Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
NL20.13602
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser, van Iraakse nationaliteit, opvolgende asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, gestelde problemen in Irak niet geloofwaardige, vogelvrij, problemen door partner en kinderen in Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13602


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).


Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13603, plaatsgevonden op 14 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 2] , de partner van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 5 augustus 2008 een asielaanvraag ingediend als [naam 1] , geboren [geboortedatum 1] , van Iraakse nationaliteit. Bij besluit van 27 april 2010 is deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de uitspraak op 26 augustus 2011 bevestigd, waarmee het besluit van 27 april 2010 in rechte vaststaat.

2. Eiser heeft op 29 september 2017 een opvolgende asielaanvraag ingediend (de aanvraag). Hij stelt nu [naam 3] te zijn, geboren op [geboortedatum 2] en van Iraakse nationaliteit. Aan de aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij eind 2013 problemen heeft gekregen met zijn familie, nadat hij hen over zijn partner en kinderen in Nederland heeft verteld. Hij is daardoor vogelvrij verklaard in Iran en Irak. Verder heeft hij verklaard dat hij afvallig is van de islam en dat hij om die reden bij terugkeer vreest voor zijn leven.

3. Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond2. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 22 november 2019 gegrond verklaard3, omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de vogelvrijverklaring van eiser in Iran en Irak ongeloofwaardig is.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser gevolgd, nadat eiser een echt bevonden Iraaks paspoort had overgelegd. Verweerder gelooft niet dat eiser vogelvrij is verklaard, met name omdat hij hierover onvoldoende heeft weten te verklaren. Verweerder acht evenmin geloofwaardig dat eiser zich heeft afgewend van de islam, omdat hij geen inzicht heeft gegeven in het door hem doorgemaakte proces naar afvalligheid. Het eerder aan eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod geldt nog, nu niet is gebleken dat eiser aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan.

Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

5. Vaststaat dat eiser tijdens zijn eerdere asielprocedure niet de waarheid heeft gesproken over zijn ware identiteit. Eveneens staat vast dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn huidige asielrelaas te onderbouwen. Het is dan ook aan eiser om met zijn verklaringen zijn relaas aannemelijk te maken.

vogelvrijverklaring

6. Volgens eiser is hij door zijn familie vogelvrij verklaard nadat hij hen had verteld over zijn buitenhuwelijkse relatie met een christelijke Nederlandse vrouw en zijn daaruit geboren kinderen. Verweerder heeft in dit verband kunnen overwegen dat eiser vaag en summier heeft verklaard. Zo heeft hij niet verteld wanneer hij zijn broer heeft verteld over zijn partner en kinderen en wat er verder tijdens dat telefoongesprek naar voren is gekomen. Ook heeft eiser vaag en summier verklaard over zijn gestelde pogingen om de problemen met zijn familie op te lossen4. Terecht heeft verweerder genoemd dat eiser een opvolgende aanvraag heeft ingediend en dat daarom van hem verwacht mag worden dat zijn verklaringen op dit punt specifieker en uitgebreider zouden zijn. Dat eiser niet weet wat hij meer had kunnen en moeten verklaren, maakt niet dat hij - met deze summiere informatie -aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens dat ene telefoongesprek met zijn broer vogelvrij is verklaard.

7. Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op de door eiser afgelegde tegenstrijdige verklaringen over wanneer het contact met zijn familie is verbroken. Zo heeft eiser enerzijds gezegd dat hij geen contact meer heeft sinds het gestelde telefoongesprek5 en anderzijds heeft hij verklaard dat hij na het overlijden van zijn vader in 2017 nog contact met zijn oom heeft gehad6.

8. Verweerder heeft het verder bevreemdingwekkend kunnen vinden dat eiser jaren na aanvang van zijn relatie de keuze heeft gemaakt zijn gesteld extremistische familie te vertellen over zijn christelijke partner, zijn kinderen en de vrije manier van opvoeden van zijn kinderen. Verweerder heeft terecht gewezen op het ambtsbericht7 waaruit blijk dat bekeerlingen zulke wijzigingen in het leven liever geheim houden8. Eiser heeft niet kunnen uitleggen waarom hij desondanks de noodzaak voelde zijn grote geheim met zijn familie te delen, temeer daar hij zich bewust was van de mogelijk immense gevolgen. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen vinden dat eiser ook heeft verklaard dat zijn geloof een persoonlijke kwestie is en dat hij dit met niemand bespreekt9. Verweerder heeft niet hoeven volgen dat eiser afkomstig is uit een streng gelovig of zelfs extremistisch islamitisch gezin. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser als jongvolwassene ondanks zijn niet-praktiserende levenswijze nog problemen heeft gehad met zijn familie. Verweerder heeft ter zitting nog toegelicht dat eiser met zijn verklaringen tijdens de eerdere asielprocedure een beeld heeft geschetst van een veel tolerantere familie.

9. De door eiser in beroep overgelegde stukken illustreren de niet streng religieuze, christelijke achtergrond van de partner van eiser en de wijze waarop hun kinderen worden opgevoed. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat eiser weliswaar wordt gevolgd in zijn gestelde leefwijze in Nederland, maar dat hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij – ook gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – hierdoor bij terugkeer in Irak in de problemen zal komen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn vogelvrijverklaring niet ten onrechte als ongeloofwaardig aangemerkt.

Afvalligheid

11. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook voldoende gemotiveerd waarom niet wordt geloofd dat eiser zich daadwerkelijk heeft afgewend van de islam en daarom problemen zal ondervinden bij terugkeer naar Irak.

12. Allereerst heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij eerst bij deze aanvraag stelt afvallig te zijn, terwijl hij zegt dat hij al op 10-jarige leeftijd ontdekte dat hij van binnen niet geloofde10 en ook heeft verklaard dat hij nooit heeft geloofd11. Verweerder heeft terecht gewezen op de tegenstrijdigheid met zijn verklaringen tijdens de eerdere asielprocedure waarin hij heeft verklaard dat hij moslim was, maar niet praktiserend. De enkele uitleg in beroep dat eiser van huis uit moslim is, neemt deze tegenstrijdigheid niet weg.

13. Verweerder heeft voorts terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wie van zijn ongelovigheid op de hoogte was. Zo heeft eiser verklaard dat alleen zijn partner weet dat hij niet gelooft en verder niemand. Later heeft hij verklaard dat hij zijn familie wel heeft verteld dat hij geen geloof meer heeft12 en weer later heeft hij verklaard dat hij niet letterlijk zijn familie heeft verteld dat hij de islam de rug toe heeft gekeerd13. Dat het rapport aanvullend gehoor niet met zijn gemachtigde is besproken en op dit punt ten onrechte geen correcties en aanvullingen zijn ingediend, komt voor rekening van eiser.

14. Verweerder heeft ook kunnen overwegen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces om zich van de islam af te keren. Zo heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe het mogelijk is dat hij al op 10-jarige leeftijd een andere visie had dan zijn

– gesteld streng islamitische – omgeving. De enkele opmerking dat hij niet weet hoe het komt en dit in hem is geboren, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden. Dat eiser dromen had die ertoe hebben geleid dat hij uiteindelijk op 17-jarige leeftijd het geloof de rug toe heeft gekeerd14 heeft verweerder kunnen beschouwen als onvoldoende concreet. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging van zijn afkeer van de islam. Daarbij heeft verweerder terecht meegewogen dat eiser weliswaar als moslim is geboren en opgegroeid, maar dat volgens eisers verklaringen nooit sprake is geweest van een bewuste en persoonlijke overtuiging tot de islam te behoren.

15. Het enkele feit dat eiser een relatie heeft met een Nederlandse, christelijk georiënteerde vrouw en met haar hun kinderen vrij opvoedt, maakt niet dat eiser op voorhand als afvallige wordt aangemerkt. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat hij zich openlijk afkeert van de islam en hierdoor heeft te vrezen voor zijn familie. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder ook niet geloofd dat eiser afkomstig is uit een streng gelovig gezin. Verweerder heeft ter zitting in dit verband nog terecht gewezen op de verklaring van eiser dat het geloof voor hemzelf is en dat hij dit niet met anderen bespreekt.

Kennelijk ongegrond

16. Nu eiser bij zijn eerdere asielaanvraag niet de waarheid heeft gesproken over zijn identiteit én een opvolgende aanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard15, heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

17. Voor zover eiser heeft betoogd dat het terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte van kracht blijven, overweegt de rechtbank het volgende. Tegen eiser is bij het besluit van 27 april 2010 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit besluit staat in rechte vast. Tevens is hem een inreisverbod opgelegd. Nu verweerder de asielaanvraag van eiser in deze zaak heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en g, van de Vw en niet is gebleken dat eiser aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan, zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod nog immer van kracht16. In de omstandigheid van eiser dat hij in Nederland een gezin heeft, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser een vertrektermijn te gunnen of om af te zien van het inreisverbod. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat voor zover eiser in aanmerking wenst te komen voor een reguliere verblijfsvergunning hij een daartoe strekkende aanvraag zal moeten indienen.

18. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

19. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en g, van de Vw

3 ECLI:NL:RBDHA:2019:14374

4 verslag gehoor opvolgende aanvraag van 29 september 2017, p. 4 van 10

5 verslag aanvullend gehoor van 10 januari 2018, p. 10 van 16

6 verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 6 van 10

7 Algemeen Ambtsbericht Irak van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van december 2019

8 Ambtsbericht, p.43 van 80

9 verslag aanvullend gehoor, p. 9 van 16

10 verslag aanvullend gehoor, p. 5 van 16

11 verslag aanvullend gehoor, p. 5 van 16

12 verslag aanvullend gehoor, p. 10 van 16

13 verslag aanvullend gehoor, p. 15 van 16

14 verslag aanvullend gehoor p. 6 van 16

15 overeenkomstig artikel 30b, eerste lid, ahf en onder c en g, van de Vw

16 zie uitspraak van de Afdeling van 8 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:959