Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9330

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
NL20.12774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft herhaalde asielaanvraag van Yezidi uit Irak, geen nieuwe elementen of bevindingen, beroep ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12774


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).


Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020, samen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.12775. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder zijn [naam] en als tolk A. Kiliç Zengin verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is Yezidi en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] en stelt afkomstig te zijn uit Bozan, district Al-Qosh, in Centraal Irak.

1.1

Eiser vraagt op 14 april 2008 asiel aan. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij Irak moest verlaten vanwege zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger op de basis Fawdj 5 te Hadr. Hij heeft twee dreigbrieven ontvangen waarin hij met de dood is bedreigd. Daarnaast zijn twee collega’s, ook Yezidi’s, gedood. Dit was voor hem reden om zijn land te verlaten. Bij besluit van 13 februari 2009 wijst verweerder deze aanvraag af omdat hij eisers relaas niet geloofwaardig vindt en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt uit Centraal-Irak afkomstig te zijn. De overgelegde verklaringen van personen met een verblijfstatus in Nederland die verklaren eiser te kennen en bevestigen dat hij uit Centraal-Irak komt, zijn volgens verweerder geen objectief verifieerbare bewijzen. Bovendien blijkt uit de taalanalyse dat eiser eenduidig uit Noord-Irak komt. Dit wegens zijn beperkte beheersing van het Arabisch. De overgelegde contra-expertise weerlegt de conclusie van de taalanalyse niet. Verweerder neemt wel eisers identiteit en nationaliteit aan en dat hij Yezidi is. Bij uitspraak van 2 april 2010, AWB 09/7205, verklaart deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, eisers beroep ongegrond. Bij uitspraak van 28 december 2010 op het hoger beroep van eiser bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze uitspraak van de rechtbank. Daarmee komt het besluit van 13 februari 2009 vast te staan.

1.2

Voor de uitspraak van de Afdeling dient eiser op 28 juni 2010 een tweede asielaanvraag in. Om te bewijzen dat hij uit Bozan in Centraal-Irak komt, legt eiser originele identiteitskaarten van zijn moeder en twee zussen, de geboorteakten van zijn zusters en van hemzelf, een woonakte en een verklaring van een geestelijk leider van de Yezidi’s over. Verder stelt hij dat Yezidi’s in Irak een kwetsbare minderheid zijn en dat er aanslagen op hun worden gepleegd. Verweerder wijst deze aanvraag tweemaal af, maar de Afdeling vernietigt deze twee besluiten bij uitspraken van 21 december 2012, 201112087/1/V2, respectievelijk 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2786. Bij besluit van 18 maart 2016 wijst verweerder de aanvraag opnieuw af omdat eiser zijn gestelde herkomst uit Centraal-Irak niet aannemelijk maakt. Enkel Yezidi’s uit Centraal- en Zuid-Irak merkt verweerder aan als kwetsbare minderheidsgroep. Ook heeft eiser volgens verweerder niet onderbouwd dat hij geen veilige opvang zal kunnen vinden en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in heel Irak sprake is van een 15c-situatie. Bij uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6779, verklaart deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, eisers beroep ongegrond. Bij uitspraak van 5 januari 2017, 201606573/1/V2, op het hoger beroep van eiser bevestigt de Afdeling deze uitspraak van de rechtbank. Daarmee komt het besluit van 18 maart 2016 vast te staan.

1.3

Nog voor de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012 dient eiser op 28 maart 2012 een derde asielaanvraag in. Eiser legt een gelegaliseerd uittreksel uit het geboorteregister over en een brief van de Iraakse ambassade van 16 februari 2012. Verder doet hij onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van Irak van december 2011, het Human Rights Watch-rapport van februari 2011 en een uitspraak van 16 september 2011 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (AWB 11/28098), een beroep op de verslechterde situatie van Yezidi’s in Irak. Ook stelt eiser over de taalanalyse dat er geen ‘crosschecks’ zijn gedaan en over taalanalist Sorani 3 dat deze beter moet worden gecontroleerd. Bij besluit van 5 april 2012 wijst verweerder de aanvraag af omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. Bij uitspraak van 27 april 2012, Awb 12/11680, verklaart deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, eisers beroep ongegrond. Bij uitspraak van 14 augustus 2012, 201204632/1/V4, op het hoger beroep van eiser bevestigt de Afdeling deze uitspraak van de rechtbank. Daarmee komt het besluit van 5 april 2012 vast te staan.

1.4

Terwijl nog niet opnieuw is beslist op de aanvraag van 28 juni 2010 dient eiser op 10 september 2014 een vierde asielaanvraag in. Hij voert nogmaals aan dat hij uit Centraal-Irak komt en de veiligheidssituatie is verslechterd. Bij besluit van 12 september 2014 wijst verweerder deze aanvraag af. Bij uitspraak van 27 november 2014, AWB 14/20905, verklaart deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond. Bij uitspraak van 31 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2859, verklaart de Afdeling het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk.

1.5

Op 30 maart 2015 vraagt eiser voor de vijfde keer asiel. Hij doet een beroep op het op 17 oktober 2014 ingestelde besluit- en vertrekmoratorium voor Centraal-Irak. Bij besluit van 1 april 2015 wijst verweerder deze aanvraag af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Bij uitspraak van 21 april 2015, AWB 15/6802, verklaart deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep ongegrond. Bij uitspraak van 31 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2861, verklaart de Afdeling het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk.

1.6

Op 3 september 2018 dient eiser zijn zesde asielaanvraag in. Bij besluit van 10 december 2018 stelt verweerder deze aanvraag buiten behandeling omdat hij incompleet is.

1.7

Op 23 januari 2019 dient eiser zijn huidige en zevende asielaanvraag in.

2. Eiser brengt niet bij zijn aanvraag en ook niet in het opvolgend gehoor of in de correcties en aanvullingen nieuwe elementen of bevindingen naar voren. In het opvolgend gehoor verklaart eiser dat hij al elf jaar in Nederland is en nog steeds niet weet waar hij aan toe is. Hij is Yezidi, komt uit het dorp Bozan, district Al-Qosh in Irak en de situatie van Yezidi’s is verslechterd. Verweerder kan zich in het voornemen dan ook op het standpunt stellen dat deze aanvraag niet-ontvankelijk is. Eerst in de zienswijze van 19 mei 2020 doet eiser beroep op nieuw beleid dat inhoudt dat Yezidi’s uit Centraal-Irak een kwetsbare minderheidsgroep zijn. In de aanvullende zienswijze en in beroep stelt eiser ook de taalanalyse ter discussie waaruit is geconcludeerd dat hij uit Noord-Irak komt. De conclusie dat eiser niet uit Centraal-Irak komt omdat hij slechts beperkt Arabisch beheerst, kan volgens eiser niet in stand blijven omdat deze slechts een op eigen wetenschap gebaseerde mening is van de taalanalist SOR 3. Uit meerdere bronnen - eiser overlegt e-mailwisselingen met [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] - blijkt dat Yezidi’s die geen opleiding hebben gevolgd of die uit een afgelegen dorp komen mogelijk alleen Koerdisch en geen Arabisch spreken. Eiser wijst ook op een artikel uit de Financial Times van 29 januari 2016 waarin staat dat Yezidi’s slecht Arabisch spreken en een artikel van Alashid van augustus 2017. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder in vergelijkbare zaken (de zaken A en B) toch een verblijfsvergunning heeft verleend, terwijl taalanalist SOR 3 concludeert dat de betrokken vreemdelingen vanwege hun beperkte beheersing van het Arabisch niet afkomstig zijn uit Centraal-Irak. Tot slot voert eiser aan dat hij heeft vernomen dat verweerder geen gebruik meer maakt van taalanalist SOR 3 en zijn conclusies.

3. In het bestreden besluit handhaaft verweerder het standpunt dat eiser niet afkomstig is uit Centraal-Irak onder verwijzing naar de taalanalyse van 18 juli 2008, het weerwoord van Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal; TOELT) van 2 oktober 2009 en dat van 17 juni 2020. Eiser heeft volgens verweerder geen nieuwe elementen of bevindingen aangevoerd die tot een heroverweging leiden van de eerder genomen besluiten.

4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder niet langer kan uitgaan van de conclusie uit de door taalanalist SOR 3 verrichte taalanalyse uit 2008 dat eiser niet uit Centraal-Irak komt omdat hij een gebrekkige kennis heeft van het Arabisch. De rechtbank overweegt dat TOELT in het weerwoord van 17 juni 2020 uitlegt dat van eiser, gezien zijn leeftijd, verwacht mag worden dat hij Arabisch spreekt als hij uit Centraal-Irak komt. TOELT geeft ook aan dat er wel een verband is tussen opleiding en gebrek aan lees- en spreekvaardigheid in het Arabisch, maar dat de spreekvaardigheid van het Arabisch niet direct afhankelijk is van het opleidingsniveau; spreekvaardigheid verwerft men primair in de (buitenschoolse) sociale omgang. Bovendien verklaart eiser zelf dat hij vier jaar lagere school heeft gevolgd. Ook kan de herkomst uit een afgelegen dorp een rol spelen, maar eiser stelt uit Al-Qosh te komen, dat in een vlakte tussen de grotere steden Duhok en Mosul ligt. Gezien deze toelichting van TOELT, dat deskundig is op dit gebied, heeft verweerder in de door eiser overgelegde stukken geen aanleiding hoeven zien om niet langer uit te gaan van de juistheid van de conclusie van de taalanalyse uit 2008.

5. Eiser voert ook aan dat verweerder niet langer het standpunt handhaaft dat een vreemdeling uit Centraal-Irak actieve kennis van het Arabisch moet hebben - hij noemt dit de SOR 3-doctrine - en wijst daarbij op de zaken A en B. Daarin hebben Yezidi’s die stellen uit Centraal-Irak te komen en geen Arabisch spreken een verblijfsvergunning gekregen. Eiser heeft in beroep nog twee zaken genoemd waarin aan Yezidi’s die geen Arabisch spreken een verblijfsvergunning is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder terecht dat eiser niet heeft aangetoond dat de genoemde zaken gelijk zijn aan zijn zaak en dat daarin geen andere relevante elementen spelen die reden zijn geweest voor inwilliging van de aanvragen. Uit die zaken valt dus niet af te leiden dat verweerder zijn standpunt over het spreken van Arabisch heeft verlaten; wat verweerder zelf ook ontkent. Omdat eiser niet heeft aangetoond dat het om gelijke gevallen gaat, kan hij ook geen beroep doen op een gelijke behandeling.

6. Eiser stelt ook dat hij heeft gehoord dat verweerder niet langer gebruik maakt van taalanalist SOR 3 en dat verweerder diens conclusies dus niet langer volgt. Verweerder weerspreekt dit en verklaart dat taalanalist SOR 3 nog altijd voor hem werkt en dat hij zijn conclusies gebruikt en als betrouwbaar ziet.

7. [naam] heeft ter zitting verklaard dat zij geen Arabisch spreekt maar dat haar wel een verblijfsvergunning is verleend. Zij is een van de onder 5 besproken zaken. Nu echter niet is aangetoond dat haar zaak gelijk is aan die van eiser, kan haar verklaring eiser niet baten. Hetgeen zij verder heeft verklaard laat de rechtbank buiten beschouwing nu eiser deze verklaring pas ter zitting heeft ingebracht en bovendien niet heeft toegelicht op welke punten deze verklaring zijn aanvraag onderbouwt.

8. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan deze aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Van bijzondere, op eisers individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vreemdelingenwet 2000 die maken dat de rechtbank het bestreden besluit moet toetsen als ware het een eerste afwijzing, is niet gebleken. Verweerder heeft de aanvraag in redelijkheid niet-ontvankelijk verklaard.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.O.L. Chung A Hing, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.