Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9189

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
SGR 19/6707
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft de invordering van een verbeurde dwangsom. Verweerder heeft de invordering van de dwangsom opgeschort. Naar aanleiding van het door de verzoeker om handhaving ingediende bezwaar heeft verweerder bij de beslissing op bezwaar het onderdeel van het primaire besluit dat zag op het opschorten van de invordering van de verbeurde dwangsom herroepen. De rechtbank oordeelt dat deze opschorting moet worden begrepen als een uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb. Daarmee is het ook een besluit in de zin van de Awb. De verzoeker om handhaving dient als belanghebbende te worden aangemerkt bij de beslissing tot uitstel van betaling. De betaling van de ingevorderde dwangsom geldt immers als sluitstuk van het handhavingstraject. Verweerder heeft het bestreden besluit op de juiste gronden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6707

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

VOF Melkgeitenbedrijf Mooimekkerland, te Stolwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. S.W. Boot).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] , te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt voorlopig niet over te gaan tot het innen van een verbeurde dwangsom.

Bij besluit van 5 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de derde-partij ( [derde partij] ) gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Namens eiseres zijn verschenen de vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door de gemachtigde. [derde partij] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 3 augustus 2017 is aan één van de vennoten van eiseres mondeling een bouwstop opgelegd. Dit is schriftelijk bevestigd bij besluit van 4 augustus 2017. Daarbij is

gelast de bouwwerkzaamheden aan de wagenberging met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per constatering, waarbij één constatering per week plaats kan vinden, met een maximum van € 250.000,-.

1.2

Tijdens een controle op 8 augustus 2017 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat geen gevolg was gegeven aan de bouwstop. Het dak, de gevelbeplating en de deuren waren geheel geplaatst en afgewerkt.

1.3

Bij besluit van 10 augustus 2017 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 25.000,-. Voor het betalen daarvan heeft eiseres een termijn van zes weken gekregen.

1.4

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 augustus 2017 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vast staat.

1.5

Vanwege het uitblijven van betaling heeft verweerder eiseres bij brief van 1 maart 2018 aangemaand de verbeurde dwangsom, vermeerderd met de wettelijke rente en de aanmaningskosten, binnen twee weken te voldoen.

1.6

Bij brief van 15 maart 2018 heeft eiseres verweerder verzocht om kwijtschelding van de verbeurde dwangsom.

2. Bij het primaire besluit van 10 april 2018 heeft verweerder het verzoek tot kwijtschelding afgewezen. Wel heeft verweerder aanleiding gezien de invordering van de dwangsom op te schorten tot het moment dat verweerder een definitief antwoord van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft gekregen op zijn verzoek tot ontheffing van de in de Omgevingsverordening Zuid-Holland opgenomen zogenaamde geitenstop, en er als gevolg daarvan meer duidelijkheid is over de (on)mogelijkheid om alsnog positief te beslissen op de openstaande aanvragen van eiseres om een omgevingsvergunning voor aanpassing van de bedrijfsvoering.

3. Op 7 augustus 2018 heeft verweerder aan eiseres een aanmaning gestuurd om binnen zes weken na verzending van de brief tot betaling van de verbeurde dwangsom over te gaan.

4. Bij brief van 5 november 2018 heeft [derde partij] (hierna: [derde partij] ) tegen de opschorting van de invordering van de dwangsom, die onderdeel is van het primaire besluit, bezwaar gemaakt.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [derde partij] gegrond verklaard en het primaire besluit (althans de opschorting van de invordering) herroepen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het invorderingsbesluit onherroepelijk is en het niet aantoonbaar evident is dat eiseres gezien haar financiële draagkracht niet in staat is de verbeurde dwangsom te betalen. Dit betekent dat de invordering niet wordt opgeschort en dat er geen uitstel van betaling wordt verleend.

6. Bij het indienen van de gedingstukken heeft verweerder om geheimhouding verzocht van de antwoordbrief bijzondere omstandigheden van eiseres van 19 juli 2019, omdat deze brief bedrijfsgegevens van eiseres bevat. De rechtbank heeft dit stuk niet nodig ter beoordeling van het beroep. Zij heeft dit stuk daarom niet aan het dossier toegevoegd en retour gezonden aan verweerder. Gelet hierop hoeft de rechtbank zich ook niet uit te laten over de vraag of op dit stuk geheimhouding moet worden toegepast.

7.1

Eiseres stelt dat verweerder de brief van 10 april 2018 ten onrechte als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt. Het gaat om een feitelijke handeling. Het besluit tot invordering staat niet (meer) ter discussie. Het gaat uitsluitend nog om het moment dat de ingevorderde dwangsom volledig dient te zijn betaald. Van een wijziging van de invorderingsbeschikking is geen sprake. Het vooralsnog niet innen van de verbeurde dwangsom tast de inhoud en de strekking van dat besluit niet aan.

7.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing tot opschorting een besluit is, primair omdat deze beslissing kan worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit van de invorderingsbeslissing, subsidiair omdat deze kan worden gezien als het instemmen met een uitstel van betaling.

7.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om opschorting van de invordering toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze opschorting worden begrepen als een uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb. Daarmee is het ook een besluit in de zin van de Awb. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2196).

8.1

Eiseres betoogt dat het uitgesteld betalen van de reeds ingevorderde dwangsom geen belang is dat [derde partij] aangaat. Ware dit anders, dan zou [derde partij] invloed kunnen uitoefenen op de uitdrukkelijk aan verweerder opgelegde verplichting rekening te houden met de financiële draagkracht van eiseres.

8.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat [derde partij] als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij de beslissing tot uitstel van betaling. Hiertoe overweegt de rechtbank dat [derde partij] om handhaving heeft verzocht en de betaling van de ingevorderde dwangsom als sluitstuk van het handhavingstraject geldt.

9. Vast staat dat [derde partij] niet binnen zes weken na bekendmaking van het primaire besluit bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding verschoonbaar. Dit komt doordat het primaire besluit alleen aan eiseres bekend is gemaakt. Niet in geschil is dat [derde partij] bezwaar heeft gemaakt kort nadat hij op de hoogte was geraakt van het besluit tot uitstel van betaling. Verweerder heeft [derde partij] derhalve terecht ontvangen in zijn bezwaar.

10. Eiseres stelt dat de opgelegde last disproportioneel is. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Nog daargelaten dat eiseres haar standpunt niet verder onderbouwt, is de op 3 augustus 2017 opgelegde last onder dwangsom onherroepelijk, omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dat betekent dat de daarin opgelegde sanctie vaststaat. Het uitgangspunt is dat deze niet meer kan worden aangevochten, tenzij sprake is van een evidente misslag. Daarvan is niet gebleken.

11.1

Eiseres stelt ten slotte dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikt om de verbeurde dwangsom te betalen. Ten onrechte wordt hieraan door verweerder voorbijgegaan.

11.2

De rechtbank stelt voorop dat aan de mogelijkheid van uitstel van betaling behoefte bestaat in gevallen waarin in redelijkheid niet van de schuldenaar kan worden verwacht dat hij de verschuldigde geldsom binnen de betalingstermijn aan het bestuursorgaan betaalt.

11.3

Anders dan eiseres stelt, blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de financiële draagkracht van eiseres wel degelijk heeft betrokken bij de besluitvorming. In het bestreden besluit heeft verweerder opgenomen dat uit de door eiseres verstrekte (financiële) gegevens niet kan worden afgeleid dat zij niet in staat is de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Eiseres heeft niet aangegeven op grond waarvan het door verweerder ingenomen standpunt onjuist is. Het betoog van eiseres faalt.

12. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het bezwaar van [derde partij] terecht gegrond heeft verklaard. Het onderdeel van het primaire besluit dat zag op het opschorten van de invordering van de verbeurde dwangsom is op juiste gronden herroepen.

13. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.