Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9523

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/09/575401 / HA ZA 19-639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

procedure over contractueel overeengekomen onderhoudsbijdrage t.b.v. meerderjarig kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/575401 / HA ZA 19-639

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

[de vader] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.E. de Jong te Zoeterwoude.

Partijen zullen hierna, in navolging van partijen, de vader en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 juni 2019 met producties 1 tot en met 18;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;

  • -

    het tussenvonnis van 2 oktober 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de rolbeschikking van 20 mei 2020, waarin is bepaald dat de procedure – in verband met de vanwege COVID-19 door de rechtspraak getroffen maatregelen en overeenkomstig de eenstemmige keuze van partijen – schriftelijk (zonder mondelinge behandeling) zal worden voortgezet;

  • -

    de schriftelijke toelichting van de vader, tevens inhoudende een reactie op de schriftelijke toelichting van [gedaagde] en de door hem ingediende producties;

  • -

    de schriftelijke toelichting van [gedaagde] , tevens inhoudende een reactie op de schriftelijke toelichting van de vader en de door hem ingediende producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vader is van 4 augustus 1993 tot 26 september 2014 getrouwd geweest met mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, waaronder [gedaagde] . [gedaagde] is geboren op [geboortedag] 1996 en was dus ten tijde van de echtscheiding meerderjarig.

2.2.

De vader en de moeder hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant, beide gedateerd 27 juni 2014. In het ouderschapsplan hebben zij over de onderhoudsbijdrage voor [gedaagde] en zijn minderjarige zus het volgende afgesproken:

Artikel 7 Kinderalimentatie c.q. studiekosten en kosten levensonderhoud

7.1

Kosten van de kinderen.

De kosten van de kinderen zijn door de ouders in onderling overleg begroot op € 940,00 per kind per maand zolang het kind nog thuis (bij moeder) woont.

De kosten van [gedaagde] zijn per de datum waarop hij zelfstandig woont en met zijn studie is aangevangen, begroot op € 1.300,00 per maand.

[…]

De ouders stellen samen vast dat de draagkracht van moeder niet toereikend is om enige bijdrage in deze kosten van de kinderen te voldoen. De draagkracht van vader is voldoende om geheel in deze kosten te voorzien. De ouders zijn dan ook met elkaar overeengekomen dat de vader volledig in de kosten van de kinderen zal voorzien.

7.2

Kinderalimentatie c.q. studiekosten en kosten levensonderhoud

Met ingang van de datum waarop vader de echtelijke woning heeft verlaten en de ouders hun financiën hebben gescheiden, en zolang de kinderen minderjarig zijn en/of bij de moeder wonen, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor de kinderen van € 940,00 per kind per maand, […]

7.3

Alimentatie jongmeerderjarige

Vanaf het tijdstip waarop [gedaagde] zelfstandig woont, betaalt de vader een onderhoudsbijdrage van € 1.300,00 aan [gedaagde] zelf, ex artikel 1:395a BW, op de door hem aan te wijzen bankrekening […].

7.4

Studiekosten na 21 jaar

De ouders verplichten zich aan een kind van 21 jaar of ouder een (studie)bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen met een beroepsopleiding/studie bezig is. De ouders spreken hierbij de intentie uit om de kinderen financieel te blijven ondersteunen, tot de studie is afgerond.”

2.3.

Op 28 juli 2015 is de vader hertrouwd. Op [datum] 2016 is uit het nieuwe huwelijk van de vader een zoon geboren.

2.4.

In 2017 hebben de vader en [gedaagde] afgesproken dat de vader maandelijks aan [gedaagde] een bijdrage zou betalen van € 979.

2.5.

Op 18 juli 2018 hebben de vader en zijn toenmalige werkgever, […] LLC te [plaats 3] , een zogenoemde “End of Service Agreement” gesloten. In deze agreement is – kort gezegd – opgenomen dat de functie van de vader zal vervallen en dat er geen alternatieve functies binnen het bedrijf voor de vader beschikbaar zijn, dat de arbeidsovereenkomst daarom zal eindigen op 17 oktober 2018 en dat de vader vrijgesteld wordt van werk met ingang van 31 juli 2018. Verder is bepaald dat aan de vader een wettelijke vergoeding zal worden betaald van AED 93.001,04 en een aanvullende betaling van AED 129.000, te weten drie maal het maandelijkse basissalaris van de vader.

2.6.

In december 2018 is de vader terug verhuisd naar Nederland. Met ingang van 1 mei 2019 heeft de vader nieuwe (parttime) dienstbetrekkingen gevonden bij [A] en de [B] .

2.7.

[gedaagde] is in 2017 gestart met de masteropleiding International Relations & Diplomacy aan [het College] . [gedaagde] heeft deze studie op 31 augustus 2019 afgerond. In de periode tussen 4 juni 2019 en 31 december 2019 heeft [gedaagde] stage gelopen bij de Nederlandse ambassade te [plaats 4] , [land] . In verband met deze stage heeft [gedaagde] (ook na het afronden van zijn studie) tot en met 31 december 2019 ingeschreven gestaan als student bij [het College] .

2.8.

De vader heeft de overeengekomen onderhoudsbijdrage van € 979 tot en met januari 2019 aan [gedaagde] betaald. Daarnaast heeft de vader allerlei andere kosten voor [gedaagde] betaald, zoals zijn collegegeld, vliegtickets et cetera. Met ingang van 1 januari 2019 heeft de vader de bijdrage verlaagd naar € 150 per maand, en daarnaast ook nog andere praktische kosten voor zijn rekening genomen. [gedaagde] is niet akkoord gegaan met verlaging van de maandelijkse bijdrage en heeft het Nationaal Loket Alimentatie Inning ingeschakeld voor verhaal van de achterstallige onderhoudsbijdrage. De vader heeft op 1 juli 2019 een laatste maandelijkse betaling van € 150 gestort op de rekening van [gedaagde] .

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

De vader vordert in conventie bij vonnis – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader aan [gedaagde] verschuldigde onderhoudsbijdrage vaststelt:

  • -

    met ingang van 17 oktober 2018, dan wel met ingang van 1 januari 2019, op nihil;

  • -

    met ingang van 1 mei 2019 op € 72 per maand, zolang [gedaagde] in overleg met de vader en met goed resultaat een studie of opleiding volgt voor één (gestarte) studie;

  • -

    een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Tevens vordert [gedaagde] in reconventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    vast te stellen dat de vader een achterstallige onderhoudsverplichting heeft van € 7.761 tot en met augustus 2019, die de vader binnen twee weken na betekening van dit vonnis moet voldoen;

  • -

    vast te stellen dat de vader de onderhoudsbijdrage moet betalen tot het moment dat [gedaagde] zijn stage heeft afgerond (december 2019);

  • -

    de vader veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Aan de orde is de vraag of de hoogte van de onderhoudsbijdrage die de vader aan [gedaagde] verschuldigd was tot aan het einde van diens studie (op grond van afspraken die de vader daarover eerst met de moeder en daarna met [gedaagde] heeft gemaakt), moet worden gewijzigd.

4.2.

Vast staat dat op de vader ten aanzien van [gedaagde] geen wettelijke onderhoudsverplichting meer rust. Op grond van de wet was de vader een onderhoudsbijdrage verschuldigd tot het moment dat [gedaagde] de leeftijd van 21 jaar bereikte. Deze procedure heeft betrekking op de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [gedaagde] vanaf 17 oktober 2018: [gedaagde] was toen 22 en van een wettelijke onderhoudsplicht was daarom geen sprake meer. Met partijen gaat de rechtbank er daarom vanuit dat partijen met elkaar een buitenwettelijke onderhoudsbijdrage overeengekomen zijn.

4.3.

In navolging van partijen neemt de rechtbank bij de beoordeling van de stellingen van partijen verder tot uitgangspunt dat de vordering van de vader tot wijziging van de afspraken moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:401 BW en de zogenoemde Trema-normen. Dit betekent dat de buitenwettelijke onderhoudsbijdrage die de vader aan [gedaagde] verschuldigd was, kan worden gewijzigd als sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat de overeengekomen bijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

wijziging van omstandigheden

4.4.

De vader heeft aangevoerd dat de wijziging van omstandigheden daarin is gelegen,

(i) dat de vader in 2016 vader is geworden van een derde kind, waarvoor hij onderhoudsplichtig is;

(ii) dat de vader in oktober 2018 zijn baan in [plaats 3] is verloren, dat hij enige tijd geen inkomen had en dat hij vanaf mei 2019 een aanzienlijk lager inkomen verdiende;

(iii) dat [gedaagde] in het voorjaar van 2019 stage is gaan lopen, waarvoor hij een stagevergoeding ontving, wat gevolgen heeft voor de behoefte van [gedaagde] aan een onderhoudsbijdrage van de vader.

Dit zijn allemaal zodanig relevante omstandigheden, dat een herbeoordeling van de behoefte van [gedaagde] en de draagkracht van de vader gerechtvaardigd is.

tot wanneer was de vader een bijdrage verschuldigd aan [gedaagde] ?

4.5.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag tot welk moment de vader de overeengekomen maandelijkse onderhoudsbijdrage aan [gedaagde] moest betalen. Uit de schriftelijke toelichting van de vader leidt de rechtbank af dat de vader zich op het standpunt stelt dat zijn onderhoudsverplichting eindigde op het moment waarop [gedaagde] met zijn stage begon (dus op 4 juni 2019), omdat die stage geen verplicht onderdeel uitmaakte van de studie van [gedaagde] . [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij tot 31 december 2019 aanspraak kon maken op een bijdrage, omdat hij op dat moment zijn stage en daarmee zijn studie afrondde.

4.6.

De vader en de moeder zijn in artikel 7.4 van het ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat de vader aan zijn meerderjarige kinderen een maandelijkse onderhoudsbijdrage zou betalen, “zolang zij met een studie bezig waren”, en “tot de studie is afgerond” (zie 2.2). Gesteld noch gebleken is dat tussen de vader en [gedaagde] andere afspraken zijn gemaakt, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de inhoud van de afspraken tussen de ouders bepalend is voor de duur van de onderhoudsverplichting van de vader. Uit de door [gedaagde] verstrekte informatie blijkt dat hij zijn studie op 31 augustus 2019 heeft afgerond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] tot dat moment aanspraak kon maken op een maandelijkse bijdrage. Dat [gedaagde] al in juni 2019 met zijn stage is begonnen, doet daaraan – anders dan de vader heeft aangevoerd – niet af, omdat niet ter discussie staat dat [gedaagde] pas per 31 augustus 2019 is afgestudeerd en dus pas op dat moment zijn studie heeft afgerond in de zin van artikel 7.4 van het ouderschapsplan. De stelling van [gedaagde] dat hij nog tot 31 december 2019 stond ingeschreven als student omdat hij toen nog stage liep, leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit het feit dat [gedaagde] per 31 augustus 2019 is afgestudeerd (terwijl de stage nog niet was afgerond), leidt de rechtbank af dat deze stage geen verplicht onderdeel uitmaakte van de studie. Dit betekent dat de overeengekomen onderhoudsverplichting van de vader eindigde met ingang van 1 september 2019.

ingangsdatum wijziging

4.7.

De vader stelt zich op het standpunt dat hij met ingang van 17 oktober 2018 niet meer voldoende draagkracht heeft om de overeengekomen onderhoudsbijdrage te betalen. Hij vordert dan ook met ingang van die datum nihilstelling van de door hem verschuldigde bijdrage. Nu echter vaststaat dat de vader tot 1 januari 2019 de overeengekomen bijdrage heeft betaald en de vader expliciet te kennen heeft gegeven dat hij geen terugbetaling vordert van de bedragen die hij aan [gedaagde] heeft betaald, zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding bestaat de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2019 te wijzigen. Hierboven is overwogen dat de onderhoudsverplichting van de vader is geëindigd per 1 september 2019. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat de overeengekomen onderhoudsbijdrage moet worden gewijzigd, heeft die wijziging dus betrekking op de door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage in de periode tussen 1 januari 2019 en 1 september 2019.

behoefte [gedaagde]

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat een veranderde behoefte van [gedaagde] aanleiding kan zijn voor een wijziging van de overeengekomen onderhoudsbijdrage, zodat ook de rechtbank dit tot uitgangspunt neemt.

4.9.

[gedaagde] stelt zich (als de rechtbank het goed begrijpt) op het standpunt dat zijn behoefte aan een bijdrage van de vader in de periode tussen 1 januari 2019 en 1 juni 2019 € 1.221 per maand bedroeg. De vader heeft deze stelling van [gedaagde] niet betwist, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de behoefte van [gedaagde] in deze periode € 1.211 bedroeg. Hiermee overstijgt de behoefte de overeengekomen onderhoudsbijdrage van € 979 per maand, zodat de behoefte van [gedaagde] in deze periode geen reden is tot verlaging van de overeengekomen onderhoudsbijdrage.

4.10.

In de periode waarin [gedaagde] stage liep in [land] (4 juni 2019 tot en met augustus 2019), is de behoefte van [gedaagde] anders. [gedaagde] heeft op verzoek van de rechtbank zijn behoefte gedurende zijn stage becijferd, en stelt deze op € 1.553 per maand. De vader heeft ook dit bedrag niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Omdat [gedaagde] een stagevergoeding van € 609 per maand ontving en partijen er beide vanuit gaan dat dit bedrag in mindering strekt op de behoefte van [gedaagde] , bedraagt de behoeftigheid van [gedaagde] gedurende zijn stage € 944 per maand.

4.11.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde] in de periode tussen januari 2019 en mei 2019 aanspraak kon maken op een bijdrage van € 979 per maand, en in de periode tussen juni 2019 en augustus 2019 op een bijdrage van € 944 per maand. Dit betekent dat de maximale aanspraak van [gedaagde] op een bijdrage van de vader in de periode die in deze procedure aan de orde is (1 januari 2019 tot 1 september 2019, 5 maanden x € 979 en 3 maanden x € 944) € 7.727 bedroeg.

wat heeft de vader betaald?

4.12.

De vader heeft zich in zijn schriftelijke toelichting op het standpunt gesteld dat hij in de periode tussen januari 2019 en juli 2019 aan [gedaagde] een bedrag van € 8.680,87 heeft betaald. Hij lijkt zich daarmee op het standpunt te stellen dat hij volledig aan zijn onderhoudsverplichting jegens [gedaagde] heeft voldaan en dat hij [gedaagde] niets meer verschuldigd is. [gedaagde] heeft de stellingen van de vader bestreden. Allereerst heeft hij gesteld dat in de berekening van de vader een schenking van de oma van [gedaagde] is begrepen van € 1.500. De vader heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit standpunt klopt. Daarnaast heeft [gedaagde] erop gewezen dat de door de vader genoemde betaling van € 3.325 bestemd was om de achterstand in de betaling van de onderhoudsbijdragen over het jaar 2018 in te lopen. De vader heeft dit erkend, zodat de rechtbank ook geen rekening houdt met dit bedrag. Dit betekent dat de vader over de periode januari 2019 tot en met augustus 2019 een bedrag van € 3.855,87 aan [gedaagde] heeft betaald ten behoeve van diens levensonderhoud in die periode en dat er dus nog sprake is van een achterstallige onderhoudsbijdrage.

4.13.

[gedaagde] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat hij de betalingen met de creditcard van de vader ten bedrage van € 2.455,87 heeft verricht op basis van een bestaande afspraak met de vader, die inhield dat de vader deze bedragen – bovenop de verschuldigde onderhoudsbijdrage – voor zijn rekening zou nemen. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een e-mail die hij op 20 mei 2019 aan de vader heeft gestuurd. In deze e‑mail wordt weliswaar melding gemaakt van uitgaven door [gedaagde] met de creditcard van de vader, maar uit die e-mail kan niet worden afgeleid dat er tussen [gedaagde] en de vader een afspraak bestond dat [gedaagde] vrijelijk uitgaven kon doen met de creditcard van de vader, bovenop de maandelijkse bijdrage die hij van de vader ontving. De vader heeft dit ook betwist. Dat de vader wellicht in het verleden, toen de verhoudingen tussen partijen minder gespannen waren dan nu het geval is, bepaalde kosten op zich heeft genomen, brengt niet met zich dat sprake is van een afspraak die [gedaagde] kan afdwingen.

4.14.

Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de vader in de periode tussen januari en augustus 2019 van de totale aanspraak van [gedaagde] op een onderhoudsbijdrage van € 7.727 een bedrag van € 3.855,87 voor zijn rekening heeft genomen, en dat dus een bedrag van € 3.871,13 onbetaald is gebleven.

draagkracht vader

4.15.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de vader in de relevante periode beschikte over voldoende draagkracht om aan zijn onderhoudsverplichting te kunnen voldoen. De vader stelt dat dit niet het geval was, [gedaagde] betwist dat.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat de vader op [datum] 2016 vader is geworden van een derde kind, voor wie hij zijn beschikbare draagkracht moet aanwenden. Daarnaast is de vader – zonder dat hem daarvan een verwijt gemaakt kan worden – in oktober 2018 zijn baan in [plaats 3] verloren, is hij enige tijd werkeloos geweest en geniet hij vanaf mei 2019 een aanzienlijk lager inkomen dan voorheen het geval was. De vader heeft de rechtbank echter niet voorzien van voldoende informatie om te kunnen vaststellen dat de vader niet beschikte over voldoende draagkracht om te voorzien in de volledige behoefte van [gedaagde] . Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de voormalige werkgever van de vader hem een vergoeding heeft betaald (zie 2.5), die [gedaagde] (door de vader onbetwist) heeft becijferd op ruim € 54.000, en dat die vergoeding strekt in aanvulling op het inkomen van de vader. De vader heeft zich echter in het geheel niet uitgelaten over de vraag hoe hij die vergoeding heeft besteed, en van welk inkomen moet worden uitgegaan bij het berekenen van zijn draagkracht voor het betalen van een onderhoudsbijdrage.

4.17.

Daarnaast heeft [gedaagde] zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vader altijd heeft beschikt over aandelen en dat hij ook in het buitenland vermogen heeft. Gelet op de met stukken onderbouwde stellingname van [gedaagde] , is de enkele betwisting van de vader dat hij vermogen heeft van waaruit hij een onderhoudsbijdrage kan voldoen, onvoldoende.

4.18.

Dit betekent dat de vader – hoewel de rechtbank met de vader wil aannemen dat zijn financiële positie als gevolg van de geboorte van zijn derde kind, zijn ontslag in [plaats 3] en zijn nieuwe werkkring minder rooskleurig is dan voorheen – onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is te voorzien in de nog onbetaald gebleven onderhoudsbijdrage voor [gedaagde] .

4.19.

In het licht van al het vorenstaande luidt de slotsom dat de vader aan [gedaagde] over de periode tussen 1 januari 2019 en 1 september 2019 nog een onderhoudsbijdrage verschuldigd is van € 3.871,13 en dat [gedaagde] voor het overige niets van de vader te vorderen heeft. De vorderingen van de vader zullen worden afgewezen en de reconventionele vordering van [gedaagde] zal in zoverre worden toegewezen.

proceskosten

4.20.

Nu partijen familie van elkaar zijn, zal de rechtbank bepalen dat ieder van hen in conventie en in reconventie zijn eigen proceskosten moet betalen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

in reconventie

5.2.

veroordeelt de vader om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] een bedrag van € 3.871,13 te betalen;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.1

1 type: 1366 coll: