Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9352

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
NL20.10900 en NL20.10901
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de afwijzing van de asielaanvraag van een familie uit Irak, met een ernstig ziek kind, wederom onvoldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.10900 en NL20.10901

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

v-nummer: [nummer 1]

en

[eiseres] , eiseres

v-nummer: [nummer 2]

mede namens hun minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] en

[minderjarige 2] ,

allen van Iraakse nationaliteit,

tezamen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 februari 2018 heeft verweerder de aanvragen van eisers tot

het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft in een uitspraak van 9 maart 2018,

zaaknummers NL18.2716 en NL18.2717, de beroepen van eisers gegrond verklaard, de

besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het door verweerder

ingestelde hoger beroep in een uitspraak van 20 februari 2016, met toepassing van artikel

91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongegrond verklaard en de uitspraak

op de beroepen bevestigd.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 mei 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de

aanvragen van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Eiser is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de taal Sorani is verschenen [de persoon] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

In deze zaak gaat het om een Koerdisch gezin, dat afkomstig is uit Tuz Kurmatu,

Irak. Tuz Kurmatu ligt tussen Baghdad en Arbil (Erbil), hoofdstad van de Koerdisch

Autonome Regio. Eisers hebben allen de Iraakse nationaliteit. Eisers zijn gehuwd en hebben

twee dochters, [minderjarige 1] (9 jaar) en [minderjarige 2] (5 jaar oud).

1.2

Eisers hebben aan hun asielaanvragen van 14 maart 2017 ten grondslag gelegd dat

zij Irak in 2017 hebben verlaten vanwege de algemene veiligheidssituatie in Tuz Khurmatu

als gevolg van de gevechten tussen de Koerden en de sjiitische militie, de Hashid Al Shabi.

Zij vreesden voor hun veiligheid. Daarnaast zijn eisers vertrokken vanwege de gezondheid

van dochter [minderjarige 2] . Zij kon in Irak niet de benodigde medisch zorg krijgen.

1.3

Bij [minderjarige 2] is psychomotore retardatie vastgesteld. Dit houdt in dat sprake is van een

algehele ontwikkelingsachterstand. Die ontwikkeling is na een epileptische aanval gestopt

toen zij 3 maanden oud was. Daarom loopt zij in de ontwikkeling van haar

bewegingsmogelijkheden en spraak en in sociaal emotionele ontwikkeling ver achter ten

opzichte van andere kinderen van haar leeftijd. Zij heeft een mogelijke gehoorstoornis en is

waarschijnlijk blind. Zij heeft regelmatig terugkerende, langdurige epileptische aanvallen,

krijgt sondevoeding en slaapt kort en onregelmatig. Uit onderzoek van het Universitair

Medische Centrum Groningen blijkt dat de retardatie het gevolg is van een genetische

afwijking. [minderjarige 2] is ongeneeslijk ziek. Haar situatie zal niet verbeteren. Medische

behandeling, die onder meer bestaat uit veelvuldige medicatie, dient ter bestrijding van de

symptomen. Vanwege deze situatie heeft [minderjarige 2] voortdurende intensieve zorg nodig.

1.4

Verweerder heeft aan [minderjarige 2] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op

medische gronden verleend. Aan de overige gezinsleden is een reguliere verblijfsvergunning

voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel uitoefening van gezinsleven op grond van artikel 8

van het EVRM1 verleend.

1.5

Verweerder heeft aanvankelijk Duitsland gevraagd om de behandeling van de

asielaanvragen over te nemen, omdat eisers met een door de Duitse autoriteiten afgegeven

visum de Europese Unie binnen zijn gekomen. Duitsland is met dit verzoek akkoord gegaan.

Bij besluit van 21 augustus 2017 zijn de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen

op grond van artikel 30, eerste lid, Vw. Met de uitspraak van deze rechtbank en

zittingsplaats Amsterdam, van 5 oktober 2017 (NL17.7336, NL17.7337, NL17.7338 en

NL17.7339) is het door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard. Verweerder heeft bij

brief van 17 oktober 2017 aan eisers kenbaar gemaakt dat zij worden opgenomen in de

nationale procedure.

1.6

De inhoudelijke behandeling van de aanvragen heeft geleid tot de door in de

uitspraak van 9 maart 2018 vernietigde besluiten. De rechtbank heeft die besluiten

vernietigd omdat, kort gezegd, verweerder bij de beoordeling of terugkeer naar Irak een

reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren niet alle relevante

omstandigheden heeft meegewogen. De rechtbank heeft daarom verweerder opgedragen om

een nieuw besluit te nemen waarin samengevat de volgende omstandigheden worden

betrokken:

- eisers zijn Koerden en afkomstig uit Tuz Khurmatu. Tuz Khurmatu is gelegen in de

provincie Salaheddin. Salaheddin werd door verweerder op het moment van vertrek van

eisers uit Irak aangemerkt als 15c-gebied, hetgeen betekent dat eisers enkel door hun

aanwezigheid daar een reëel risico liepen op ernstige schade;

- dochter [minderjarige 2] , van toentertijd slechts twee jaar oud, moet vanwege haar ernstige medische

situatie en de behandeling die zij als gevolg daarvan nodig heeft, worden gezien als een zeer

kwetsbaar persoon;

- het huis van eisers is afgebrand en zij hebben daardoor in tenten buiten de stad verbleven.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder in het licht van het op 28 juni 2011

door het EHRM gewezen arrest in de zaak ‘ [namen] ’ 2 de medische situatie van dochter

[minderjarige 2] niet (enkel) als los element kan zien met betrekking tot de vraag of aan eisers een

asielvergunning kan worden verleend. Verweerder kon daarom niet volstaan met het betoog

dat verlening van een verblijfsvergunning asiel niet mogelijk is op grond van medische

omstandigheden. Verweerder diende daarom te beoordelen of eisers gelet op alle

humanitaire omstandigheden die in hun specifieke situatie op dit moment spelen, in

aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

De bestreden besluiten

2.1

Verweerder heeft in het besluit op de aanvraag van eiser de volgende relevante

elementen onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- Koerdische etniciteit;

- gevechten tussen Koerden en de sjiitische militie, Hasd al Shaabi;

- waarschuwingsbrief van Asa’ib Ahl Al-Haq;

- medische situatie dochter.

In het besluit op de aanvraag van eiseres heeft verweerder de volgende elementen

onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- algemene veiligheidsituatie in Tuz Khurmatu;

- medische situatie van dochter [minderjarige 2] .

Verweerder heeft in beide besluiten de relevante elementen geloofwaardig geacht.

Verweerder heeft vervolgens in beide besluiten op dezelfde wijze getoetst of terugkeer naar

Irak leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM.

2.2

Verweerder ziet in de geloofwaardig geachte elementen geen grond om aannemelijk

te achten dat terugkeer naar Irak leidt tot een reëel risico op een onmenselijke behandeling..

De problematiek als in ' [namen] ' doet zich hier niet voor. Daarin werd immers, anders

dan in dit geval, een binnenlands vestigingsalternatief tegengeworpen. [namen] zouden ook in vluchtelingenkampen terechtkomen, wat in deze zaak niet het geval zal zijn.

Schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden doet

zich slechts in zeer uitzonderlijke situaties voor. In het geval van eisers is niet gebleken dat

zij bij terugkeer in een zodanig slechte humanitaire situatie terechtkomen dat een 3 EVRM

schending dreigt. De Koerdische etniciteit, de veiligheidssituatie en de medische toestand

van [minderjarige 2] zijn daarvoor onvoldoende. De vader heeft een middelbare schoolopleiding en

werkervaring. Met hulp van NGO's of derden moeten eisers zich kunnen handhaven. Van

een situatie van willekeur geweld als bedoeld in artikel 15 c van Richtlijn 2011/95/EU (de

Definitierichtlijn) is geen sprake meer. De medische situatie wordt bovendien getoetst aan

artikel 64. In zoverre is gewaarborgd dat uitzetting ondanks een medische situatie niet leidt

tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

De gronden van beroep

3. Volgens eisers maakt de situatie in Tuz Khurmatu terugkeer van dit gezin niet

mogelijk. De woning van eisers is verbrand. Nog steeds liggen huizen in puin. De werkplek

van eiser is vernield omdat eisers Koerden zijn. Maar weinig gevluchte Koerden zijn

teruggekeerd. De stad Tuz Khurmatu in de regio Salaheddin is de meest getroffen stad en

regio in Irak als gevolg van het dispuut tussen de Koerden en het Iraakse leger. IS maakt van

dit machtsvacuüm gebruik en ziet sinds eind maart 2020 de coronacrisis als een kans om

ongemerkt aan terrein te winnen in dit gebied met een enorme stijging aan aanslagen tot

gevolg. Onder die omstandigheid is het voor het gein niet mogelijk om [minderjarige 2] , die als

bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt, de verzorging te bieden die zij nodig heeft.

Terugkeer naar Irak houdt daarom een reëel risico op schending van artikel 3 van het

EVRM in.

De beoordeling

4.1

In de uitspraak van 9 maart 2018 heeft de rechtbank overwogen dat uit het arrest

[namen] kan worden afgeleid dat de gevolgen van uitzetting moeten worden afgezet

tegen de achtergrond van de algemene situatie en persoonlijke omstandigheden. Daarbij zijn

het algemeen risico, groepsrisico en individueel risico geen strak te onderscheiden

categorieën, maar is sprake van een glijdende schaal waarin alle omstandigheden moeten

worden meegewogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zaak op eenzelfde wijze moet

worden beoordeeld. Nu die uitspraak in hoger beroep is bevestigd, ziet de rechtbank geen

aanleiding om een andere toets aan te leggen.

4.2

In overweging 283 van het arrest [namen] heeft het EHRM ervoor gekozen om

de in het arrest ‘M.S.S. tegen België’ aangelegde toets toe te passen. Die toets hield in dat in

aanmerking moet worden genomen ‘the applicant's ability to cater for his most basic needs,

such as food, hygiëne and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his

situation improving within a reasonable time-frame'. De rechtbank zal nu beoordelen of

verweerder die toets op de juiste wijze heeft verricht en de uitkomst van die beoordeling

voldoende heeft gemotiveerd.

4.3

In de bestreden besluiten heeft verweerder overwogen dat indien de humanitaire

omstandigheden in een land veroorzaakt worden door opzettelijk handelen of nalaten van de

bij een conflict betrokken partijen, aan de hand van criteria neergelegd in het arrest M.S.S.

getoetst moet worden of een vreemdeling bij terugkeer naar dat land door humanitaire omstandigheden aldaar een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige

behandeling. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de

veiligheidssituatie in Tus Khurmatu, de Koerdische etniciteit van eisers en de medische

situatie van [minderjarige 2] daartoe onvoldoende zijn.

4.4

Niet in geschil is dat de algemene veiligheidssituatie in Tuz Khurmatu sinds het

vertrek van eisers is verbeterd en dat van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter

door hun aanwezigheid in het land van herkomst, een reëel risico lopen op ernstige schade

geen sprake meer is. Verder is niet in geschil dat Koerden niet tot de door verweerder in het

landgebonden beleid zijn aangewezen als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.

4.5

Een terugkeer naar Irak zou niet zonder meer een reëel risico op een met artikel 3

van het EVRM strijdige behandeling opleveren in een situatie waarin geen van de

gezinsleden kunnen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar persoon. Maar die situatie

doet zich hier niet voor. De situatie van dochter [minderjarige 2] vereist, nog afgezien van de al dan

niet in Irak beschikbare medische zorg, voortdurende intensieve zorg van haar ouders. Om

een bijzonder kwetsbaar persoon als [minderjarige 2] die zorg te kunnen bieden is een door de

autoriteiten gewaarborgde veilige en stabiele leefomgeving een voorwaarde.

4.6

Verweerder heeft slechts overwogen dat geen sprake is van een zogenoemde 15c-

situatie en dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt van uitsluiting van Koerden van

medische zorg. Daarmee heeft verweerder geen rekenschap gegeven van de door eisers

overgelegde nieuwsberichten en documentatie, waaronder een rapport van

14 december 2018 van het European Asylum Support Office (EASO), waaruit blijkt dat dat

de situatie allerminst veilig en stabiel is te noemen en dat sprake is van etnische spanningen.

Tuz Kurmatu is weliswaar in oktober 2017 in handen van Iraakse regeringstroepen

gekomen, maar ligt in het door de Koerdische Autonome Regio en Iraakse regering betwiste

gebied. Daarnaast deden volgens deze berichtgeving in 2018 nog (bom)aanslagen door IS

strijders op Iraakse veiligheidstroepen en burgers voor. Over de etnische spanningen

omschrijft het EASO rapport Tuz Khurmatu als ‘a city that has experienced ethnic conflicts

and violence for a long period of time, the current situation poses a vulnerable situation’.

Sinds het geweld in 2017 zijn maar weinig Koerden naar Tuz Khurmatu teruggekeerd.

Verweerder heeft niet aangevoerd dat deze berichtgeving niet langer actueel is.

4.7

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een volwassen man is en

dat hij een middelbare schoolopleiding heeft genoten. Volgens verweerder valt niet in te

zien dat hij en zijn gezin zich – eventueel met hulp van derden of van hulporganisaties – niet

zouden kunnen handhaven in Irak. In het licht van de feitelijke veiligheidssituatie in een

betwiste regio, de etnische spanningen, de omstandigheid dat het gezin niet over onderdak

beschikt en eiser geen werk heeft, schiet deze motivering te kort. Op basis van de enkele

aanname dat eisers al dan niet met hulp van derden voldoende zelfredzaam moet worden

geacht heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat zij onder die omstandigheden in staat

moet worden geacht om [minderjarige 2] te voorzien in de voor haar noodzakelijke bijzondere zorg.

Conclusie

5. De bestreden besluiten zijn onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de

rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de

aanvragen van eisers met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het

indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per

punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend,

moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van J.P. Braam,

griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 2 september 2020.

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.