Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9350

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
AWB 19/7468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging ten behoeve van verblijf bij broer en ouders in Nederland. Volgens verweerder is de identiteit van eiseres niet komen vast te staan. Op basis van het leeftijdsonderzoek op de Nederlandse ambassade in Addis Abeba, is de leeftijd van eiseres geschat op 18 tot 22 jaar, terwijl zij bij haar aanvraag had gezegd dat zij 14 jaar was. Het leeftijdsonderzoek bestond uit een interview en een leeftijdsschouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de leeftijdsschouw niet zorgvuldig plaatsgevonden, omdat niet is voldaan aan de vereisten vermeld in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Daarom mocht verweerder zijn besluit niet hierop baseren. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2018 heeft verweerder de namens eiseres ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

Wat ging aan het bestreden besluit vooraf?

1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en beoogt verblijf in Nederland bij haar broer (broer 1) en hun ouders. Broer 1 heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft een mvv nareis aangevraagd voor zijn broer (broer 2), ouders en eiseres. Omdat de nareisprocedure niet voorziet in mogelijkheden om broers en zussen te laten nareizen, is de aanvraag voor de ouders afgesplitst van de aanvraag voor eiseres en broer 2. Toen de moeder van eiseres een mvv heeft ontvangen, heeft verweerder haar als referent aangemerkt voor de aanvraag van eiseres en de aanvraag verder beoordeeld als een aanvraag voor een verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM.

1.1.

Verweerder heeft aanvrager bij brief van 28 februari 2018 meegedeeld dat zij de Nederlandse ambassade in Addis Abeba machtigt aan eiseres een mvv te verlenen.

Toen eiseres de mvv op de ambassade kwam ophalen, heeft op de ambassade een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden, bestaande uit een interview en een leeftijdsschouw. De bevindingen van het leeftijdsonderzoek zijn neergelegd in een (ongedateerd) rapport.

Op basis hiervan bestond twijfel over de door aanvrager opgegeven leeftijd van eiseres. Verweerder heeft daarop geconcludeerd dat de identiteit van eiseres niet is komen vast te staan. Gelet op de twijfel aan de leeftijd van eiseres heeft verweerder identificerende documenten bij eiseres opgevraagd en ontvangen.

Waarom is de mvv geweigerd?

2. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de identiteit van eiseres niet is aangetoond. Op basis van het leeftijdsonderzoek op de Nederlandse ambassade is de leeftijd van eiseres door drie medewerkers geschat op 18 tot 22 jaar.

Naar aanleiding van de bezwaren over het leeftijdsonderzoek heeft verweerder bij het bestreden besluit over de uitvoering hiervan een aanvullend rapport van 29 augustus 2019 gevoegd. Volgens verweerder heeft het onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden. Gelet hierop zorgen alleen de verklaringen van eiseres er niet voor dat de ontstane twijfel over haar identiteit wordt weggenomen. Omdat de identiteit niet is komen vast te staan, komt verweerder niet toe aan de beoordeling van de familierechtelijke relatie tussen eiseres, aanvrager en referent.

Wat is het standpunt van eiseres?

3. Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Daarom heeft verweerder ten onrechte ook niet beoordeeld of er gelet op artikel 8 van het EVRM een familierechtelijke relatie is. In dat verband betoogt eiseres dat het leeftijdsonderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op de bezwaargronden die hierover gaan. Ten eerste vindt eiseres de verwijzing naar een rapport ter aanvulling van de leeftijdsschouw onvoldoende. Dat rapport is meer dan een jaar na dato opgesteld. Verder blijkt hieruit dat de gesprekken niet apart van elkaar hebben plaatsgevonden. Dat had wel moeten gebeuren. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 mei 2019.1

Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geconcludeerd wordt tot evidente meerderjarigheid. Die conclusie is kennelijk slechts gebaseerd op het uiterlijk, maar niet toegelicht. Gelet hierop had aan eiseres DNA-onderzoek moeten worden aangeboden om haar identiteit vast te stellen, net zoals verweerder dat bij broer 2 heeft gedaan.

Wat blijkt uit het rapport van de leeftijdsschouw?

4. In het eerste (ongedateerde) rapport staat dat de leeftijdsschouw op 15 augustus 2018 is uitgevoerd door drie medewerkers. Twee medewerkers zijn van de Nederlandse ambassade in Addis Abeba (medewerker 1 en medewerker 2). De derde medewerker is werkzaam bij de IND (medewerker 3) en zij heeft ook het interview afgenomen. Vermeld is dat bij de beoordeling het uiterlijk, het gedrag, de verklaringen en andere relevante omstandigheden zijn betrokken.

Over het uiterlijk vermeldt het rapport:

“Op basis van de uiterlijke kenmerken lijkt betrokkene ouder dan 14 jaar. Betrokkene ziet er niet uit als een puber van 14 jaar maar als een jongvolwassen dame.”

Verder staat er het volgende:

“Het gedrag: Betrokkene heeft geen gedrag vertoond waaruit kan worden afgeleid dat zij jonger of ouder zou zijn dan haar gestelde leeftijd. Wel wordt opgemerkt dat betrokkene verlegen overkomt.

De verklaringen: De verklaringen over de schoolperiode van betrokkene kloppen met de gestelde leeftijd. Wat opvallend is dat haar moeder laat begonnen is met kinderen en dat betrokkene niet weet wat een gebruikelijke leeftijd is om kinderen te krijgen.

Andere relevante omstandigheden: De leeftijd van de ouders van betrokkene volgens de ID-kaarten.”

Op basis van de schouw schatten medewerker 1 en medewerker 3 de leeftijd van eiseres tussen 18 en 22 jaar, medewerker 2 schat deze rond de 20 jaar.

Wat blijkt uit het aanvullend rapport?

4.1.

In het aanvullend rapport van 29 augustus 2019 heeft medewerker 3 de gang van zaken bij de leeftijdsschouw beschreven. Zij vermeldt dat er twee sessies hebben plaatsgevonden. De eerste sessie hield het interview in dat zij met eiseres heeft gehouden. Tijdens de tweede sessie hebben medewerker 1 en medewerker 2 (ongeveer gelijke) vragen gesteld. Medewerker 3 beschrijft de tweede sessie als volgt:

“Tijdens deze sessie was ik aanwezig in de kamer van het interview. Ik heb [medewerker 1 en medewerker 22] voorgesteld aan de vreemdeling maar me verder afwezig gehouden van de vragen. [Medewerker 1 en medewerker 2] zijn de kamer uitgegaan en ik heb nog enkele afsluitende vragen gesteld aan de vreemdeling. Vervolgens heb ik aan [medewerker 1 en medewerker 2] gevraagd om een schatting te maken en te motiveren hoe ze tot deze schatting komen. Dit is apart van elkaar gebeurd en er heeft geen overleg plaatsgevonden. Ik heb de schattingen van [medewerker 1 en medewerker 2] opgenomen in het verslag. In het verslag heb ik een samenvatting gemaakt van de punten die genoemd werden door [medewerker 1 en medewerker 2], en die mijzelf waren opgevallen ten aanzien van het uiterlijk, gedrag, verklaringen en overige relevante zaken.”

Heeft de leeftijdsschouw zorgvuldig plaatsgevonden?

5. Tussen partijen is niet in geschil dat een leeftijdsschouw zorgvuldig moet plaatsvinden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij bij de uitvoering van de leeftijdsschouw het beleid over de leeftijdsschouw bij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel analoog heeft toegepast. Dat beleid is neergelegd in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierin stond ten tijde van de aanvraag dat de medewerker(s) belast met de grensbewaking of het toezicht en de medewerker(s) van de IND onafhankelijk van elkaar beoordelen of er sprake is van evidente meerder- of minderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en verklaringen van de vreemdeling. Verder was vermeld dat de ambtenaren de vreemdeling apart van elkaar zien en elk een eigen conclusie trekken.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de tekst van paragraaf C1/2.2 van de Vc 2000 inmiddels is aangepast. In de gewijzigde tekst is over de leeftijdsschouw vermeld dat deze bestaat uit twee sessies:

- één sessie met één ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en één sessie met twee medewerkers van de IND, dan wel;

- één sessie met twee ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht

op vreemdelingen en één sessie met één medewerker van de IND.

Er staat verder dat de medewerkers per sessie onafhankelijk van de andere sessie beoordelen of er sprake is van evidente meerder- of minderjarigheid. Per sessie zien de ambtenaren de vreemdeling apart van de andere sessie en elke sessie trekt een eigen conclusie.

5.1.

In dit geval staat vast dat de twee medewerkers van de ambassade en de medewerker van de IND de leeftijdsschouw tijdens de tweede sessie niet apart van elkaar hebben verricht. Dat medewerker 3 in het aanvullend rapport heeft aangegeven dat zij zich tijdens de tweede sessie niet heeft bemoeid met de vragen en dat de ambassade-ambtenaren zonder overleg met elkaar hun eigen conclusie hebben getrokken, verandert niks aan het feit dat de ambtenaren van de ambassade en de ambtenaar van de IND eiseres niet apart en onafhankelijk van elkaar hebben gesproken. Er is niet voldaan aan het vereiste in paragraaf C1/2.2 van de Vc 2000, zowel onder het oude als onder het nieuwe beleid. De rechtbank verwijst ter ondersteuning van dit oordeel naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2019. Deze beroepsgrond slaagt.

5.2.

Over de inhoudelijke beoordeling van de meer- of minderjarigheid is in paragraaf C1/2.2 van de Vc 2000 bepaald dat daarbij het uiterlijk, het gedrag, de verklaringen en eventuele andere relevante omstandigheden van de vreemdeling worden betrokken.

De rechtbank stelt vast dat de conclusie “evidente meerderjarigheid” in het rapport slechts is gebaseerd op grond van uiterlijke kenmerken van eiseres. Welke kenmerken dat zijn, is niet aangegeven. Ter zitting heeft verweerder hierover toegelicht dat dit bij vrouwen vooral is gebaseerd op de uiterlijke verschijning en dat dit bij mannen veel gemakkelijker is te omschrijven, zoals een adamsappel, baardgroei en dergelijke. Verweerder heeft ter zitting verder erkend dat het gedrag, de verklaringen en de andere relevante omstandigheden, in dit geval volgens het eerste rapport de leeftijd van de ouders van eiseres volgens de ID-kaarten, geen motivering kunnen vormen voor de conclusie.

Om de hiervoor vermelde redenen is de conclusie “evidente meerderjarigheid” naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

Wat betekent dit voor het bestreden besluit?

6. Het voorgaande betekent dat verweerder er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit is gegaan dat de leeftijdsschouw zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Daarom mocht verweerder zijn besluit niet hierop baseren. Met andere woorden: de leeftijdsschouw biedt geen grond voor de twijfel over de leeftijd van eiseres en ook geen grond om bij eiseres nadere identificerende documenten op te vragen. Dat betekent ook dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat alleen de verklaringen van eiseres er niet voor zorgen dat de ontstane twijfel over haar identiteit wordt weggenomen. Te meer, omdat niet in geding is en in het aanvullend rapport ook staat dat de verklaringen van eiseres over de schoolperiode kloppen met de gestelde leeftijd.

6.1.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Omdat verweerder geen standpunt heeft ingenomen over de vraag hoe de beoordeling van de identiteit uitvalt zonder de resultaten van de leeftijdsschouw, moet verweerder dit opnieuw beoordelen. Of aan eiseres DNA-onderzoek moet worden aangeboden, is eveneens ter beoordeling aan verweerder. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Ten overvloede gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder binnen een redelijke termijn in ieder geval aan eiseres laat weten of, en zo ja, welk nader onderzoek zal plaatsvinden.

Kostenveroordeling

7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die betalen. De kosten worden als volgt berekend. Eiseres heeft zich in beroep laten bijstaan door een gemachtigde. De gemachtigde heeft drie proceshandelingen verricht: het indienen van een bewaarschrift, het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Deze proceshandelingen leveren ieder één punt op met een waarde van € 525,-. Toegekend wordt € 1.575,-.

Verder moet verweerder aan eiseres het griffierecht van € 174,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;

- draagt verweerder op € 174,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het

betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 september 2020

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2019:1510.

2 De rechtbank heeft de namen van de medewerkers uit dit citaat verwijderd en vervangen door de aanduiding ‘medewerker 1’ en ‘medewerker 2’.