Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9464

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
NL20.16557
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In drie procedures herhaalde stelling dat verweerder de rechtbank tracht te misleiden ongefundeerd en suggestief – volgberoep bewaring ongegrond.

Verweerder heeft om eiser aan Frankrijk te kunnen overdragen op grond van de Benelux-overeenkomst een verzoek tot heroverweging bij de Franse autoriteiten ingediend alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen om eiser uit te kunnen zetten naar Congo. De stelling van eiser dat verweerder dit verzoek enkel heeft ingediend omdat vergeten zou zijn een terugkeerbesluit uit te vaardigen is in het geheel niet onderbouwd. Verweerder heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd uiteengezet waarom getracht is eiser te kunnen overdragen aan Frankrijk en wat hij daartoe heeft ondernomen. De stelling dat verweerder zaken heeft verbloemd en de rechtbank (nog steeds) tracht te misleiden is niet gebaseerd op feiten en louter suggestief. De rechtbank heeft geen enkele indicatie en acht overigens volstrekt onaannemelijk dat de werkwijze van verweerder bij het constateren van een gebrek in het bewaringstraject bestaat uit het misleiden van de rechtbank om zodoende eiser onrechtmatig in bewaring te kunnen houden. De rechtbank concludeert dan ook, net zoals de rechtbank dat heeft gedaan bij de beoordeling van het beroep tegen de eerste maatregel en bij het verzoek tot herziening van de uitspraak op dat beroep, dat de eenvoudigweg herhaalde stelling van eiser dat verweerder de rechtbank tracht te misleiden bij gebrek aan enige onderbouwing faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.16557


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 augustus 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft op 7 september 2020 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 8 september 2020 een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop op 9 september 2020 gereageerd.

Verweerder heeft op 10 september 2020 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat een nieuwe maatregel van bewaring aan eiser is opgelegd.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 september 2020, waar eiser overeenkomstig het

Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per

videoconferentie is gehoord op zijn beroep en ter zitting is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 september 2020 (in de zaak NL20.15682) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 31 augustus 2020 tot het moment van opheffing op 10 september 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.

3. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser op 8 september 2020 heeft verzocht om herziening van voornoemde uitspraak van 3 september 2020. De rechtbank heeft dit verzoek bij uitspraak van 14 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het tegen de uitspraak van 3 september 2020 ingestelde hoger beroep nog aanhangig is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en dus geen sprake is van een onherroepelijk geworden uitspraak.

4. Eiser heeft in reactie op de voortgangsrapportage in eerste instantie gesteld dat weliswaar wordt gesproken van een verzoek tot heroverweging aan de Franse autoriteiten, maar dat dit op geen enkele wijze wordt aangetoond. Eiser heeft daarbij gesteld dat zich in het dossier geen verzoek tot heroverweging of een tweede afwijzing bevindt. Eiser wijst er bovendien op dat hem is meegedeeld dat het verzoek tot heroverweging aan de Franse autoriteiten niet meer gedaan zou worden, omdat het kansloos was. Eiser heeft gesteld dat dat er inderdaad geen verzoek tot heroverweging is geweest, waardoor eiser tussen 25 augustus 2020, zijnde datum afwijzing eerste claim van de Franse autoriteiten, en 3 september 2020 in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, zonder dat een terugkeerbesluit was uitgevaardigd en wel een lp-traject bij de Congolese autoriteiten is begonnen.

5. Nadat de rechtbank ter zitting heeft voorgehouden dat het digitale dossier in de onderhavige procedure alle stukken waar verweerder zich op baseert bevat heeft eiser aangevoerd dat niet langer wordt betwist dat er een verzoek om heroverweging is gedaan en dat dit verzoek andermaal is afgewezen. Eiser handhaaft zijn standpunt, zoals ook eerder aangevoerd bij de toetsing van de gronden tegen de oplegging van de maatregel en zoals aangevoerd bij zijn verzoek om herziening van de uitspraak op het beroep tegen de oplegging, dat verweerder de rechtbank tracht te misleiden. Volgens eiser heeft verweerder het verzoek tot heroverweging uitsluitend ingediend om te verbloemen dat was vergeten een terugkeerbesluit op te leggen na de afwijzing door de Franse autoriteiten en wetende dat dit verzoek tot heroverweging kansloos was.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle relevante stukken heeft overgelegd en daaruit blijkt dat daadwerkelijk een gemotiveerd verzoek tot heroverweging is gedaan dat vervolgens door de Franse autoriteiten is afgewezen. Verweerder valt niet te verwijten dat hij om heroverweging heeft verzocht. De rechtbank overweegt dat dit nu juist zorgvuldig is geweest omdat uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd niet alleen duidelijk blijkt dat eiser vanuit langdurig verblijf in Frankrijk kortstondig naar Nederland wilde komen uitsluitend om zijn kinderen op te halen, maar eiser bovendien zelf graag wilde terugkeren naar Frankrijk en verweerder dit alleen kan realiseren met toestemming van de Franse autoriteiten. Eiser kan verweerder gelet op deze omstandigheden bezwaarlijk verwijten dat hij niet eerder de uitzetting naar Congo ter hand heeft genomen. Of eiser nu met de flixbus vanuit Brussel of vanuit Frankrijk is gekomen is niet relevant omdat eiser heeft verklaard dat hij vanuit langdurig verblijf in Frankrijk naar Nederland is gekomen. Ook als eiser en dus ook verweerder, deze reis alleen deels kan onderbouwen met een buskaartje van Brussel naar Nederland had Frankrijk op grond van de nadere motivering in het verzoek tot heroverweging zonder meer tot acceptatie van het verzoek kunnen komen. Hoewel verweerder gevolgd wordt in zijn standpunt dat de kansrijkheid van het verzoek tot heroverweging niet primair ter toetsing door de bewaringsrechter voorligt, verwijst de rechtbank naar hetgeen bepaald is in de artikelen 7, 8 en 9 van de Overeenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg enerzijds, en de Regering van de Franse Republiek anderzijds, inzake het overnemen van personen aan de gemeenschappelijke grens van het grondgebied van de Benelux-landen en Frankrijk van 16 april 1964 (De “Benelux-overeenkomst”). Kort gezegd bevatten deze bepalingen onder meer aanwijzingen dat deze overeenkomst verantwoordelijkheid voor de terugname aanneemt en vastlegt op grond van het land waar het hoofdverblijf van de vreemdeling is en van waaruit de inreis in het grondgebied van de Benelux-landen plaatsvindt. Noch uit deze bepalingen, noch uit de stellingen van eiser met betrekking tot het buskaartje en de afwijzing door de Franse autoriteiten van het verzoek om heroverweging volgt dat door reisbewegingen binnen het grondgebied van de Benelux deze verantwoordelijkheid komt te vervallen. Dat dit verzoek om heroverweging bij voorbaat kansloos was blijkt dan ook niet. De stelling van gemachtigde van eiser dat iemand van DT&V tegen hem gezegd zou hebben dat van het indienen van een verzoek tot heroverweging zou worden afgezien omdat dit door DT&V kansloos werd geacht is niet onderbouwd en hoe dan ook feitelijk onjuist nu dit verzoek daadwerkelijk is gedaan.

7. De stelling van eiser dat verweerder dit verzoek enkel heeft ingediend omdat vergeten zou zijn een terugkeerbesluit uit te vaardigen is dus in het geheel niet onderbouwd. Verweerder heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd uiteengezet waarom getracht is eiser te kunnen overdragen aan Frankrijk en wat hij daartoe heeft ondernomen. De stelling dat verweerder zaken heeft verbloemd en de rechtbank (nog steeds) tracht te misleiden is niet gebaseerd op feiten en louter suggestief. De rechtbank heeft geen enkele indicatie en acht overigens volstrekt onaannemelijk dat de werkwijze van verweerder bij het constateren van een gebrek in het bewaringstraject bestaat uit het misleiden van de rechtbank om zodoende eiser onrechtmatig in bewaring te kunnen houden. De rechtbank concludeert dan ook, net zoals de rechtbank dat heeft gedaan bij de beoordeling van het beroep tegen de eerste maatregel en bij het verzoek tot herziening van de uitspraak op dat beroep, dat de eenvoudigweg herhaalde stelling van eiser dat verweerder de rechtbank tracht te misleiden bij gebrek aan enige onderbouwing faalt.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W.M. Bankers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.