Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9211

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. Verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6844

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , verblijvende voorheen te [land] thans te [plaats] , en [eiseres], eisers

(gemachtigden: mr. M. van Weeren, mr. S. de Graaff en mr. J.T.E. Vis),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, het College van procureurs-generaal, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om informatie van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat alleen de rechtbank van de niet openbaargemaakte stukken/passages kennis mag nemen. Eisers hebben bij brief van 22 januari 2020 de rechtbank toestemming verleend mede op basis van deze stukken/passages uitspraak te doen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid plaatsgevonden via een skypeverbinding op 30 juni 2020. Daaraan namen deel:

- eiser;

- de gemachtigden van eiser;

- de gemachtigde van verweerder en [medewerker OM] , medewerker van het Openbaar Ministerie (OM).

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Eisers hebben op 29 januari 2019 op grond van artikel 3 van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle documenten die gaan over het bezoek van zaaksofficier de heer [zaaksofficier] , hoofdofficier [hoofdofficier] en de liaisonofficier aan Thailand op of omstreeks 6 september 2018 (hierna ook: “het bezoek aan Thailand”).

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder meegedeeld dat 49 documenten zijn aangetroffen. Bij het primaire besluit is een inventarislijst gevoegd waarbij per document is aangegeven wat is besloten en op welke grondslag. De aangetroffen documenten zijn in twee categorieën uitgesplitst, de meer inhoudelijke documenten (genummerd 1 tot en met 15a) en de documenten over het organiseren van de dienstreis (genummerd 16 tot en met 35). Vier documenten zijn geheel geweigerd.

4. Bij het besteden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van een drietal in de inventarislijst vermelde weigeringsgronden.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling, waarbij wordt ingegaan op wat partijen in beroep hebben aangevoerd.

Achterhouden stukken (‘Er moet méér zijn’)

6.1.

Eisers voeren aan dat zij nog steeds het ernstige vermoeden hebben dat documenten worden achtergehouden. Eisers achten het zeer onaannemelijk dat [zaaksofficier] en [hoofdofficier] zowel voorafgaand, tijdens als na de reis geen enkele inhoudelijke correspondentie hebben gevoerd met hun collega’s en dat geen enkele verslaglegging heeft plaatsgevonden. Bij het bezwaarschrift zijn overgelegd de brieven van 23 augustus 2018 en 10 oktober 2018 en de reactie van de Thaise autoriteiten van 11 januari 2019. Deze correspondentie is niet in de inventarislijst terug te vinden. Verweerder stelt ten onrechte dat deze briefwisseling wel is meegenomen als document nummer 7a maar is geweigerd op grond van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de stukken onderdeel zijn van het strafdossier. Deze brieven zijn pas, na het primaire besluit, op 25 juni 2019, aan het strafdossier toegevoegd. Eisers vermoeden dat [zaaksofficier] de documenten niet aan het strafdossier had toegevoegd, indien er geen Wob-verzoek was gedaan. Eisers vermoeden dat [zaaksofficier] in het strafdossier ook documenten achterhoudt, hetgeen onrechtmatig is.

Indien geen verslaglegging heeft plaatsgevonden is dat in strijd met de verbaliseringsplicht van artikel 152, eerste lid, Sv en er gelden vaste protocollen, onder meer voortvloeiende uit het WODC-onderzoek (A.2241) “internationale politiële informatie-uitwisseling” uitgevoerd door [A] en seQure (2014), waaruit blijkt dat van alle activiteiten, zoals besprekingen en telefoongesprekken, verslag/rapport dient te worden opgemaakt.

Eisers stellen dat het ook onwaarschijnlijk is dat geen e-mailcorrespondentie of WhatsApp- en/of sms-verkeer heeft plaatsgevonden. Het achterwege blijven daarvan is in strijd met het zorgvuldigheids- en transparantiebeginsel. Uit bijlage 4 blijkt dat er wel WhatsAppverkeer heeft plaatsgevonden, in ieder geval met een van de raadslieden op 5 september 2018. Deze WhatsAppberichten zijn ten onrechte niet overgelegd.

Eisers stellen dat ook gelet op de e-mail van 17 september 2018 het ongeloofwaardig is dat er geen verslaglegging heeft plaatsgevonden. In die e-mail wordt immers door een van de collega’s van [zaaksofficier] expliciet gevraagd of er nog een schriftelijk verslag komt van de besprekingen in Thailand. Eiser achten het hoogst opmerkelijk dat daarop geen reactie is gekomen. Het is niet waarschijnlijk dat er alleen mondeling terugkoppeling heeft plaatsgevonden. Verslaglegging is nodig voor het informeren van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Tweede Kamer.

Eisers stellen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat informatie met betrekking tot het overleg met de organisatie Prison Law niet onder het bereik van het Wob-verzoek valt. Deze informatie is immers verstrekt in een brief die betrekking heeft op het bezoek van [zaaksofficier] aan de Thai.

6.2.

Verweerder heeft gesteld dat er niet méér documenten zijn die betrekking hebben op het bezoek aan Thailand in september 2018. Evenals bij de eerdere bezoeken het geval was, is er zo weinig mogelijk vastgelegd met het oog op vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid. De communicatie en terugkoppeling heeft zo veel mogelijk mondeling plaatsgevonden. Omdat het bezoek aan Thailand niet plaatsvond in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten maar in het kader van het onderhouden van de relatie met de Thaise autoriteiten is de verbaliseringsplicht niet van toepassing. De verwijzing naar protocollen is volgens verweerder onvoldoende gemotiveerd.

Bij de inventarisatie van de documenten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen is ook bezien of er SMS- of WhatsAppberichten beschikbaar zijn. Daarvoor is navraag gedaan bij [hoofdofficier] . Er is geen WhatsAppcorrespondentie (meer) die binnen de reikwijdte van het verzoek valt. Dat de gemachtigde van eiser over WhatsAppcorrespondentie beschikt doet daaraan niet af.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bestuurlijke informatie met betrekking tot het overleg met de organisatie Prison Law buiten het bereik van het Wob-verzoek valt omdat dit overleg niet over de dienstreis ging. Dat aan dit overleg wordt gerefereerd in document 1a maakt dit niet anders.

6.3.

Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat toch meer en andere documenten dan zijn verstrekt of gemotiveerd zijn geweigerd onder dat bestuursorgaan berusten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3713, r.o. 4.1).

De rechtbank ziet in de stellingen van eisers geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat niet méér documenten met betrekking tot het bezoek aan Thailand in september 2018 aanwezig zijn.

Dat de werkwijze van de zaaksofficier en de hoofdofficier tot gevolg heeft dat er weinig op schrift is gesteld, acht de rechtbank niet ongeloofwaardig. Zoals verweerder stelt, blijkt uit het onder geheimhouding overgelegde ambtsbericht van 9 oktober 2018 dat de terugkoppeling mondeling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat in de brief van 23 augustus 2018 in de bijlage bij het primaire besluit is vermeld en dat dit document is geweigerd op grond van artikel 30 Sv dat ten opzichte van de Wob geldt als een bijzondere openbaarmakingsregeling. De brief van 23 augustus 2018 (document 7a op de inventarislijst) is dus niet achtergehouden. Verweerder stelt terecht in het verweerschrift dat de brieven van 10 oktober 2018 en 11 januari 2019 niet onder het bereik van het Wob-verzoek vallen, omdat deze geen betrekking hebben op de bestuurlijke aangelegenheid, het bezoek aan Thailand op 6 september 2018, maar op een verzoek om informatie over procedures en mogelijkheden om een veroordeelde persoon over te brengen van Thailand naar een ander land. Nu deze brieven niet onder het bereik van het Wob-verzoek vallen betreft het geen door verweerder achtergehouden stukken. Nu deze brieven kennelijk in de strafrechtelijke procedure aan eisers zijn overgelegd ziet de rechtbank in het bestaan van deze brieven ook geen aanwijzing dat verweerder andere stukken voor eisers achterhoudt.

6.4.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat voor het bezoek aan Thailand op grond van artikel 152, eerste lid, Sv een verbaliseringsplicht gold. De rechtbank ziet niet in hoe uit een WODC-onderzoek een dergelijke verplichting voor verweerder voortvloeit. Eisers hebben geen concrete toepasselijke protocollen genoemd. Het uiteindelijk oordeel over het bestaan van een verbaliseringsplicht is overigens aan de strafrechter. Bovendien gaat het bij de toepassing van de Wob om openbaarmaking van documenten die er daadwerkelijk zijn. Indien ten onrechte geen processen-verbaal zouden zijn opgesteld, betekent dat niet verweerder dat in het kader van de Wob documenten achter heeft gehouden.

Het betoog van verweerder dat na onderzoek bij de hoofdofficier [hoofdofficier] is gebleken dat geen WhatsAppberichten met betrekking tot het bezoek aan Thailand in september 2018 (meer) zijn aangetroffen, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Dat de advocaat van eiser deze wel heeft doet daar niet aan af.

6.5.

In de omstandigheid dat in de e-mail van 17 september 2018 door een van de medewerkers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid expliciet wordt gevraagd of er nog een schriftelijk verslag komt van de besprekingen in Thailand, ziet de rechtbank geen aanwijzing dat een dergelijk verslag er ook moet zijn. Uit de vraagstelling blijkt enkel dat er nog geen verslag is. De stellingen van verweerder dat een dergelijk verslag er niet is en een mondelinge terugkoppeling heeft plaatsgevonden, hetgeen ook kan verklaren waarom er geen antwoord is op de e-mail van 17 september 2018, acht te rechtbank mede gelet op hetgeen onder 6.3 is overwogen niet ongeloofwaardig.

Verweerder heeft tot slot terecht gesteld dat overleg met de organisatie Prison Law geen betrekking heeft op het bezoek aan Thailand. Eventuele documenten over dat overleg vallen niet onder het bereik van het Wob-verzoek en zijn dan ook niet door verweerder achtergehouden. Dat in document 1a wordt gerefereerd aan dit overleg, maakt voorgaande niet anders.

Geheel geweigerde documenten

7.1.

Eisers stellen dat verweerder ten onrechte openbaarmaking van de documenten 7a, 9, 12a en 13a geheel heeft geweigerd. De ratio van de Wob is het reguleren van de informatievoorziening ten behoeve van de controle op de goede en democratische bestuursvoering van bestuursorganen. De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport van 11 maart 2019 geoordeeld dat de Nederlandse Staat onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van eisers. Ook uit een uitzending van Zembla op 7 november 2019 blijkt dat het OM fouten heeft gemaakt in de zaak van eisers.

Het belang van eisers is gelegen in waarheidsvinding, namelijk de waarheid over de wijze waarop de overheid in hun dossier heeft gehandeld. Dit belang dient, gelet op het exceptionele karakter van eisers zaak, zwaarder te wegen dan het belang om de stukken niet openbaar te maken.

7.2.

Verweerder stelt dat aan het specifieke belang van eisers geen betekenis toekomt. Bij de te verrichten belangenafweging wordt volgens vaste jurisprudentie het publieke belang van openbaarmaking verondersteld. Verweerder dient dit belang af te wegen tegen de belangen die gemoeid zijn met de weigeringsgronden van de Wob.

7.3.

De rechtbank stelt vast, zoals hiervoor onder 6.3. overwogen dat openbaarmaking van document 7a is geweigerd, omdat de Wob niet van toepassing is, aangezien de openbaarmakingsregeling van artikel 30 Sv voor gaat op de Wob. Verweerder kon derhalve niet aan een belangenafweging toekomen.

Bij de rechtbank is niet het primaire besluit in geschil is, maar het bestreden besluit. Nu niet in geschil is dat document 7a zich ten tijde van het bestreden besluit in het strafdossier bevond, heeft verweerder terecht openbaarmaking op grond van de Wob geweigerd, omdat artikel 30 Sv ten opzichte van de Wob geldt als een bijzondere uitputtende openbaarmakingsregeling.

7.4.

De documenten 12a en 13a zijn conceptbrieven. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de conceptbrieven afwijken van de definitieve brieven, het gaat om persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3563). Dit is een absolute weigeringsgrond waarbij verweerder niet aan een belangafweging kon toekomen. Verweerder heeft openbaarmaking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob terecht geweigerd.

7.5.

Document 9 is een ambtsbericht aan de minister van Justitie en Veiligheid van 9 oktober 2018.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder openbaarmaking van dat document kon weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c (opsporing en vervolging van strafbare feiten), artikel 10, tweede lid aanhef en onder e (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling). Verweerder kon zich daarbij in redelijkheid op het standpunt stellen dat het belang van volledige en vertrouwelijke informatievoorziening tussen College van Procureurs-Generaal en de Minister van Justitie en Veiligheid, die voorwaarde is voor de minister om uitvoering te geven aan zijn politieke verantwoordelijkheid voor het OM zwaarder weegt dan het publieke belang van openbaarmaking. Zeker in een gevoelige strafzaak zoals die van eiser moet het OM de minister in alle vertrouwelijkheid kunnen informeren in verband met de politieke verantwoordelijkheid van laatstgenoemde (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1153). Zoals verweerder terecht heeft gesteld zal, indien niet de mogelijkheid bestaat om dit overleg vertrouwelijk te kunnen voeren, de vrees bestaan dat in de berichtgeving over strafzaken er, bewust of onbewust, rekening mee wordt gehouden dat de verstrekte informatie achteraf openbaar kan worden gemaakt. Dit zal de informatievoorziening tussen de minister en het OM bemoeilijken. Het betoog van eisers slaagt niet.

Gedeeltelijk geweigerde documenten

8.1.

Eisers vinden het onvoldoende aannemelijk dat met de openbaarmaking van de geweigerde passages in de documenten 1a, 2, 3 en 9 het belang van opsporing en vervolging in geding is. Eisers voeren daartoe aan dat het onderzoek al ruim acht jaar loopt, momenteel geen sprake is van opsporing en vervolging thans net aanhangig is. Nu het bezoek aan Thailand volgens verweerder was bedoeld om de relaties met de Thaise autoriteiten te onderhouden, konden de geweigerde passages niet de opsporing en vervolging van strafbare feiten betreffen.

8.2.

Verweerder stelt dat in deze documenten informatie is opgenomen die ziet op een lopende strafzaak. Openbaarmaking zou inzage geven in de inhoud de gemaakte afwegingen en de stand van het onderzoek. Verweerder vindt dat het belang van opsporing en vervolging zwaarder weegt dat het belang van openbaarmaking van deze stukken.

8.3

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de documenten 1a, 2, 3, en 9. Ten aanzien van document 9 merkt de rechtbank vooraf op dat dit document reeds op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling) geheel geweigerd mocht worden (zie rechtsoverweging 7.5.).

In de documenten 1a, 2, 3, en 9 is informatie opgenomen die verband houdt met het strafrechtelijk onderzoek in verband met de strafzaak tegen eiser in Nederland. De stelling van verweerder dat het bezoek in het teken stond van het onderhouden van de relatie met de Thaise autoriteiten, sluit niet uit dat in de over het bezoek aangetroffen documenten gegevens staan met betrekking tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Anders dan eisers stellen is de fase van opsporing en vervolging nog niet afgesloten nu, zoals verweerder heeft gesteld, de strafzaak tegen eerstgenoemde eiser in Nederland feitelijk nog moet beginnen, er nog allerlei handelingen moeten worden verricht en het strafdossier verder zal worden aangevuld. Openbaarmaking kan de vervolging dan ook frustreren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Voor zover in de betreffende stukken sprake is van feitelijke informatie is deze informatie zo nauw verweven met de geheim te houden informatie dat het niet mogelijk dan wel niet zinvol is deze informatie openbaar te maken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0664).

9.1.

Eisers stellen dat de persoon die is meegereisd naar Thailand met [hoofdofficier] inmiddels bekend is. De naam van deze persoon, de heer [zaaksofficier] , is reeds in de pers openbaar gemaakt. Het belang van openbaarmaking van de naam van deze persoon dient zwaarder te wegen dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

9.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van

medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de verzoeker aannemelijk maakt dat het belang van openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.

De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat het enkele feit dat een medewerker zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in de openbare ruimte begeeft, niet met zich brengt dat hij wegens zijn functie in de openbaarheid treedt.

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarmaking van de persoon die met [hoofdofficier] is meegereisd naar Thailand zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze persoon. Dat eisers stellen dat deze persoon inmiddels al bekend is, doet daaraan niet af.

10.1

Eisers stellen dat zij het niet aannemelijk achten dat de documenten 3, 14 en 15 persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, gelet op de context van de overige inhoud van deze documenten.

10.2.

Verweerder stelt dat passages in deze e-mails die niet openbaar zijn gemaakt wel degelijk persoonlijke beleidsopvattingen bevatten en dat het niet om uitsluitend feitelijkheden gaat.

10.3.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van deze documenten. De rechtbank is van oordeel dat deze documenten zijn bestemd voor intern beraad en deels persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De context staat daaraan niet in de weg. Verweerder heeft openbaarmaking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob terecht geweigerd.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 22 september 2020 gedaan door mr. J.L.E. Bakels, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wetboek van Strafvordering (Sv)

Artikel 30

1. De kennisneming van de processtukken wordt de verdachte op diens verzoek tijdens het voorbereidende onderzoek verleend door de officier van justitie. De kennisneming wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor na aanhouding.

2 Indien de officier van justitie in gebreke blijft de kennisneming te verlenen, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke de kennisneming van processtukken wordt verleend. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie.

3 Niettemin kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden.

4 De verdachte wordt in het geval, bedoeld in het derde lid, schriftelijk medegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn. De verdachte kan binnen veertien dagen na dagtekening van de mededeling, bedoeld in de vorige volzin, en daarna telkens na periodes van dertig dagen, een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris. Alvorens te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en stelt hij de verdachte in de gelegenheid om opmerkingen te maken.

Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

Artikel 10

1. (…).

2 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a-b (…);

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. (…);

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Artikel 11

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.