Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3122
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een ingebrekestelling bij verweerder ingediend terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. De ingebrekestelling is daarom prematuur. Verweerder heeft de hoorplicht niet geschonden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3122

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 5 januari 2019 heeft eiser een formulier ‘Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ ingevuld. Dit formulier heeft verweerder op 7 januari 2019 ontvangen.

Bij besluit van 1 april 2019 (verzonden op 2 april 2019, het primaire besluit) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege tijdige verdaging van de beslistermijn (nog) niet in gebreke is.

Bij besluit van 15 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 27 januari 2020 heeft de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

Het verzet van eiser is bij uitspraak van 17 juni 2020 gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020.

Eiser is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verweerder per 5 januari 2019 in gebreke gesteld omdat verweerder nog geen beslissing had genomen op zijn bezwaarschrift tegen een (primair) besluit van 9 oktober 2018, verzonden op 12 oktober 2018.

2. Bij brief van 7 januari 2019 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de termijn om te beslissen op het bezwaar met 6 weken wordt verlengd.

3. Verweerder stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat de beslistermijn tijdig is verdaagd en hij daarom niet in gebreke is. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft verweerder kennelijk ongegrond verklaard in het bestreden besluit van

15 april 2019. In dit besluit heeft verweerder zijn standpunt in het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiser is het daar niet mee eens en voert in beroep – samengevat weergegeven – aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiser heeft verwezen naar zijn bezwaarschrift waarin hij zich op het standpunt stelt dat verweerder uiterlijk op 4 januari 2019 een beslissing op bezwaar had moeten nemen. Verweerder heeft ten onrechte de beslistermijn verlengd ná het verstrijken van de beslistermijn en ná het ontvangen van de ingebrekestelling. Voorts heeft verweerder ten onrechte eiser niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op zijn bezwaar, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan ten aanzien van het betalen van griffierecht in deze procedure. De rechtbank stelt eiser in deze procedure vrij van het betalen van het griffierecht.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit waar eiser in eerste instantie bezwaar tegen heeft gemaakt, is verzonden op 12 oktober 2018. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (dus:

13 oktober 2018). Aangezien de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken bedraagt, liep de bezwaartermijn af op zaterdag

24 november 2018. Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt ingevolge artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dat brengt met zich dat de bezwaartermijn afliep op maandag

26 november 2018. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Dat betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beslistermijn nog niet verstreken was op maandag

7 januari 2019. Verweerder heeft daarom binnen de beslistermijn aan eiser te kennen gegeven dat de beslistermijn met 6 weken werd verlengd. Dat eiser in de tussentijd al een (premature) ingebrekestelling bij verweerder had ingediend, maakt dat niet anders. Hoewel verweerder het vorenstaande niet geconcretiseerd heeft in het bestreden besluit, heeft verweerder met de verwijzing naar artikel 1 van de Algemene termijnwet voldoende gemotiveerd dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.

8. Het beroep op schending van de hoorplicht slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Van het horen kan op grond van 7:3, aanhef en onder b van de Awb worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel is over de mogelijkheid dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, is aan voormelde maatstaf voldaan.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.