Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9331

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
NL20.14261
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Syrisch gezin. Statushouders Griekenland. Geldigheid verblijfsstatus. Actualiteit informatie. Toegang tot noodzakelijke voorzieningen. Tijdsverloop. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14261


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiser, en

[Naam 2] , V-nummer: [V-nummer 2], eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen [Naam 3], [Naam 4] en [Naam 5]

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).


Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL20.14262, plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Eiser en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Gorges. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser en eiseres stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1989 en [geboortedatum 2] 1996 en de Syrische nationaliteit te bezitten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Volgens verweerder hebben eisers al internationale bescherming in Griekenland. Daarbij wijst verweerder op de brief van de Griekse autoriteiten van 12 april 2019.

3. Op wat eisers daartegen aanvoeren wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eisers voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij nog internationale bescherming hebben in Griekenland. Volgens eisers kan niet worden uitgesloten dat de daar aan hen toegekende vluchtelingenstatus inmiddels is ingetrokken nu zij al geruime tijd niet meer op Grieks grondgebied verblijven.

5. De rechtbank stelt vast dat uit de voornoemde brief van de Griekse autoriteiten blijkt dat aan eisers de vluchtelingenstatus is verleend, geldig tot 6 februari 2020, maar ook dat aan elk van hen een vluchtelingenpaspoort (TDV: titre de voyage) is uitgereikt, geldig tot 4 december 2022 (eiser en eiseres), 4 december 2020 ([Naam 3] en [Naam 4]) en 6 februari 2021 ([Naam 5]). Hieruit blijkt dat eisers op legale wijze Griekenland weer kunnen inreizen. Daarnaast geldt op grond van vaste jurisprudentie dat het eindigen van een verblijfstitel nog niet betekent dat er geen aanspraak meer bestaat op internationale bescherming. De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484. In het geval van eisers is niet gebleken dat de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus daadwerkelijk is ingetrokken.

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het enkele feit dat verweerder heeft verwezen naar rechterlijke uitspraken waarin is uitgegaan van recentere informatie, nog niet volgt dat de voornoemde brief van de Griekse autoriteiten onvoldoende actueel was ten tijde van het bestreden besluit. Uit de jurisprudentie blijkt weliswaar dat verweerder moet uitgaan van actuele informatie, maar niet precies wanneer informatie niet langer als actueel kan worden bestempeld. In dit geval heeft verweerder zich niet slechts gebaseerd op een Eurodac-resultaat, maar op een brief van de Griekse autoriteiten waaruit expliciet blijkt dat aan eisers vluchtelingenpaspoorten zijn uitgereikt die op het moment van het bestreden besluit nog geldig waren.

7. Eisers voeren verder aan dat zij niet kunnen terugkeren naar Griekenland omdat er onvoldoende garantie is dat zij toegang zullen krijgen tot de noodzakelijke voorzieningen. Daarbij wijzen eisers op het bericht ‘Residence permit Greece’ van AIDA (niet gedagtekend).

8. De Afdeling heeft laatstelijk op 17 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1382) herbevestigd dat de situatie voor statushouders in Griekeland weliswaar moeilijk is, maar niet zodanig dat van hen niet kan worden verwacht om terug te keren. Eisers hebben met de verwijzing naar het bericht van AIDA niet aannemelijk gemaakt dat nu anders moet worden geoordeeld. Uit het bericht blijkt dat een aanvraag voor verlenging van de vluchtelingenstatus die na afloop van de aanvankelijke geldigheidsduur is ingediend niet automatisch zal leiden tot een afwijzing. Verder blijkt slechts dat de duur van de procedure voor het verkrijgen van verlenging in een aantal gevallen langer duurt dan de periode van geldigheid van het bewijs van aanvraag, en dat de houders van laatstgenoemde documenten obstakels ervaren bij de toegang tot sociale voorzieningen. Echter blijkt niet waaruit die obstakels precies bestaan en in hoeveel gevallen deze zich voordoen.

9. Ten slotte wijzen eisers op het tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de asielaanvragen en het bestreden besluit. Ook de rechtbank acht dit betreurenswaardig. Eisers duiden in beroep echter niet wat de betekenis van dit gegeven zou moeten zijn voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid vanmr. A.S. Hamans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.