Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
NL20.11130
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT, Servië, veilig land van herkomst, coronapandemie geen aanleiding voor verblijfsvergunning regulier noch voor gunnen vertrektermijn, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11130

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. De zaak van eiseres heeft samenhang met de zaken NL20.11124, NL20.11126 en NL20.11128 omdat het één gezin is. In verband met de bijzonderheden van iedere zaak wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

  2. Eiseres heeft de Servische nationaliteit en is geboren op [2002] . Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij, na een periode in Duitsland te hebben verbleven, in januari 2018 is teruggestuurd naar Servië. Bij terugkeer hebben eiseres en haar gezinsleden problemen gekregen met een man. Deze man heeft eiseres en haar gezin bedreigd en wilde geld van hen hebben. Ook heeft deze man, samen met andere mannen, de vader van eiseres geslagen en is eiseres door hen verkracht. Eiseres heeft verder aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat Roma’s in Servië slecht worden behandeld. Eiseres en haar gezinsleden hebben Servië in februari 2019 verlaten.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    problemen met Servische mannen na terugkeer uit Duitsland;

  • -

    moeilijkheden vanwege Roma afkomst.

4. Verweerder heeft deze relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres echter afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Servië kan worden beschouwd als veilig land van herkomst. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat Servië ten aanzien van haar persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en niet kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de gronden van beroep enkele verklaringen herhaalt die zij eerder heeft afgelegd tijdens het gehoor veilig land van herkomst. De rechtbank overweegt dat eiseres met de enkele herhaling van eerder afgelegde verklaringen niet duidelijk heeft gemaakt op welke punten het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen onjuist of onvolledig is en waarom, zodat dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.

Veilig land van herkomst

6. Eiseres voert aan dat Roma’s in Servië te maken krijgen met ernstige

vormen van discriminatie, waardoor het onmogelijk is om maatschappelijk en sociaal goed te kunnen functioneren. Ter onderbouwing van deze grond verwijst eiseres naar algemene bronnen. De informatie uit deze bronnen ondersteunt het asielrelaas van eiseres.

7. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken, ook niet uit de door eiseres aangehaalde algemene bronnen, dat er in het geval van eiseres sprake is van een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres blijkens haar verklaringen in het bezit was van een paspoort en dat haar vader in Servië scholing heeft gevolg en daar heeft gewerkt. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten om te motiveren waarom van haar, gelet op haar situatie met traumatische ervaring, mag worden verwacht dat zij aangifte zou doen in verband met de problemen met de Servische mannen.

9. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat van eiseres mag worden verwacht dat zij zich, in het geval van problemen, voor hulp of bescherming wendt tot de (hogere) autoriteiten en instanties van Servië, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat Servië ten aanzien van haar persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of niet kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst.

Verblijfsvergunning regulier

10. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te toetsen of zij in verband met haar verkrachting ambtshalve in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden.

11. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om eiseres op humanitaire gronden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de omstandigheden dat eiseres is verkracht en als gevolg daarvan is getraumatiseerd niet hoeven aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden en heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseres voor deze problemen bescherming heeft gezocht bij de (hogere) autoriteiten van Servië.

12. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te toetsen of zij in verband met de coronapandemie ambtshalve in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6, artikel 3.6a, artikel 3.6b aanhef en onder a en artikel 3.6ba van het Vb1.

13. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt en overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft niet hoeven toetsen aan artikel 3.6 van het Vb omdat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. Verweerder heeft blijkens het betreden besluit wel getoetst aan artikel 3.6a van het Vb. Verweerder heeft immers overwogen dat de door eiseres aangevoerde informatie geen aanleiding geeft om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM2 te verlenen. Ook blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder heeft getoetst aan artikel 3.6b, aanhef en onder a en artikel 3.6ba van het Vb. Verweerder heeft namelijk overwogen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om eiseres op humanitaire gronden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres heeft in de zienswijze aangevoerd dat zij door beëindiging van het rechtmatig verblijf geen recht meer zal hebben op opvang en zorg en dat zij vanwege de coronapandemie niet terug kan reizen naar Servië. Verweerder heeft over deze omstandigheden terecht gesteld dat eiseres recht op opvang en medische zorg behoudt totdat internationaal reizen weer mogelijk is en heeft deze omstandigheden niet hoeven aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om aan eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen.

14. Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door haar in de zienswijze aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 28 april 20203, waarin is bepaald dat er op dit moment geen enkel zicht is op vluchten naar Servië en dat dit ook niet op redelijke termijn is te voorzien.

15. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de zienswijze naar de betreffende uitspraak

1. Vreemdelingenbesluit 2000.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 NL20.8976.

heeft verwezen in het kader van haar betoog dat zij na afwijzing van de asielaanvraag geen rechtmatig verblijf meer heeft en dus ook geen recht op opvang en medische zorg meer heeft, dat het vanwege de coronapandemie onmogelijk is om terug te reizen naar Servië, en dat aan eiseres gelet op deze bijzondere, individuele omstandigheden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet worden verleend. Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op de door eiseres genoemde uitspraak, heeft verweerder zich, gelet op het oordeel van de rechtbank in alinea 13, reeds voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de door haar geschetste omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 64 Vw4

16. Eiseres voert aan dat zij vanwege de noodzakelijke medische behandeling in verband met haar trauma in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 64 van de Vw. Ter onderbouwing van haar medische situatie heeft eiseres in beroep haar medisch dossier overgelegd.

17. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt heeft mogen stellen dat de informatie uit het medisch dossier van eiseres geen aanleiding vormt om aan haar uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Verweerder heeft eiseres niet hoeven volgen in haar stelling dat zij in verband met haar trauma onder noodzakelijke medische behandeling staat, nu uit het medische dossier blijkt dat eiseres op 21 april 2020 heeft aangegeven geen traumabehandeling te willen en heeft gezegd de gesprekken niet meer nodig te hebben. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten om te motiveren waarom aan haar, in verband met de coronapandemie en de reisbeperkingen die daar het gevolg van zijn, een vertrektermijn is onthouden en, in het verlengde daarvan, een inreisverbod aan haar is opgelegd.

19. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgronden niet slagen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aan haar een vertrektermijn moet worden gegund dan wel op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Verweerder heeft de maatregelen rondom het coronavirus niet hoeven aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden maar heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiseres opvang in Nederland behoudt totdat internationaal reizen weer mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank kan van eiseres in het kader van haar vertrekplicht dan ook worden verwacht dat zij zich onmiddellijk naar Servië begeeft zodra dat mogelijk is.

Conclusie

20. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

4 Vreemdelingenwet 2000.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

23 juli 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.