Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9354

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
NL20.14750 en NL20.14751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder mocht de bekering tot het Christendom van een Iraanse man ongeloofwaardig achten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14750 (beroep) en NL20.14751 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Verweerder heeft

die aanvraag bij besluit van 22 juli 2020 (het bestreden besluit) op grond van artikel 30b,

eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk

ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de

voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Eiser en verweerder

hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft

verweerder om internationale bescherming gevraagd omdat hij in Iran tot het christendom is

bekeerd. Hij vreest dat hij bij terugkeer naar Iran daarvoor zal worden vervolgd.

1.2

Eisers asielrelaas houdt samengevat het volgende in. Eiser is opgegroeid in een

streng islamitisch gezin. De geloofsdwang heeft hem tijdens zijn adolescentie doen afkeren

van de islam. In juli 2018 liep hij na vijftien jaar zijn jeugdvriend [de persoon] weer tegen het lijf.

In het gesprek dat zich toen ontspon, vertelde [de persoon] dat hij christen was. Een maand later

nam hij eiser mee naar een huiskerk en heeft hij hem een bijbel gegeven die eiser vervolgens

is gaan lezer. In de geboorte van zijn zoon zag eiser een wonder waardoor hij christen is

geworden. Eiser raakte in juli 2019 de problemen toen op zijn werk in zijn bureaulade de

bijbel werd gevonden die hij in de pauzes las. Hierop is politie zijn huis binnengevallen en hebben agenten zijn vrouw ondervraagd. Eiser is hierop vertrokken uit Iran. Na eisers

vertrek is zijn vrouw nog twee maal ondervraagd.

Het bestreden besluit

2.1

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante

elementen:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2) afwending van de islam;

3) bekering tot het christendom;

4) ontdekking van de bijbel op het werk van eiser;

5) problemen naar aanleiding van de ontdekking van de bijbel.

Verweerder acht elementen 1 en 2 wel geloofwaardig en elementen 3, 4 en 5

ongeloofwaardig.

2.2

Omdat verweerder de bekering en de daaruit voortvloeiende problemen niet

geloofwaardig acht, heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van

artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw geweigerd en de aanvraag als

kennelijk ongegrond afgewezen.

De bekering tot het christendom

3.1

Verweerder heeft zijn oordeel dat eisers bekeringsrelaas ongeloofwaardig is onder

meer gebaseerd op het volgende. Verweerder trekt eisers kennismaking met het christelijk

geloof door zijn ontmoeting met jeugdvriend [de persoon] in twijfel. Verweerder acht niet

geloofwaardig dat [de persoon] eiser deelde in zijn christelijke geloof. Dat is niet plausibel omdat

[de persoon] en eiser elkaar gedurende de voorafgaande vijftien jaar niet hebben gesproken, eiser

hem in dat gesprek vertelde dat hij bij de Iraanse overheid werkt en dit gesprek in de

openbare ruimte plaatsvond. In het licht van de repressie door de Iraanse overheid en de

geringe interesse voor het christendom die eiser toen nog aan de dag legde, ziet verweerder

niet in waarom [de persoon] toen al zo’n risico nam door aan eiser zijn christelijk geloof prijs te

geven, hem uit te nodigen om een maand later met hem een clandestiene huiskerk te

bezoeken, daar eiser uitvoeriger te vertellen over zijn geloof en hem een bijbel te geven.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus voldoende gemotiveerd

dat eisers verklaring over zijn eerste kennismaking met het christelijk geloof niet

geloofwaardig is. Uit eisers verklaring volgt weliswaar dat [de persoon] wist dat eiser als kind

moeite had met het belijden van zijn geloof en van de strenge opvoeding, maar dat betekent

nog niet dat die wetenschap voor [de persoon] voldoende waarborg bood om eiser over een

dergelijk gevoelig onderwerp in vertrouwen te nemen en hem vervolgens mee te nemen naar

een huiskerk. Eiser had immers nog geen interesse in het christelijk geloof getoond en

werkte bij de overheid. Verweerder mocht in dat oordeel ook betrekken dat niet valt in te

zien dat [de persoon] nadien vanuit zijn evangeliseringsbehoefte niet vaker heeft geprobeerd om

met eiser af te spreken.

3.3

Daarnaast mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat eiser tegenstrijdig

heeft verklaard over zijn behoefte om zijn christelijk geloof openlijk te uiten. Eiser heeft

verklaard dat hij Iran heeft verlaten omdat hij naar een veilige plek wilde waar hij naar de

kerk kan gaan om luid uit te kunnen spreken dat hij van Jezus houdt. Eiser verklaarde ook dat een van zijn doelen is dat hij tegenover zijn landgenoten kan vertellen over het

christelijk geloof en dat het christelijk geloof het enige geloof is dat mensen kan verlossen.1

Eiser heeft daarentegen bevestigd dat hij in Iran nimmer in een kerk is geweest en een

kerkbijeenkomst heeft bijgewoond.2 Als je God wil aanbidden, zo verklaarde eiser, hoeft dat

niet op een bepaald tijdstip of locatie te zijn. Verweerder heeft aan die verklaring de

betekenis mogen hechten dat eiser er geen behoefte aan had om zijn geloof met anderen te

delen. Eiser heeft verder verklaard dat hij, behalve door af en toe de Bijbel te lezen, niets

heeft gedaan om zich te verdiepen in het christendom. Ook heeft hij geen noemenswaardige

inspanningen verricht om opnieuw met [de persoon] af te spreken om langs die weg de huiskerk

opnieuw te bezoeken en met andere christenen in contact komen om zijn geloof met hen te

belijden. Op de vraag of hij [de persoon] niet gewoon had kunnen vragen om af te spreken en het

dan over de bekering te hebben, heeft eiser slechts geantwoord dat daartoe geen gelegenheid

is geweest.3 Die verklaring hoefde verweerder, in het licht van de omstandigheid dat de

eerdere afspraak met [de persoon] moeiteloos tot stand kwam, niet van betekenis te achten. De

rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat angst hem ervan weerhield om

huiskerkbijeenkomsten te bezoeken, nu eiser dat in het nader gehoor niet als reden daarvoor

naar voren heeft gebracht en angst hem er kennelijk niet van weerhield om een bijbel op zijn

werk te lezen.

3.4

Verweerder mocht zich, wat er ook zij van wat eiser verder over zijn bekering heeft

verklaard, alleen al op grond van het bovenstaande op het standpunt stellen dat eiser een

diepgewortelde overtuiging ten aanzien van zijn bekering tot het christendom niet

aannemelijk heeft gemaakt. Een initiële kennismaking met een nieuw geloof dat men in het

land van herkomst niet mag belijden is van zo een wezenlijke betekenis dat, als die

kennismaking ongeloofwaardig wordt geacht, verweerder daaraan verregaande betekenis

mag toekennen voor de geloofwaardigheid van de algehele bekeringsrelaas. De gestelde

bekering bouwt immers op deze door eiser beschreven gebeurtenis voort. Daar komt bij dat

eiser, zoals hiervoor is overwogen, geen eenduidig inzicht heeft gegeven in zijn behoeften

die uit die bekering voortkwamen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarop in het

nader gehoor voldoende bevraagd en is hem voldoende ruimte geboden om daarover te

verklaren. Het was te verkiezen om de tegengeworpen tegenstrijdigheid in het nader gehoor

aan eiser voor te houden, maar eiser heeft in de correcties en aanvullingen, in de zienswijzen

en beroep daarop kunnen reageren.

3.5

Wat eiser overigens over zijn bekering heeft verklaard kan de ongeloofwaardigheid

van de initiële kennismaking en de discrepantie over de uiting van zijn geloof dan ook niet

compenseren. Wat verweerder over die overige verklaringen heeft geoordeeld en wat eiser

daartegen heeft aangevoerd hoeft dan ook geen bespreking.

Ontdekking van de bijbel op het werk van eiser

4.1

De beoordeling van de geloofwaardigheid van het relevant element ‘bekering’ kan

niet los worden gezien van de beoordeling van het relevante element ‘ontdekking van de

bijbel op het werk van eiser’. Door die ontdekking is eiser immers in de problemen geraakt

en heeft hij Iran verlaten.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft

gesteld dat eiser door op zijn werk bij een overheidsinstelling, waar van hem juist werd

verlangd een gelovig moslim te zijn, tijdens pauzes in een bijbel te lezen zich blootstelde

aan een reëel risico op ontdekking. Verweerder hoefde in de verklaring dat de bijbel in

krantenpapier was verpakt geen aanleiding te zien om het risico op ontdekking aanvaardbaar

of irreëel te achten. In het licht van eisers verklaring dat hij zich op zijn werk altijd heeft

ingespannen om zijn afvalligheid te verhullen, heeft verweerder terecht ongeloofwaardig

geacht dat eiser een risico heeft willen aanvaarden en in eisers bureau een bijbel is

gevonden.

Problemen naar aanleiding van de ontdekking van de bijbel.

5. Eiser heeft verklaard dat de problemen naar aanleiding van de ontdekking van de

bijbel bestaan uit de ondervragingen van zijn vrouw. Omdat verweerder zich op het

standpunt mocht stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat op zijn werk is ontdekt

dat hij daar een bijbel bewaarde, heeft verweerder de daaruit voorvloeiende problemen ook

ongeloofwaardig mogen achten.

Geloofwaardigheid asielrelaas

6. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder de bekering, de ontdekking van

de bijbel en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig mocht achten en heeft

om die reden terecht geen grond gezien om de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor

bepaalde tijd te verlenen.

Kennelijk ongegrond

7.1

Verweerder heeft eisers aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en

onder c, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser verweerder heeft

misleid door omtrent zijn identiteit en nationaliteit valste informatie en of documenten die

een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Verweerder heeft hieraan ten

grondslag gelegd dat hij bij aankomst bij de Nederlandse grens op Schiphol een vals

paspoort met valse personalia heeft getoond.

7.2

Eiser betwist dat sprake is van misleiding omdat hij direct na het tonen van het

valse paspoort zijn eigen, originele en echt bevonden identiteitsdocumenten heeft

overgelegd en asiel heeft aangevraagd.

7.3

Uit het proces-verbaal aanvraag asiel blijkt dat eiser bij aankomst bij de grens een

vals paspoort met valse personalia heeft getoond. Pas nadat bij de grensdoorlaatpost twijfel

was ontstaan over de echtheid van dat paspoort en eiser daarover werd verhoord, heeft eiser

zijn werkelijke identiteit opgegeven. Eiser betwist deze gang van zaken niet. In de uitspraak

van 1 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:955, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State overwogen dat een vreemdeling die zich bedient van een vals

verblijfsdocument en die valsheid, hoewel hij daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn,

achterhoudt, de staatssecretaris misleidt in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder

c, van de Vw. Verweerder mocht daarom toepassing geven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef

en onder c, van de Vw.

Conclusie

8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is

ongegrond. Omdat op het beroep is beslist is er geen aanleiding om een voorlopige

voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

In de zaak met nummer NL20.14750

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In de zaak met nummer NL20.14751

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van J.P. Braam,

griffier.

griffier rechter

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 2 september 2020.

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Rapport Nader gehoor, p. 11.

2 Rapport Nader gehoor, p. 34.

3 Rapport Nader gehoor, p.35.