroep is ingesteld door het Secretariaat van Effectief met het Kamer van Koophandelnummer [KvK-nummer] . De relatie tussen gemachtigde en Effectief is onduidelijk. Nu het beroep niet door de gemachtigde of eiseres is ingesteld, is het door een onbevoegd persoon ingesteld. Subsidiair stelt verweerder dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Meer subsidiair stelt verweerder dat de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid instellen beroep

6. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en letter a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het - voor zover hier van belang - ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld.1 Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het ontbreken van een schriftelijke volmacht moet als verzuim in de zin van artikel 6:6 van de Awb worden aangemerkt.2

7. Bij brief van 4 december 2019, door de rechtbank ontvangen op 10 december 2019, is beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroepschrift is afgedrukt op het briefpapier van “Effectief” en is ondertekend door “Secretariaat”. Naar aanleiding van het ingediende beroepschrift heeft de rechtbank verzocht om een machtiging. Op 17 januari 2020 heeft de gemachtigde een door beide vennoten van eiseres ondertekende machtiging verstrekt voor – onder andere - het instellen van beroep tegen de naheffingsaanslag. Gelet hierop heeft de rechtbank - ondanks de onduidelijkheid over de relatie tussen de gemachtigde en Effectief - geen reden om te twijfelen dat het de gemachtigde is geweest die het beroepschrift op briefpapier van Effectief heeft ingediend met toestemming van eiseres. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan het feit dat de gemachtigde ook in de bezwaarfase optrad namens eiseres middels Effectief Financieel Adviseurs en op een soortgelijke wijze zijn brieven heeft ondertekend. Verweerder heeft daarbij aan Effectief Financieel Adviseurs en Effectief VOF correspondentie gezonden. De adres- en andere contactgegevens van deze ondernemingen zijn hetzelfde als van Effectief. Van een door een onbevoegd persoon in gesteld beroepschrift is dan ook geen sprake.

Ontvankelijkheid bezwaar

8. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken na de dagtekening van de naheffingsaanslag. Als een bezwaar te laat is ingediend moet verweerder dit niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als de termijnoverschrijding eiseres niet kan worden toegerekend.

9. Gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag, de dagtekening en de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, is het bezwaarschrift ruimschoots buiten de bezwaartermijn van zes weken ingediend. Het bezwaarschrift is dus te laat ingediend.

10. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Eiseres heeft immers geen concrete reden gegeven voor de overschrijding van de bezwaartermijn.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en dient het beroep daarom ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de gronden van eiseres tegen de naheffingsaanslag niet inhoudelijk worden beoordeeld.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505.

2 HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.