Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9306

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
NL20.4947
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser, van Iraanse nationaliteit, aanvullend bestreden besluit, homoseksuele geaardheid, afvallig, bekeerd tot christendom, tatoeage, geloofwaardigheid, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4947


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: H.J. Metselaar).


Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 mei 2020 (het aanvullende bestreden besluit) heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft hierna nog een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 30 december 2015 een asielaanvraag ingediend. Nadat Nederland tevergeefs had geprobeerd om eiser aan Duitsland over te dragen op basis van de Dublinverordening1 heeft verweerder eiser in januari 2017 opgenomen in de nationale asielprocedure. Verweerder heeft achtereenvolgende besluiten tot afwijzing van de asielaanvraag - van 16 juni 2017 en 29 oktober 2018 - ingetrokken, nadat eiser tegen die besluiten beroep had ingesteld bij de rechtbank.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij is betrapt met zijn vriend. Hierna is hij gevlucht uit Iran. Verder is eiser bang dat bij zijn terugkeer in Iran zal worden ontdekt dat hij zich bekeerd heeft tot het christendom. Hij vreest bij terugkeer voor zijn leven.

3. Verweerder volgt in het (aangevulde) bestreden besluit de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser. Verweerder gelooft niet dat eiser zich heeft afgekeerd van de islam en zich heeft bekeerd tot het christendom, met name omdat uit eisers verklaringen hierover niet is gebleken van overtuigende innerlijke motieven en omdat eiser geen inzicht heeft gegeven in het door hem doorgemaakte proces naar afvalligheid en bekering. Hierbij is van belang dat eiser afkomstig is uit een land waarin afvalligheid en bekering tot een ander geloof strafbaar is. Evenmin gelooft verweerder dat eiser homoseksueel is. Eisers verklaringen dat sprake is geweest van een vier tot zes jaar lange kennismakingsperiode waarbij eiser tegelijkertijd twee homoseksuele relaties zou hebben gehad acht verweerder onwaarschijnlijk. Hierbij betrekt verweerder het maatschappelijk taboe op homoseksualiteit in Iran en het feit dat eiser naar zijn zeggen is opgegroeid met een zeer wantrouwende vader. In het licht van de heersende opvattingen over homoseksualiteit in de islamitische cultuur verwacht verweerder verder dat eiser meer kan verklaren over wat het voor hem persoonlijk betekent om homoseksueel in Iran te zijn. De aanwezigheid van een tatoeage met een christelijke betekenis op eisers borst leidt volgens verweerder niet tot het aannemen van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM2 bij terugkeer van eiser naar Iran, omdat van eiser verwacht mag worden dat hij deze bedekt houdt.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Hij meent dat verweerders oordeel over de afvalligheid onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Hij stelt, onder verwijzing naar zijn verklaringen, dat hij uitgebreid uiteen heeft gezet dat en waarom hij zich heeft afgekeerd van de islam. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn seksuele gerichtheid ten onrechte niet is geloofd. Hiervoor verwijst hij naar zijn eerdere zienswijze van 12 juni 2017 en gronden van beroep van 25 juli 2017. Voor wat betreft de bekering tot het christendom heeft eiser gewezen op zijn verklaring dat hij zijn geloof belijdt op zijn manier. Met verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS)3 heeft hij verder aangevoerd dat van hem niet zonder meer kan worden gevergd dat hij zijn tatoeage bedekt houdt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Voor zover eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat verweerder de bekering en de afvalligheid ten onrechte niet als afzonderlijke elementen beoordeelt, geldt dat verweerder dit in het aanvullende bestreden besluit uitdrukkelijk wel heeft gedaan.

6. Verweerder heeft in het (aangevulde) bestreden besluit kunnen overwegen dat eiser alleen vage, dan wel oppervlakkige algemeenheden heeft genoemd als redenen om zich af te keren van de islam en zich te bekeren tot het christendom. Uit eisers verklaringen blijkt vooral dat hij moeite heeft met de aan de islam verbonden religieuze voorschriften, zoals bidden en vasten. Het om die reden steeds minder praktiseren van het geloof, houdt echter niet zonder meer tevens afvalligheid in. Verder heeft eiser verklaard over de foute invloed van de islam in de wereld. Ook hiervan heeft verweerder kunnen zeggen dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de islam voor hem persoonlijk als religieuze overtuiging niet langer voldoet.

7. Vervolgens heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser niet duidelijk heeft weten te maken waarom het christendom voor hem persoonlijk wel aantrekkelijk is. In eerste instantie zou eiser niets in het christelijk geloof hebben gezien, maar na een door hem toegedicht wonder van een uit coma ontwaakte persoon, zou eiser zijn bekeerd. Hij heeft zich echter niet verder verdiept in het christendom. Daarnaast heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser enerzijds stelt zich bewust te zijn van de risico’s verbonden aan zijn afvalligheid en bekering en om die reden voorzichtig zegt te zijn, terwijl hij anderzijds zegt te discussiëren en op social media in Iran te publiceren tegen de islam. Dit heeft hij overigens niet weten te onderbouwen. Ook heeft eiser enerzijds verklaard dat hij zijn geloofsovertuiging uit veiligheidsoverwegingen stil wil houden, terwijl hij – naar hij zegt in Iran – op zijn borst een tatoeage heeft laten zetten in de vorm van een kruis met de naam Jezus.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen over zijn afvalligheid en bekering niet ten onrechte als ongeloofwaardig aangemerkt.

9. Ook voor wat betreft de gestelde seksuele gerichtheid is de rechtbank van oordeel dat het (aangevulde) bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder het asielrelaas op dit punt ten onrechte niet gelooft, heeft eiser volstaan met een algemene verwijzing naar zijn zienswijze tegen het voornemen van 15 mei 2017 en de gronden van beroep gericht tegen het ingetrokken besluit van 16 juni 2017. Eiser heeft niet toegelicht tegen welke overwegingen uit het (aangevulde) bestreden besluit hij hiermee opkomt. Het beroep faalt dan ook op dit punt.

10. De verwijzing naar de eerder overgelegde relatieverklaring en de verklaring van het COC leidt niet tot een andere uitkomst. Verweerder heeft hieraan geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen. De relatieverklaring heeft, gelet op de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen en gezien het feit dat dit document niet afkomstig is van een objectieve bron, onvoldoende bewijskracht. Ook voor de verklaring van het COC dat eiser bijeenkomsten bijwoont en daar zichzelf kan zijn, geldt dat die niet afdoet aan de ongeloofwaardigheid van eisers eigen verklaringen. Verder kan ook de inhoud van deze verklaring niet zelfstandig dienen om het relaas aannemelijk te maken.

11. Van een vreemdeling van wie de bekering tot het christendom niet aannemelijk is kan in beginsel worden gevraagd dat hij een christelijke tatoeage bedekt (houdt). Anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraak van 31 mei 20184 is in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een tatoeage die vanwege de plaats en/of de omvang niet eenvoudig bedekt kan worden en blijven. De vraag of het gelet op het grondrecht op lichamelijke integriteit geoorloofd is om van eiser te verlangen de tatoeage te verwijderen, hoeft dan ook niet te worden beantwoord. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een bezoek aan een arts er zeer waarschijnlijk toe zal leiden dat de autoriteiten in Iran van het bestaan van de tatoeage op de hoogte zullen raken. Evenmin heeft eiser zijn stelling ter zitting onderbouwd dat hij bij terugkeer in Iran zal worden gecontroleerd en dat hij zich daarbij zal moeten ontkleden. Hiermee is niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is de enkele mogelijkheid van een dergelijke schade daarvoor onvoldoende.

12. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

13. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) 604/2013

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 AbRS 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802, en AbRS 24 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3244.

4 AbRS 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802