Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9467

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
NL20.16772
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring – Franse autoriteiten accepteren verzoeken van verweerder op grond van de Benelux-overkomst niet -entameren asielprocedure enkel om te bewerkstelligen dat eiser naar Frankrijk kan terugkeren in plaats van naar zijn land van herkomst. Beroep ongegrond.

De rechtbank stelt vast dat eiser de grond de grond 59b, eerste lid, onder c Vw niet gemotiveerd heeft betwist. In reactie op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangegeven heeft gemachtigde van eiser verklaard dat verweerder niet kan tegenwerpen dat eiser “opeens” asiel aanvraagt omdat een asielaanvraag wellicht mogelijkheden biedt voor eiser om terug te keren naar Frankrijk op grond van de Dublinverordening. Eiser wil terugkeren naar Frankrijk waar hij gedurende ruim twintig jaren heeft verbleven. Eiser was op de dag dat hij in Nederland in de Flixbus zonder geldige verblijfs- en reisdocumenten is aangetroffen enkel van plan zijn kinderen in Nederland op te halen en direct terug te keren naar Frankrijk. Verweerder heeft tweemaal de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de zogenaamde Benelux-overeenkomst maar de Franse autoriteiten hebben beide verzoeken afgewezen en staan eiser niet toe Frankrijk in te reizen. Eiser heeft aangegeven dat hij inschat dat de kans dat zijn asielverzoek in Nederland wordt ingewilligd niet heel groot is maar dat hij hoopt dat hij door een Dublin-overdracht toch terug kan naar Frankrijk omdat hij niet wil terugkeren naar Congo. De rechtbank overweegt dat deze opmerkingen niet als gemotiveerde betwisting kunnen dienen maar veeleer kwalificeren als onderbouwing van deze grond van de maatregel. Een asielaanvraag dient immers om te kunnen laten beoordelen en toetsen of aanspraak op bescherming en daarmee verblijf bestaat. Eiser erkent nu juist dat hij een asielaanvraag indient enkel om zodoende terug te kunnen keren naar Frankrijk en daarmee gedwongen vertrek naar zijn land van herkomst te voorkomen. Met deze intentie een asielprocedure entameren wijst er dus inderdaad op dat eiser geen verblijf op asielrechtelijke gronden in Nederland beoogt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.16772


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. Van Gils).


Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 september 2020, waar eiser overeenkomstig het

Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per

videoconferentie is gehoord op zijn beroep en ter zitting is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser

(1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn,

(2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en

(3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

3. Verweerder heeft ter zitting de zware gronden onder 3b en 3c laten vallen en alle andere gronden gehandhaafd. Eiser heeft –uitsluitend- de lichte grond onder 4d betwist.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder bevoegd is gronden die aan deze maatregel van bewaring ten grondslag liggen integraal te handhaven, ook als die gronden bij de (eerdere) behandeling ter zitting van het beroep tegen de eerste maatregel niet langer zijn gehandhaafd.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de grond de grond 59b, eerste lid, onder c Vw niet gemotiveerd heeft betwist. In reactie op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangegeven heeft gemachtigde van eiser verklaard dat verweerder niet kan tegenwerpen dat eiser “opeens” asiel aanvraagt omdat een asielaanvraag wellicht mogelijkheden biedt voor eiser om terug te keren naar Frankrijk op grond van de Dublinverordening. Eiser wil terugkeren naar Frankrijk waar hij gedurende ruim twintig jaren heeft verbleven. Eiser was op de dag dat hij in Nederland in de Flixbus zonder geldige verblijfs- en reisdocumenten is aangetroffen enkel van plan zijn kinderen in Nederland op te halen en direct terug te keren naar Frankrijk. Verweerder heeft tweemaal de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de zogenaamde Benelux-overeenkomst maar de Franse autoriteiten hebben beide verzoeken afgewezen en staan eiser niet toe Frankrijk in te reizen. Eiser heeft aangegeven dat hij inschat dat de kans dat zijn asielverzoek in Nederland wordt ingewilligd niet heel groot is maar dat hij hoopt dat hij door een Dublin-overdracht toch terug kan naar Frankrijk omdat hij niet wil terugkeren naar Congo. De rechtbank overweegt dat deze opmerkingen niet als gemotiveerde betwisting kunnen dienen maar veeleer kwalificeren als onderbouwing van deze grond van de maatregel. Een asielaanvraag dient immers om te kunnen laten beoordelen en toetsen of aanspraak op bescherming en daarmee verblijf bestaat. Eiser erkent nu juist dat hij een asielaanvraag indient enkel om zodoende terug te kunnen keren naar Frankrijk en daarmee gedwongen vertrek naar zijn land van herkomst te voorkomen. Met deze intentie een asielprocedure entameren wijst er dus inderdaad op dat eiser geen verblijf op asielrechtelijke gronden in Nederland beoogt. De stelling ter zitting van gemachtigde van eiser dat deze proces-strategie in overleg met de regievoerder van DT&V is geschied is niet onderbouwd en ook weinig relevant omdat dit nimmer kan leiden tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd. Overigens heeft verweerder ter zitting genoegzaam uitgelegd dat DT&V geen bemoeienis heeft met de asielprocedure maar alleen moet bewerkstelligen dat eiser op zijn aanvraag gehoord kan worden en overigens weinig waarschijnlijk is dat er een Dublin-claim zal worden gelegd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat indien sprake zou zijn geweest van een EU-vis-treffer of Eurodac-treffer verweerder –in beginsel- eiser op de zogenaamde Dublin-grond in bewaring had moeten stellen. Verweerder heeft echter na afwijzing van het verzoek om heroverweging door de Franse autoriteiten een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder het niet mogelijk acht om eiser op grond van de Dublinverordening te claimen.

6. De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring reeds mag worden opgelegd als sprake is van de situatie zoals beschreven in artikel 59c, eerste lid, onder c Vw. De rechtbank acht het niet opportuun om in deze procedure te beoordelen of verweerder de lichte grond onder 4d aan de maatregel ten grondslag mag leggen. De rechtbank heeft in het ambtshalve onderzoek geen onrechtmatigheden die tot opheffing van de maatregel zouden moeten leiden geconstateerd.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W.M. Bankers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.