Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6438
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

functietoewijzing defensie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Zilverberg).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de functie van monitor voorraadbeheer niet aan hem is toegewezen omdat hij niet de meest geschikte kandidaat is.

Bij besluit van 30 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020.

Partijen zijn gehoord door middel van een skype-verbinding.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was tot aan zijn functioneel leeftijdsontslag (FLO) als militair werkzaam, laatstelijk bij het Defensie Munitiebedrijf. Op 30 april 2018 heeft eiser gesolliciteerd naar de burgerfunctie van monitor voorraadbeheer, die eiser wenste te vervullen na zijn (FLO).

Bij primair besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de functie niet aan hem is toegewezen omdat hij niet de meest geschikte kandidaat is. Op 8 november 2018 heeft verweerder aan eiser laten weten dat er een onjuiste motivering in het primaire besluit is gegeven. De afwijzing van eiser was er in gelegen dat hij als militair pas in beschouwing zou worden genomen als zich binnen de groep sollicitanten met een burgerfunctie geen passende kandidaten zouden bevinden.

Eiser heeft in een gesprek met de directeur Personeel en Organisatie van het CLAS, generaal de Rijke, bewerkstelligd dat hij voor de burgerfunctie van coördinator buitencomplexen in aanmerking komt. Dit betreft een tijdelijke functie voor maximaal drie jaar. Eiser en de directeur hebben hiermee eisers kennis en ervaring willen behouden voor de organisatie.

In het bestreden besluit is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder geeft toe dat de gewijzigde afwijzingsgrond niet juist is maar merkt daarbij op dat de functie van monitor voorraadbeheer al aan een andere kandidaat is toegewezen. Ook eiser vervult inmiddels een andere burgerfunctie.

2 Eiser voert in beroep aan dat hem een vergoeding toekomt omdat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. Verder wil eiser een betere oplossing dan hij nu gekregen heeft. Na acht maanden in een burgerfunctie werkzaam te zijn geweest als coördinator buitencomplexen is hij ontslagen. Eiser is hierover zeer ontevreden.

3 In artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een bestuursorgaan een dwangsom wegens niet tijdig beslissen verbeurt nadat de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Niet in geschil is dat eiser dit niet heeft gedaan. Verweerder is aan eiser daarom geen vergoeding wegens niet tijdig beslissen verschuldigd.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers procesbelang bij deze procedure is komen te vervallen op het moment dat hij de andere functie aanvaard heeft. Dat eiser inmiddels is ontslagen maakt dit niet anders. Zoals door verweerder opgemerkt was het ook in de geambieerde functie mogelijk geweest dat hij na acht maanden ontslagen zou worden.

5 Het beroep is niet-ontvankelijk.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.