Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9214

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2201
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een filterkast met afvoerpijp op het dak van de achterbouw van een viswikel. Het gaat om een gebonden besluit. Geen belangenafweging. Positief welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2201

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R. Vingerling).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Fish Kings V.O.F., te Den Haag, vergunninghouder (vertegenwoordiger: [A] ).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Fish Kings V.O.F. een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een filterkast met afvoerpijp op het dak van de achterbouw van een viswinkel aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] .

Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling ter (fysieke) zitting was aangekondigd voor 31 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. In plaats daarvan heeft op 22 september 2020 in plaats van een skypezitting een telefonische zitting plaatsgevonden. Gehoord zijn verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Vergunninghouder heeft op 18 september 2020 telefonisch doorgegeven dat de zitting zonder zijn aanwezigheid gehouden kan worden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Vergunninghouder is eigenaar van de viswinkel aan de [adres] [huisnummer] . Hij heeft zonder over een omgevingsvergunning te beschikken een filterkast met afvoerpijp geplaatst op het dak van de achterbouw van de winkel aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] . Omdat hij geluid- en geurhinder ondervond, heeft eiser melding gemaakt van de illegale bouw. Daarop heeft vergunninghouder ter legalisatie op 30 mei 2018 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder toestemming gegeven om af te wijken van het bestemmingsplan en heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hierna heeft verweerder zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om deze toestemming te verlenen. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de schoorsteen een ondergeschikt bouwdeel is, waardoor er geen strijd is met het bestemmingsplan. Omdat er volgens verweerder geen weigeringsgronden zijn die aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan is sprake van een gebonden omgevingsvergunning. In verband hiermee kan volgens verweerder niet aan belangenafweging worden toegekomen.

3. Eiser betoogt dat hij al sinds de afvoerpijp is geplaatst met een probleem zit en bezig is daarvoor een oplossing te vinden. Hij ondervindt geluid- en geurhinder van de afvoerpijp en zijn uitzicht wordt erdoor belemmerd. Hij kan zich verder niet vinden in het positieve advies van de Welstandscommissie, zeker nu de welstandscommissie aanvankelijk negatief oordeelde en aandrong op een oplossing zonder afvoerpijp. Bovendien is de afvoerpijp anders uitgevoerd dan is vergund.

4. De rechtbank overweegt dat in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo de situaties zijn opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. Dit is onder meer het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, de Bouwverordening of het Bouwbesluit 2012. Deze in artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden.

5.1

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Het Oude Centrum (binnenstad)”. Het betrokken perceel heeft de bestemming “Gemengd-3” en de dubbelbestemmingen “Waarde-Cultuurhistorie” en “Waarde-Archeologie”.

5.2

In artikel 1.69 van de planregels worden “ondergeschikte bouwdelen” gedefinieerd als:

delen van bouwwerken zoals funderingen, pilasters, kozijnen, standleidingen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- of kroonlijsten, liftkokers en installatieruimten.

5.3

In artikel 2.4 van de planregels is bepaald dat de bouwhoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de filterkast en de afvoerpijp kunnen aanmerken als ondergeschikte bouwdelen als bedoeld in artikel 1.69 van de planregels. Eiser heeft hiertegen ook geen gronden aangevoerd. Dit betekent dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en dat sprake is van een gebonden beschikking. Dit betekent dat er geen ruimte was voor verweerder voor een belangenafweging en dat de gronden met betrekking tot geluid- en geurhinder en uitzicht niet kunnen slagen.

7.1

Volgens eiser heeft de afvoerpijp forse impact op het achteraanzicht van het pand. Het gaat om een pand uit het begin van de twintigste eeuw, dat prachtig is gerenoveerd en waar de afvoerpijp totaal niet bij past. In het advies van juli 2018 keurde de Welstandscommissie de afvoerpijp nog af en werd er aangedrongen op een oplossing waarbij de pijp zou verdwijnen. In het tweede advies is dit punt volledig vervallen en wordt slechts gesproken over aanpassing van kleur en formaat van de afvoerpijp.

7.2.

De welstandscommissie heeft het bouwplan getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”. In een eerste, negatief advies van 4 juli 2018 merkt de Welstandscommissie op niet in te kunnen stemmen met het plaatsen van een installatie op het dak van de uitbouw en een afvoerpijp langs de gevel. Uitgangspunt binnen de Welstandsnota is dat installatie binnen een gebouw worden geplaatst. Indien dit niet mogelijk is, dienen deze een ondergeschikt element in de omgeving te zijn. Het bouwplan wordt wat betreft schaal en uitstraling te opvallend geacht. Vooral het materiaal en de beëindiging van de pijp worden storend geacht. De Welstandscommissie verzoekt om onderzoek naar alternatieven, zoals het toepassen van een ontgeuringsinstallatie die een dergelijke pijp onnodig maken.

7.3

In een volgend, positief advies van 29 augustus 2018 constateert de Welstands-commissie dat een alternatieve oplossing niet mogelijk is. Met de voorgestelde aanpassing van de kleur van de pijp en de verkleining van de beëindiging daarvan zijn de toevoegingen minder opvallend en zijn kast en pijp acceptabel. Zij hebben geen invloed op het straatbeeld en de impact op de achtergevel en het binnengebied is met de aanpassingen genuanceerd.

7.4

Volgens vaste rechtspraak kan verweerder (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2894), hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

7.5

De rechtbank is niet is gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit advies niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mag leggen. Ook heeft eiser geen tegengesteld advies overgelegd van een ander deskundig te achten persoon of instantie of gemotiveerd aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de welstandscriteria. De eigen opvatting van eiser, dat het bouwplan niet past bij het gerenoveerde pand is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de welstandscommissie. Gelet hierop heeft verweerder het welstandsadvies mogen overnemen.

7.6

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het positieve welstandsadvies, op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan van vergunninghouder niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

7.7

Dat het bouwplan niet overeenkomstig de vergunning is uitgevoerd, zoals eiser betoogt, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Desgewenst kan eiser om handhavend optreden tegen deze afwijking verzoeken.

8. Nu van strijd met het Bouwbesluit 2012 of de gemeentelijke bouwverordening evenmin is gebleken, zijn er, gelet op het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 2.10 van de Wabo, geen gronden aanwezig om de omgevingsvergunning te weigeren, zodat verweerder verplicht was om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.