Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9231

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke sluiting horeca art 13b Opiumwet 9 mnd. Drugshandel aannemelijk ogv aangetroffen handelshoeveelheid hasj in combinatie met andere relevante bevindingen. Voorts bevoegdheid sluiting ogv APV ivm aangetroffen cash center.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1950 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [naam] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Nagtegaal),

en

de burgemeester van Gouda, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de horeca-inrichting [naam] , gevestigd aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] , voor de duur van negen maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 15 januari 2020, verzonden op 30 januari 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting via Skype heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voorts heeft van de zijde van verweerder deelgenomen [A] .

Overwegingen

1.1.

Eiser is eigenaar van de (eenmanszaak) horeca-inrichting [naam] ,

gevestigd aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] . Hij beschikt sinds 17 maart 2016 over een exploitatievergunning voor de exploitatie van deze horeca-inrichting, die hij sinds 2015 exploiteert. Voorts beschikt hij over een terrasvergunning en over een vergunning voor het openstellen van de horeca-inrichting na 00:00 uur. Deze vergunningen zijn verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Gouda 2009 (APV).

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat de horeca-inrichting

[naam] , gevestigd aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] , vanaf

13 september 2019 om 10:00 uur voor de duur van negen maanden wordt gesloten.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 12 september 2019 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel het primaire besluit met onmiddellijke ingang geschorst totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, uiterlijk tot 26 september 2019 (SGR 19/5798 BESLU).

Bij uitspraak 27 september 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser, hangende het bezwaar tegen het primaire besluit, afgewezen (ECLI:NL:RBDHA:2019:10179).

Bij besluit van 30 september 2019 heeft verweerder bepaald dat de sluiting, zoals opgelegd met de last onder bestuursdwang van 4 september 2019, geëffectueerd zal worden op

4 oktober 2019 om 10:00 uur. De sluiting zal worden opgeheven op 4 juli 2020 om 10:00 uur.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond

verklaard. Verweerder heeft de horeca-inrichting gesloten voor de duur van negen maanden

op grond van artikel 13b van de Opiumwet, de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente Gouda en artikel 174 van de Gemeentewet in combinatie met artikel 2:17, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009 (APV). Daaraan is de bestuurlijke rapportage van de politie-eenheid Den Haag van 29 maart 2019 ten grondslag gelegd. De bestuurlijke rapportage van de politie-eenheid Rotterdam over het onderzoek ‘Kassa’ van 28 maart 2019 en een proces-verbaal van bevindingen van de Kansspelautoriteit (Ksa) zijn daaraan toegevoegd. Op 28 maart 2019 heeft verweerder, in samenwerking met de Ksa en de politie, als onderdeel van het landelijk strafrechtelijk onderzoek ‘Kassa’ een controle uitgevoerd in het pand waar eiser zijn horeca-inrichting heeft. In de horeca-inrichting is tijdens deze controle een cash center en een plastic zakje met 9,7 gram hasj aangetroffen. Verder waren drie bezoekers in het bezit van 0,5 gram hasj, 1 gram hasj, 0,5 gram hennep en 3 gram hennep. Deze bevindingen staan, volgens verweerder, niet op zichzelf. Eerder zijn er diverse meldingen, verklaringen en constateringen geweest met betrekking tot overlast voor de omgeving, verstoring van de openbare orde, drugs(handel) en schijnbeheer in relatie tot de horeca-inrichting. Gelet op de verschillende meldingen en bevindingen, de meest recente op 28 maart 2019, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat de horeca-inrichting wordt gebruikt voor drugshandel.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde. Verweerder heeft de situatie aangemerkt als “ernstige situatie” waarmee een sluitingsduur van 9 maanden gerechtvaardigd is.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de

voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 29 april 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser afgewezen (SGR 20/2734 BESLU).

4.1.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is tot sluiting op grond van

artikel 13b van de Opiumwet, nu onvoldoende is gebleken dat er daadwerkelijk een middel was gevonden als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Eiser stelt dat er 9,7 gram hasj zou zijn aangetroffen, maar er is geen proces-verbaal van bevindingen van de weging gemaakt. Evenmin is gebleken dat de vermeende hasj indicatief is getest op hasj. Er is enkel sprake geweest van uiterlijke herkenning door de politieagent. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat het daadwerkelijk om hasj ging. Bovendien heeft degene van wie de gestelde handelshoeveelheid hasj was ( [B] ) verklaard dat het nep-hasj was.

De rechtbank overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage van 29 maart 2019 en het mutatierapport van 28 maart 2019 blijkt dat het gewicht van 9,7 gram hasj het netto gewicht is dat op het politiebureau is gewogen. Dit blokje zat verpakt in heel dun, bijna gewichtloos, plastic folie en is in de horeca-inrichting aangetroffen in een krat met lege flesjes.

De rechtbank overweegt dat de verbalisant (inspecteur van politie) in het proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2019 op ambtsbelofte heeft verklaard het donkere blokje direct te hebben herkend als een blokje hasj. Met dit proces-verbaal wordt hetgeen is vermeld in het mutatierapport van 28 maart 2019 en de bestuurlijke rapportage van 29 maart 2019 bevestigd. Hierbij is van betekenis dat voornoemd mutatierapport en het proces-verbaal van 3 oktober 2019 zijn opgesteld door een opgeleide politieambtenaar, die geen belang heeft bij hetgeen hij vermeldt als door hem waargenomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2306). Het enkele feit dat de hasj niet aan een test is onderworpen, maakt niet dat aan deze waarneming en verklaring geen waarde toekomt. Bij de vraag of voldoende aannemelijk is dat het daadwerkelijk om hasj gaat, moet tevens betekenis worden gehecht aan de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen.

Niet in geschil is dat het blokje is aangetroffen, weggestopt in een krat met lege flesjes, waarbij een verbalisant het vermoeden heeft geuit dat [C] dit heeft gedaan, omdat hij de enige is die tijdens de controle langs de kratten is gelopen. De eerst in beroep overgelegde verklaring van [B] , dat hij degene is geweest die daar al eerder die dag een blokje “fake hasj” heeft verstopt, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu daarin niet wordt verklaard wat maakte dat hij het risico nam om het juist op die plek te verstoppen, anders dan dat hij er niet mee de binnenstad in wilde gaan omdat hij dacht dat ook “fake hasj” strafbaar is. Daarnaast maken het tijdsverloop en het feit dat het gaat om een verklaring die niet controleerbaar is en evenmin afkomstig uit objectieve bron, dat aan deze verklaring niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien. Ten slotte mocht verweerder belang toekennen aan het feit dat op het moment van de controle drie bezoekers zijn aangetroffen die in het bezit waren van een gebruikershoeveelheid hasj en wiet.

Verweerder heeft dan ook – mede gelet op de wijze waarop en omstandigheden waaronder het blokje is aangetroffen – op goede gronden aannemelijk geacht dat het ging om 9,7 gram hasj, hetgeen terecht is aangemerkt als een handelshoeveelheid.

4.2.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat, voor zover er van wordt uitgegaan dat er daadwerkelijk sprake was van 9,7 gram hasj, uit niets blijkt dat het was bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking vanuit de horeca-inrichting. Eiser stelt dat bij eerdere controles geen softdrugs zijn aangetroffen, geen attributen zijn aangetroffen die handel in drugs vanuit het pand doen vermoeden en er geen dealerindicaties zijn vastgesteld.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362) volgt dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelet op de tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn. Uit de tekst van het artikellid volgt dat het woord "daartoe" ziet op verkoop, aflevering of verstrekking. Dit betekent dat het artikellid ook van toepassing is als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3339).

Zoals vermeld bij 4.1. is op 28 maart 2019 een handelshoeveelheid hasj aangetroffen in de horeca-inrichting. Het is dan ook in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.

Voorts is van belang dat verweerder – zoals hiervoor al kort aan de orde is geweest – er op heeft gewezen dat op 28 maart 2019 is geconstateerd dat in de rokersruimte van de horeca-inrichting een sterke wietlucht hing en dat drie bezoekers ieder een gebruikershoeveelheid hasj en wiet bij zich hadden. Een van deze bezoekers heeft verklaard dat hij werkzaam is in coffeeshop [naam coffeeshop] . De politie heeft vastgesteld dat twee aanwezige bezoekers in de rookruimte antecedenten hebben op het gebied van handel in harddrugs. In een metalen afvalbak zijn diverse opgerookte joints aangetroffen. Verweerder heeft ook gewezen op de bevindingen bij eerdere controles, zoals is vermeld in voornoemde bestuurlijke rapportage. Zo is op 19 augustus 2016 in de rookruimte een sterke hennepgeur waargenomen. Op het moment dat de controleurs van politie en gemeente het pand benaderen, roept een voorbijrijdende scooterrijder iets naar binnen, waarop ongeveer 10 klanten met versnelde pas naar buiten lopen. Op 29 juni 2018 heeft de politie een persoon met een familiaire relatie met eiser aangetroffen in de horeca-inrichting. Deze persoon is aangehouden en bij insluiting op het politiebureau is gebleken dat hij, naar op het politiebureau is gewogen, 53 gram netto hasj bij zich had. Op 5 juli 2018 heeft de politie bij een controle een duidelijke wietgeur waargenomen. Ten slotte heeft verweerder belang toegekend aan overige omstandigheden die volgens het beleid relevant worden geacht, zoals meldingen van geluidsoverlast in de nachtelijke uren op 12 juni 2016, 1 januari 2017 en 9 juni 2017. Voorts is de politie ter plaatse gegaan in verband met een vechtpartij in de horeca-inrichting op 24 februari 2017 en naar aanleiding van (live) camerabeelden van Stadstoezicht, waarbij is waargenomen dat de leidinggevende van de horeca-inrichting voor de deur van de horeca-inrichting een persoon heeft neergeslagen. Tevens worden contacten tussen eiser en personen met criminele antecedenten gerapporteerd.

Verweerder ziet deze omstandigheden als indicatoren die duiden op drugshandel in georganiseerd verband in- en vanuit het lokaal en die als zodanig zijn vastgelegd in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet die verweerder hanteert. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, anders dan eiser meent, het aantreffen van attributen die handel in drugs vanuit het pand doen vermoeden, geen vereiste is voor het ontstaan van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Ook op basis van andere relevante feiten en omstandigheden kan feitelijke handel worden aangenomen. Daarbij heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738).

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Verweerder heeft naast de bevindingen op 28 maart 2019 ook de eerdere bevindingen mogen meewegen. Op grond van voornoemde bevindingen op 28 maart 2019 en bezien in samenhang bezien met eerdere bevindingen, heeft verweerder het aannemelijk kunnen achten dat softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in of vanuit de horeca-inrichting. Verweerder heeft zich hierbij mogen baseren op de niet-cumulatieve lijst van indicatoren, en met name de indicatoren a, c, e, f, i, j en m, zoals opgenomen in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente Gouda (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2400).

Hetgeen eiser heeft aangevoerd kan hier niet aan afdoen.

4.3.

Eiser heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit niet is gesteld dat het vermeende en in bezwaar betwiste schijnbeheer nog steeds reden zou zijn voor sluiting in verband met de openbare orde.

Verweerder heeft betwist dat hij afstand heeft gedaan van zijn standpunt dat mogelijk sprake is van schijnbeheer. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat in de bestuurlijke rapportage van 29 maart 2019 door de politie, op grond van een zevental aanwijzingen in de periode december 2015 tot 8 juni 2018, aannemelijk wordt geacht dat sprake is van schijnbeheer. De broer van eiser (E) wordt door derden aangeduid als eigenaar van de horeca-inrichting. Bij een controle mag hij achter de bar komen zonder daarop te worden aangesproken en hij voert veel het woord. Volgens de politie is het aannemelijk dat niet eiser maar E feitelijk de eigenaar dan wel mede-eigenaar is van de horeca-inrichting.

De rechtbank overweegt dat het vermoeden van schijnbeheer weliswaar niet expliciet terugkomt in motivering van de bezwaarschriftencommissie die ten grondslag ligt aan bestreden besluit, maar dat wel naar de genoemde omstandigheden is verwezen in de in het advies van de commissie weergegeven relevante feiten. Daargelaten dat de omstandigheden die hiervoor onder 4.2 zijn genoemd naar het oordeel van de rechtbank al voldoende zijn om de bevoegdheid tot het opleggen van de last onder bestuursdwang in dit geval te staven, mocht verweerder in beroep ook op deze bevindingen wijzen ter ondersteuning van zijn standpunt dat – mede gelet op al de genoemde bevindingen – de wijze van exploitatie van de horeca-inrichting een risico vormt voor de openbare orde.

4.4.

Gelet op het samenstel van voornoemde bevindingen was verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

5. Niet in geschil is dat verweerder naast de besproken bevoegdheid in het kader van artikel 13b van de Opiumwet eveneens een last onder bestuursdwang in de vorm van een sluiting van een horeca-inrichting kan opleggen op grond van artikel 174 van de Gemeentewet in combinatie met artikel 2:17 van de APV. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruikgemaakt omdat er een zogenaamde cash center is aangetroffen in de inrichting.

5.1.

Eiser heeft aangevoerd dat het cash center ten tijde van het primaire besluit reeds in beslag was genomen. Hij stelt dat er niet feitelijk kon worden gegokt via de cash center zelf. Er kon een account worden aangemaakt via de cash center en er kon geld gestort worden via het account, maar er kon niet direct deel worden genomen aan illegaal gokken via de cash center. Dit moet via een ander apparaat. Eiser is ook nimmer als verdachte aangemerkt van het faciliteren van illegaal gokken.

Verweerder verwezen naar het (aanvullend) proces-verbaal van de Ksa van 10 juli 2019. Daarin is uiteengezet dat er een verdenking bestaat dat via de website [website] in Nederland sportweddenschappen worden aangeboden, hetgeen wordt aangemerkt als het aanbieden van kansspelen. Voor het aanbieden van kansspelen is op grond van de Wet op de kansspelen (Wok) een vergunning vereist. Aan de houders van voornoemde website is een dergelijke vergunning niet verleend, waardoor sprake is van een verdenking van overtreding van artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wok. Uit onderzoek van de Ksa is gebleken dat er een direct verband bestaat tussen een cash center en deze website. Via een een cash center kan een anonieme account worden aangemaakt en ook geld worden gestort. Met dit tegoed kan bijvoorbeeld via een computer online worden gegokt op de website. Het is niet mogelijk om met de cash center direct deel te nemen aan de kansspelen die via de website worden aangeboden en evenmin is op de cash center een verwijzing te zien naar de website. Dit betekent dat een potentiële deelnemer door de uitbater of het personeel van de locatie waar de cash center staat opgesteld moet worden geïnformeerd over de mogelijkheden tot deelname. Gebleken is dat in de periode 1 maart 2019 tot en met 27 maart 2019 € 34.643,55 werd ingezet op weddenschappen op de website via de accounts die zijn aangemaakt op de bij de horeca-inrichting geplaatste cash center. Er werd na weddenschappen een bedrag van € 25.924,61 uitgekeerd. Het resultaat (de omzet) over bedoelde de periode bedroeg

€ 8.718,94.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderbouwd dat eiser met het plaatsen van een cash center in zijn horeca-inrichting illegaal gokken heeft gefaciliteerd. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit faciliteren van gokactiviteiten een gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zoals de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3439), waaruit naar voren komt dat de burgemeester zich in het algemeen op het standpunt mag stellen dat met illegaal gokken de openbare orde nadelig wordt beïnvloed. Daarbij wordt van belang geacht dat bij illegale gokactiviteiten geen sprake is van consumentenbescherming, verslavingspreventie en correcte afdracht van middelen. Ook kan niet worden gewaarborgd dat minderjarigen geen toegang krijgen tot de activiteiten. Bovendien geldt in het algemeen dat illegale gokactiviteiten criminaliteit aantrekken, onder meer door de mogelijkheid van het witwassen van zwart geld. Criminaliteit oefent in zijn algemeenheid een negatieve invloed uit op het woon- en leefklimaat en het is aannemelijk is dat bekendheid van de inrichting ten aanzien van witwassen van crimineel geld zorgt voor mogelijke toeloop van ongewenste personen. Het voorhanden hebben en verplaatsen van grote bedragen in contanten brengt daarnaast een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich, namelijk een risico op al dan niet gewelddadige berovingen en overvallen.

Hoewel het cash center niet gebruikt kan worden om op te gokken, is voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van het cash center primair wordt ingegeven door de mogelijkheid dat hiermee grote geldbedragen anoniem op een account kunnen worden gezet, waarmee illegaal gegokt kan worden. Eiser heeft ook daadwerkelijk een aanzienlijke omzet behaald als gevolg hiervan. Dat eiser strafrechtelijk niet als verdachte is aangemerkt vanwege het faciliteren van illegaal gokken, maakt niet dat bestuursrechtelijk op grond van artikel 2:17 van de APV geen bevoegdheid bestaat tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Verweerder was daartoe, gelet op het vorenstaande, bevoegd.

6. Verweerder heeft de situatie beoordeeld als een “ernstige situatie” wat betekent dat hij reeds volgens de toepasselijke Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente Gouda bij een eerste overtreding overgaat tot sluiting voor een periode van minimaal 9 tot ten hoogste
18 maanden. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk en stelt vast dat verweerder conform dit beleid heeft gehandeld.

Verweerder heeft bij zijn belangenafweging meegewogen dat sprake is van betrokkenheid van eiser en personeelsleden van de horeca-inrichting. Met de sluiting wordt de bekendheid van de horeca-inrichting als pand waarbinnen drugshandel plaatsvindt en waarbinnen illegaal gokken gefaciliteerd wordt weggenomen en wordt de loop naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugs en illegale gokcircuit wordt onttrokken. Verweerder acht van belang dat de horeca-inrichting is gelegen in de binnenstad, een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare locatie. Met de sluiting wordt een signaal afgegeven dat verweerder optreedt tegen (drugs)criminaliteit, overlast en verstoringen van de openbare orde vanuit de horeca-inrichting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid het belang van eiser bij onbelemmerde exploitatie van de horeca-inrichting minder zwaarwegend heeft mogen achten dan het belang van verweerder bij van het herstel van de openbare orde. De opgelegde last onder bestuursdwang is dan ook niet onevenredig gelet op de daarmee te dienen doelen.

7. Het beroep is ongegrond. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet afdoen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2020.

de griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.