Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9402

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
NL20.12932
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Nigeria. De rechtbank volgt eiser dat hij met de taalanalyse weldegelijk zijn nationaliteit heeft aangetoond. Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12932


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).


Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12933, plaatsgevonden op 27 augustus 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1998.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de enige zoon en troonopvolger is van de in 2013 overleden koning van [naam] . De chief council heeft tegen eiser gezegd dat hij zijn vader op traditionele wijze moest begraven met vier mensenhoofden. Eiser is door zijn oom meegenomen naar een plek waar de ceremonie werd uitgevoerd. Eiser heeft met koekjes een kind vanuit een school meegelokt naar de plek waar de ceremonie plaatsvond en is vervolgens weggegaan om nog een kind te halen. Toen eiser terugkwam was het hoofd van het kind afgesneden. Eiser is toen met zijn moeder gevlucht omdat hij vreest voor zijn oom, die niet wilt dat hij koning wordt en hem een moord in de schoenen wil schuiven. Vanuit Libië is eiser vervolgens naar Europa gebracht. Eiser vreest deze mensen, omdat hij hen een groot geldbedrag verschuldigd is.

3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst als relevante elementen in het asielrelaas benoemd. Verweerder acht de herkomst van eiser op basis van de taalanalyse geloofwaardig, maar acht de identiteit en nationaliteit van eiser niet geloofwaardig. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te staven. Noch heeft eiser overige documenten overgelegd op grond waarvan zijn identiteit kan worden vastgesteld. Verder is van belang dat de gegevens die eiser hier te lande heeft opgegeven omtrent zijn identiteit niet overeenkomen met de gegevens die hij in onder meer Italië, Oostenrijk en Duitsland heeft verstrekt. In Italië heeft eiser als naam opgegeven [A] en in Duitsland [B] . Daarnaast heeft eiser in Duitsland en Italië een andere geboortedatum opgegeven dan in Nederland, namelijk [geboortedag] 1991. Hiermee is vast komen te staan dat betrokkene minstens één land waarin hij asiel heeft aangevraagd heeft geprobeerd te misleiden met valse informatie omtrent zijn identiteit. Omdat de nationaliteit en identiteit ongeloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder niet verder getoetst aan de asielmotieven van eiser. Verweerder heeft de aanvraag dan ook afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Ten onrechte weigert verweerder eiser te volgen in de door hem in Nederland opgegeven identiteits- en nationaliteitsgegevens. Ten onrechte laat verweerder dan ook na om het asielrelaas van eiser te beoordelen. Eiser heeft onder invloed van mensenhandelaren in andere Europese landen andere personalia opgegeven dan in Nederland, dit mag hem dan ook niet worden tegengeworpen. Alles wijst erop dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit heeft. De stelling van verweerder dat het overgelegde krantenartikel, ter onderbouwing van de identiteit en gestelde problemen, enkel een kopie betreft, is onjuist. Het originele artikel is immers onderzocht. Dat geen uitspraak gedaan kan worden over de authenticiteit van het krantenartikel, maakt niet dat niet van de inhoud ervan uitgegaan mag worden. Voorts kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij geen geboorteakte kan overleggen. Eiser heeft wel geprobeerd om aan de akte te komen, maar dat is hem niet gelukt. Eiser stelt dan ook dat hij op dit punt in bewijsnood verkeert. Verder is van belang dat eiser met de verrichte taalanalyse zijn nationaliteit en herkomst weldegelijk heeft aangetoond. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2003 (200305364/1, JV 2003/544).

Tot slot stelt eiser dat de aanvraag niet als kennelijk ongegrond afgewezen kon worden, omdat eiser geen onjuiste informatie aan ‘Onze Minister’ heeft verstrekt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Niet ter discussie staat dat eiser zijn nationaliteit en identiteit niet met identificerende documenten aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zijn identiteit ook niet op een andere manier aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit een krantenartikel overgelegd. Ter zitting is gebleken dat verweerder niet meer tegenwerpt dat van het krantenartikel slechts een kopie is overgelegd. Evenwel blijft staan dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat een krantenartikel niet kan dienen als identificerend document, omdat het geen officieel document betreft dat is afgegeven door de lokale autoriteiten. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Bureau Documenten van 9 oktober 2018 dat niet kan worden vastgesteld of het ter zake doende krantenartikel inhoudelijk juist is.

Daarbij is van belang dat niet kan worden vastgesteld of de krant in de overgelegde verschijningsvorm is uitgegeven, omdat de pagina’s van het ter zake doende artikel en de contrapagina’s van elkaar afwijken en bij het artikel in de krant een foto is geplaatst, terwijl het artikel op de website geen foto heeft. Op basis hiervan volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat aan het krantenartikel niet de waarde worden toegekend die eiser eraan wenst toe te kennen. Eisers stelling dat in beginsel van de authenticiteit van het krantenartikel moet worden uitgegaan nu sprake is van een eerste aanvraag, volgt de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing niet.

5.2

Voorts overweegt de rechtbank dat, hoewel eiser heeft verklaard dat er (mogelijk) een geboorteakte is in Nigeria maar hij deze niet kan laten overkomen omdat hij geen contacten meer heeft in Nigeria, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bewijsnood. Verweerder heeft eiser daarbij in het bestreden besluit kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien dat de vriend die hem destijds aan het krantenartikel heeft geholpen, hem niet ook kan helpen bij het zoeken naar de geboorteakte. De stelling van eiser in beroep dat deze vriend sinds 2017 niet meer bereikbaar is, is niet onderbouwd. Dit had wel van eiser verwacht mogen worden, te meer hij in beroep stelt “verwoede pogingen te hebben gedaan om het contact met deze vriend tot stand te brengen”. Verweerder heeft op dit punt niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat eiser concrete inspanningen heeft verricht, eventueel met hulp van een professionele derde partij, om aan de akte te komen, hetgeen wel van hem mag worden verwacht.

5.3

De stelling van eiser dat hij met de taalanalyse weldegelijk zijn nationaliteit heeft aangetoond, volgt de rechtbank wel. Hoewel verweerder er terecht op heeft gewezen dat – zoals vermeld in de ‘Vakbijlage Taalanalyse’ welke bij het rapport van de taalanalyse is gevoegd – een taalanalyse nadrukkelijk géén nationaliteits- of identiteitsonderzoek is, is de rechtbank niettemin van oordeel dat verweerder zonder nadere motivering niet het standpunt heeft kunnen innemen dat eiser zijn gestelde Nigeriaanse nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij is van belang dat eiser blijkens de uitgevoerde taalanalyse eenduidig te herleiden is tot de Ika-spraakgemeenschap binnen Nigeria en aannemelijk is dat hij daar een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht. Voorts ontbreken aanknopingspunten voor de aanname dat eiser mogelijk een andere nationaliteit dan de Nigeriaanse heeft. Zo heeft eiser tijdens de asielgehoren niet verklaard dat zijn vader en/of moeder een andere nationaliteit hebben/hadden of dat hij gedurende een periode voorafgaand aan zijn vertrek uit Nigeria in een ander land heeft gewoond. Hoewel eiser in andere (Dublin)landen andere informatie over zijn identiteit en/of geboortedatum heeft verschaft, is die enkele constatering in het licht van de conclusies uit de taalanalyse naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om eisers’ gestelde nationaliteit niet aannemelijk te achten.

5.4

Voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, dat in zoverre sprake is van een gegrond beroep en dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde (deel van het) bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe is van belang dat de rechtbank niet gebleken is dat er in Nigeria sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, noch is gesteld of gebleken dat eiser op grond van enkel zijn nationaliteit en/of herkomst in aanmerking komt voor een van de in artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw genoemde inwilligingsgronden. Voorts blijft naar het oordeel van de rechtbank overeind dat eiser zijn identiteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, terwijl niet kan worden aangenomen dat eiser in bewijsnood verkeerde (zie hiervoor onder 5.1 en 5.2). Daarbij heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij in Italië, Oostenrijk en Duitsland bewust onjuiste informatie heeft verstrekt betreffende zijn identiteit, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen in Nederland over zijn werkelijke identiteit. Dat eiser zoals gesteld onder invloed verkeerde van mensenhandelaren en in hun opdracht valse informatie heeft verschaft, leidt niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien waarom eiser in verschillende landen bewust valse gegevens heeft verstrekt, terwijl hij in die landen om hulp of bescherming heeft gevraagd. Van eiser mag worden verwacht dat hij vertrouwt op de autoriteiten waarbij hij asiel aanvraagt en oprecht is in de informatie die hij aandraagt ter onderbouwing van zijn asielaanvraag. Bij deze stand van zaken hoefde verweerder eiser niet het voordeel van de twijfel te gunnen ten aanzien van zijn identiteit.

5.5

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061) en 6 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:292), volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu eiser, zoals uit het vorenstaande volgt, zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder, gelet op voormelde rechtspraak van de Afdeling, niet ten onrechte een beoordeling van de asielmotieven achterwege gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het de combinatie van identiteit, nationaliteit en herkomst die een asielmotief betekenis doet toekomen. Het niet aannemelijk zijn van één of twee van deze elementen heeft reeds tot gevolg dat aan een asielmotief geen betekenis toekomt.

5.6

De stelling van eiser dat het beroep niet als kennelijk ongegrond afgewezen had mogen worden omdat hij niet ‘Onze Minister’ heeft misleid, slaagt niet. Volgens paragraaf C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is van misleiden in ieder geval sprake als een andere identiteit of nationaliteit uit de systemen naar voren komt dan opgegeven bij de IND. Daarvan is in dit geval sprake (zie onder 3), waardoor verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is sprake van een gegrond beroep en in zoverre van een vernietigd (deel van het) bestreden besluit, maar kunnen de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienden van he beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen voor de mondelinge behandeling, met een waar per punt van € 525,-, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.