Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9258

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
592946
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de Raad op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW, om te beoordelen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder noodzakelijk is. Voormelde bepaling voorziet in een rechtsgang in het geval er een verschil van mening is tussen de gecertificeerde instelling en de Raad. In het geval ook de Raad van mening is dat het gezag moet worden beëindigd, dient de Raad zelf een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen (art. 1:267, eerste lid, BW). Voor een beoordeling door de rechtbank is in dat geval geen plaats. Ter zitting is ruis ontstaan over het standpunt van de Raad. De Raad, die eerder in haar rapportage van 25 november 2019 gemotiveerd had gesteld niet tot een verzoek tot beëindiging van het gezag over te gaan, heeft zich ter zitting namelijk bij monde van de zittingsvertegenwoordiger inzake beëindiging van het gezag ‘neutraal’ opgesteld. Nu de zittingsvertegenwoordiger desgevraagd niet aan de rechtbank heeft kunnen zeggen dat en wanneer de Raad een verzoek tot beëindiging van het gezag bij de rechtbank zal gaan indienen, is nog steeds sprake van een verschil van mening tussen de gecertificeerde instelling en de Raad. De rechtbank zal zich dus buigen over de vraag of het ouderlijk gezag van de moeder moet worden beëindigd.

De rechtbank is van oordeel dat niet aan de criteria van artikel 1:266, eerste lid, BW is voldaan en dat daarom het gezag van de moeder over de minderjarigen niet kan worden beëindigd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat geen sprake meer is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen of van onduidelijkheid over hun perspectief die al te lang duurt. De minderjarigen wonen bij hun vader en daar gaat het goed met hen. Moeder stelt hun hoofdverblijfplaats bij de vader niet ter discussie. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van misbruik van het gezag van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/587898 / FA RK 20-526 en C/09/592946 / JE RK 20-1141

Datum uitspraak: 17 september 2020

Beschikking van de meervoudige kamer

Verzoek beoordeling beëindiging gezag (ex artikel 1:267, tweede lid, BW)

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 5 februari 2020 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,

en in de zaak naar aanleiding van het op 14 mei 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1]
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2005 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 3] .

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. A.A.M. Ruys-van Essen, gevestigd te Leidschendam.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 29 juni 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 10 juli 2020 tot 18 september 2020. De behandeling van beide verzoeken is voor het overige aangehouden teneinde de verzoeken door de meervoudige kamer te kunnen laten behandelen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 29 juni 2020;

- het verweerschrift d.d. 19 juni 2020 van de zijde van de advocaat van de moeder;

- de aanvullende bijlagen (1 t/m 13) op het verweerschrift, ingekomen op 24 en 26 augustus 2020.

Door de advocaat van de moeder zijn ter zitting pleitnotities overgelegd.

Op 4 september 2020 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorafgaand aan de zitting in raadkamer gehoord.

Verzoeken en verweer

Verzoek beoordeling beëindiging gezag (ex 1:267, tweede lid, BW)

De Raad heeft op grond van artikel 1:267, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtbank verzocht om te beoordelen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder noodzakelijk is. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat de Raad na het doen van onderzoek heeft besloten niet over te gaan tot het indienen van een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel. In het raadsrapport van 25 november 2019 is daartoe het volgende overwogen. Er is geen sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat de vader zijn zoons goed verzorgt en opvoedt en hun ontwikkeling bevordert. Tevens hebben de kinderen duidelijkheid over hun toekomstperspectief, omdat de rechter hun hoofdverblijfplaats bij de vader heeft bepaald en beide ouders hierachter staan. Zowel de moeder als de kinderen wensen dat het contact tussen hen wordt hersteld. Op dit moment veroorzaakt het contact met de moeder echter veel stress bij de kinderen en zij ervaren dat de moeder hen diskwalificeert en hetgeen in het verleden is gebeurd niet erkent. Dit drukt zwaar op de kinderen. Voordat de kinderen op een onbelaste manier contact kunnen hebben met hun moeder, moet er eerst een stukje verleden worden opgeruimd. De Raad adviseert daarom dat de vader, de moeder en de kinderen gezamenlijk systeemtherapie volgen om op constructieve wijze te werken aan contactherstel. Een gezagsbeëindiging zal het doen slagen van de systeemtherapie niet ten goede komen en tegelijkertijd zal een gezagsbeëindiging niet betekenen dat de problemen in het contact tussen de kinderen en hun moeder opgelost zullen zijn.

Ter zitting heeft mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad naar voren gebracht dat de Raad zich, nu de systeemtherapie inmiddels is gestagneerd, neutraal opstelt ten aanzien van de vraag of het gezag van de moeder al dan niet moet worden beëindigd. Daarmee wordt afgeweken van het standpunt dat door de Raad in de raadsrapportage is neergelegd. Mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] heeft naar voren gebracht dat het in het belang van de kinderen is duidelijkheid te hebben over de rol van de moeder en dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelegen in de onveiligheid van het contact met de moeder.

De gecertificeerde instelling stelt zich op het standpunt dat het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden beëindigd. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt daaraan het volgende ten grondslag. De volle verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient bij de vader te liggen omdat de kinderen bij hem veiligheid en structuur ervaren. Deze veiligheid en structuur ervaren zij niet bij de moeder en er is aan haar zijde geen zicht op constructieve verbeteringen. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken beslissingen te nemen die in het belang van haar kinderen zijn. Bovendien heeft zij geen blijk gegeven van inzicht in haar eigen problematiek en zich niet bereid getoond tot samenwerking met de gecertificeerde instelling. De moeder geeft geen toestemming voor overleg tussen de gecertificeerde instelling en andere instanties die betrokken zijn bij haarzelf of de kinderen. De noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige 2] is daardoor onnodig laat op gang gekomen en de hulpverlening die voor [minderjarige 1] bij het Curium noodzakelijk werd geacht, is niet van de grond gekomen. Beëindiging van het gezag van de moeder doet recht aan de kinderen omdat ze hierdoor erkend worden in hun gevoel over hetgeen ze hebben meegemaakt in het contact met hun moeder. Verder stelt de gecertificeerde instelling zich op het standpunt dat systeemtherapie, zoals de Raad heeft voorgesteld, eerder beschadigend dan helpend zal zijn voor de kinderen. Er is in het verleden intensief ingezet op contactherstel, maar de moeder was niet bereikbaar en de kinderen deden voortdurend negatieve ervaringen op in de contacten. De moeder heeft onlangs het Vondelhuys benaderd voor systeemtherapie, maar zij is verwezen naar Cardea omdat het Vondelhuys de problematiek te complex achtte. De moeder stond echter niet open voor een traject bij Cardea.

Desgevraagd deelt mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling mede dat er geen ernstige bedreigingen meer zijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De zorgen zijn gelegen in het feit dat de moeder trajecten stagneert en weigert informatie te delen met de gecertificeerde instelling.

De vader heeft zich achter het standpunt van de gecertificeerde instelling geschaard en daartoe ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] heeft zich in het verleden wel gemanifesteerd. Hij zat op een aparte school en is gediagnostiseerd met ADHD en dyslexie. Hij vindt het nog steeds heel moeilijk dat nooit verder onderzoek is gedaan naar zijn bovenliggende problematiek. Tweemaal is een instelling waar hij zou worden onderzocht afgehaakt door de opstelling van de moeder. [minderjarige 2] maakt zich er daarom zorgen over dat hij afhankelijk is van de instemming van zijn moeder. Verder wordt de conclusie van de Raad om niet over te gaan tot het verzoeken van een gezagsbeëindigende maatregel niet onderbouwd door de inhoud van het raadsrapport. Het raadsrapport focust zich volledig op contactherstel tussen de kinderen en de moeder, maar daar draait het in de kern niet om. Een gezagsbeëindiging heeft tot doel erkenning te geven aan de gevoelens van de kinderen en het niet meer afhankelijk zijn van de instemming van de moeder indien er wellicht meer ondersteuning voor de kinderen nodig is. Daarbij merkt de vader op dat hij het wel heel belangrijk vindt dat zowel de moeder als de kinderen zich prettig voelen bij de mate waarin zij contact met elkaar hebben en dat hij de kinderen stimuleert in het versturen van foto’s en filmpjes naar hun moeder. De kinderen willen graag een normaal contact met de moeder, want in het verleden hebben zich (ernstige) incidenten in dit contact voorgedaan. Deze incidenten komen de laatste tijd duidelijk minder voor, maar dit moet niet worden vertaald naar de conclusie dat een gezagsbeëindigende maatregel daarom niet meer noodzakelijk is. Verder kan de inzet van systeemtherapie beschadigend zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat ze er veel last van hebben dat hun ervaringen ten aanzien van hun moeder, door de moeder worden afgedaan als leugens van de gecertificeerde instelling of de vader.

Door en namens de moeder is, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, bepleit het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet te beëindigen. Samengevat is daartoe het volgende naar voren gebracht. Aan het in artikel 1:266, eerste lid onder a, BW neergelegde vereiste dat voor een gezagsbeëindiging van een ouder sprake moet zijn van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige, is niet voldaan. Dit wordt ook geconcludeerd in het raadsrapport. Tevens heeft de gecertificeerde instelling aangegeven voornemens te zijn de ondertoezichtstelling te beëindigen, hetgeen deze niet zou doen als er nog sprake zou zijn van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad is in haar rapportage tot de conclusie gekomen dat geen gezagsbeëindigende maatregel wordt verzocht en de gecertificeerde instelling heeft geen nieuwe feiten aangevoerd waarom dit anders zou moeten zijn. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij een goede relatie met hun moeder opbouwen, niet dat het gezag van hun moeder over hen wordt beëindigd. Het verzoek van de gecertificeerde instelling om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen is onrechtmatig en niet gericht op herstel van de verhoudingen in het gezin. In de afgelopen jaren is vrijwel geen enkel contact of initiatief door de gecertificeerde instelling op gang gekomen om de contacten tussen de moeder en de kinderen te faciliteren. Ook heeft de gecertificeerde instelling al zeer lang geen contact met de moeder gezocht. De moeder wil er alles aan doen om een goede relatie met haar kinderen op te bouwen en wil op een zo kort mogelijke termijn systeemtherapie starten. De moeder acht de gecertificeerde instelling verantwoordelijk voor de schade die is toegebracht in de relatie tussen de moeder en de kinderen. Het is juist nu van belang dat er rust komt en het Gerechtshof heeft tijdens een voorgaande procedure reeds aangegeven dat het voeren van procedures niet in het belang van de kinderen is. Verder wordt evenmin voldaan aan het vereiste van de aanvaardbare termijn of misbruik van het gezag. De moeder heeft geaccepteerd dat de kinderen niet meer bij haar wonen en stelt de verblijfplaats van hen bij de vader niet ter discussie. Ze heeft ook nooit haar gezag misbruikt en altijd in het belang van haar kinderen gedacht. De moeder merkt daarbij op dat zij nimmer een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling heeft gekregen. Indien door het doen of nalaten van de moeder sprake was van een bedreigende of een voor de kinderen nadelige situatie, had het op de weg van de gecertificeerde instelling gelegen een schriftelijke aanwijzing aan de moeder te geven. Verder is een erkenning van de gevoelens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen grond voor een gezagsbeëindiging. Het voorgaande brengt met zich dat een gezagsbeëindiging in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 3 en 9 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid.

Voorts heeft de moeder ter zitting naar voren gebracht dat het voor haar lastig is haar rol als moeder te vervullen gedurende de korte momenten van contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gedurende deze korte momenten moet het contact goed zijn en is er geen ruimte voor het eventueel herstellen van het contact wanneer er dingen mis gaan in dat contact, zoals in een gewone opvoedsituatie wel mogelijk is.


Verzoek verlenging ondertoezichtstelling

De gecertificeerde instelling heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ter zitting is naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling, in tegenstelling tot wat er in het verzoekschrift staat, geen verlenging van de ondertoezichtstelling wenst. De gecertificeerde instelling wenst slechts de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Voor de beëindiging van de ondertoezichtstelling is redengevend dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ze doen het goed op school en hebben zelf de regie over het contact met hun moeder. De rol van de jeugdbeschermer is daarom klein. Tevens is er geen vertrouwen dat systeemtherapie nog helpend kan zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het inzetten van systeemtherapie zou zelfs beschadigend voor hen kunnen zijn. De moeder heeft weliswaar contact gezocht met het Vondelhuys voor systeemtherapie, maar daar is aangegeven dat geen systeemtherapie geboden kan worden gelet op de complexe situatie. De moeder is geadviseerd een traject bij Cardea aan te gaan omdat deze organisatie veel expertise heeft op het gebied van onderhavige problematiek. De moeder stond hier echter niet voor open. Voor het overige wordt verwezen naar wat de gecertificeerde instelling in het kader van het verzoek tot beoordeling beëindiging gezag naar voren heeft gebracht.

De vader heeft naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling niet veel meer zal veranderen aan de wijze waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met hun moeder hebben. De enige toegevoegde waarde van een ondertoezichtstelling is gelegen in het feit dat de kinderen zich door de ondertoezichtstelling gesterkt voelen in de manier waarop zij het contact met hun moeder zelf vormgeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden het belangrijk dat ze zelf kunnen blijven bepalen hoe zij het contact met hun moeder vormgeven.

Door en namens de moeder is bepleit het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen. De advocaat van de moeder heeft daartoe naar voren gebracht dat er geen gronden meer aanwezig zijn voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en deze daarom geen toegevoegde waarde heeft. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen namens de moeder in het kader van het verzoek tot beoordeling beëindiging gezag naar voren is gebracht. Voorts wordt opgemerkt dat de betrokken jeugdbeschermer geen enkele poging doet om het contact tussen de kinderen en de moeder ook daadwerkelijk te herstellen. Juist door middel van de ondertoezichtstelling zou verwacht kunnen worden dat de gecertificeerde instelling zich actief zou inzetten om een gelijkwaardig en stabiel contact met beide ouders te bewerkstelligen.

Beoordeling

Verzoek beoordeling beëindiging gezag (ex art. 1:267, tweede lid, BW)

Indien de Raad, ondanks een verzoek daartoe van de gecertificeerde instelling, heeft besloten om niet tot een verzoek tot gezagsbeëindiging over te gaan, vraagt de Raad – na het schriftelijke verzoek van de gecertificeerde instelling om daartoe over te gaan – het oordeel van de rechtbank of de beëindiging van het ouderlijk gezag moet volgen (art. 1:267, tweede lid, BW). Indien de rechtbank van oordeel is dat de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, kan zij deze ambtshalve uitspreken.

Voormelde bepaling voorziet dus in een rechtsgang in het geval er een verschil van mening is tussen de gecertificeerde instelling en de Raad. In het geval ook de Raad van mening is dat het gezag moet worden beëindigd, dient de Raad zelf een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen (art. 1:267, eerste lid, BW). Voor een beoordeling door de rechtbank is in dat geval geen plaats.

Ter zitting is ruis ontstaan over het standpunt van de Raad. De Raad, die eerder in zijn rapportage van 25 november 2019 gemotiveerd had gesteld niet tot een verzoek tot beëindiging van het gezag over te gaan, heeft zich ter ziting namelijk bij monde van de zittingsvertegenwoordiger inzake beëindiging van het gezag ‘neutraal’ opgesteld. Nu de zittingsvertegenwoordiger desgevraagd niet aan de rechtbank heeft kunnen zeggen dat en wanneer de Raad een verzoek tot beëindiging van het gezag bij de rechtbank zal gaan indienen, is nog steeds sprake van een verschil van mening tussen de gecertificeerde instelling en de Raad. De rechtbank zal zich dus buigen over de vraag of het ouderlijk gezag van de moeder moet worden beëindigd.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat niet aan de criteria van artikel 1:266, eerste lid, BW is voldaan en dat daarom het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet kan worden beëindigd. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot gezagsbeëindiging.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat geen sprake meer is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] of van onduidelijkheid over hun perspectief die al te lang duurt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader en daar gaat het goed met hen. Moeder stelt hun hoofdverblijfplaats bij de vader niet ter discussie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen het goed op school en geven zelf het contact met hun moeder vorm op een wijze waarop zij dit veilig achten. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van misbruik van het gezag van de moeder. De rechtbank heeft wel geconstateerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich miskend voelen in hun gevoel richting hun moeder, doordat de moeder de zorgen en ervaringen die zij hebben, ontkent en afdoet als leugens, maar dit is geen grond om het gezag van de moeder op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW te beëindigen. De rechtbank wijst de moeder erop dat het bevorderlijk voor haar contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zijn als zij hun belevingen serieus neemt en desgevraagd een opbouwend gesprek daarover niet uit de weg gaat.

Nu het gezamenlijk gezag in stand blijft, acht de rechtbank het van groot belang dat de ouders constructief met elkaar in gesprek (blijven) gaan indien zij gezamenlijke beslissingen ter uitoefening van hun gezag zullen moeten nemen en er bijvoorbeeld hulpverlening voor (één van) de kinderen moet worden ingeschakeld. Deze op overleg gerichte houding wordt van zowel de moeder als de vader verwacht, aangezien deze een wezenlijk onderdeel vormt van het gezamenlijk uitoefenen van het ouderlijk gezag.

Tevens acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij een positief contact hebben met beide ouders, ook wanneer zij volwassen zijn. De rechtbank roept daarom de vader op om het contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en hun moeder te (blijven) stimuleren.

Over het contact met de moeder op dit moment hebben zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] de rechtbank laten weten dat zij dat hebben via de telefoon en dat [minderjarige 2] zijn moeder heeft bezocht, hetgeen naar zijn zeggen (en ook dat van de moeder) goed is verlopen. Gebleken is dat het contact nog steeds minimaal is, maar dat het de laatste tijd wel positiever verloopt. Desgevraagd heeft de moeder verklaard dat zij zich, met moeite, heeft geschikt in een rol op afstand en dat zij de regie over een bezoek bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wil laten, zodat zij kunnen aangeven wanneer zij contact met haar willen. De moeder past zich daaraan aan en probeert daar het beste van te maken. Naar het oordeel van de rechtbank past deze benadering bij de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en bij hun leeftijd (van respectievelijk 17 en 15 jaar). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen de omgang nu, met steun van hun vader, zelf vorm geven.

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. Er is immers geen sprake meer is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Genoegzaam gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader wonen, zich daar goed ontwikkelen, goed presteren op school en zelf het contact met hun moeder vorm geven. Nu aan genoemd vereiste voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer wordt voldaan, wijst de rechtbank het verzoek af.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

ziet geen grond het ouderlijk gezag van de moeder te beëindigen;

wijst af het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020 door mr. J.E.M.G. van Wezel, mr. M.J. Alt - van Endt en mr. A.E.J. Satink, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Plette als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.