Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
SGR 19/5826
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft de weigering van een verzoek van het college van b&w aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (gs) om ontheffing te verlenen van de in de Omgevingsverordening Zuid-Holland (Omgevingsverordening) opgenomen geitenstop. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de gerealiseerde uitbreidingen van de geitenhouderij heeft het college van b&w ontheffing nodig van de geitenstop. De rechtbank volgt het college van b&w niet in het betoog dat de Omgevingsverordening op onderdelen onverbindend moet worden verklaard. Er is voorts geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gs ontheffing had moeten verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5826

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard, eiser

(gemachtigde: mr. S.W. Boot),

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. J.P.J. Kreeft en mr. R.C.J. van den Berg).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

het Buurtcomité [weg], te Stolwijk.

[derde partij 1] , te [woonplaats] ,

VOF Melkgeitenboerderij Mooimekkerland (Mooimekkerland), te Stolwijk, (gemachtigde: mr. J. van Groningen),

[derde partij 2] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser ontheffing te verlenen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Namens eiser zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens het Buurtcomité Koolwijkseweg is verschenen [C] . [derde partij 1] is verschenen. Namens Mooimekkerland zijn verschenen [D] en [E] , bijgestaan door de gemachtigde. [derde partij 2] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan de [weg] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [vestigingsplaats] is sinds 2001 melkgeitenbedrijf Mooimekkerland gevestigd. In de loop der jaren heeft Mooimekkerland het aantal geiten en haar bedrijfsbebouwing uitgebreid. In 2016 heeft Mooimekkerland aan eiser verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen ter legalisatie van de door haar gerealiseerde uitbreidingen en ook van de met het bestemmingsplan strijdige gebruiksactiviteiten. Het betreft een aanvraag in twee fasen.

1.2

Op 20 december 2017 hebben provinciale staten van Zuid-Holland (provinciale staten) besloten tot het wijzigen van de toen geldende Verordening ruimte 2014. Met deze wijziging zijn onder meer regels opgenomen die nieuwvestiging van geitenhouderijen dan wel uitbreiding van bestaande geitenhouderijen uitsluiten. Deze regels zijn op 19 januari 2018 in werking getreden. Op 20 februari 2019 hebben provinciale staten de Omgevingsverordening Zuid-Holland (Omgevingsverordening) vastgesteld. Deze is op 1 april 2019 in werking getreden, onder intrekking van de Verordening ruimte 2014. In de Omgevingsverordening zijn dezelfde regels met betrekking tot de zogenaamde geitenstop opgenomen als in de daarvoor geldende Verordening ruimte 2014.

1.3

Op 17 mei 2019 heeft eiser bij verweerder om ontheffing gevraagd van de artikelen 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening ten behoeve van het legaliseren van de strijdigheden op het perceel [weg] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [vestigingsplaats] (het perceel).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd de verzochte ontheffing te verlenen.

3. De wet- en regelgeving die de basis is voor het oordeel van de rechtbank staat in de bijlage bij deze uitspraak.

4. De rechtbank stelt vast dat artikel 6.29 van de Omgevingsverordening de in artikel 4.1a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bedoelde mogelijkheid biedt om ontheffing te verlenen van een in de Omgevingsverordening opgenomen instructieregel om een bestemmingsplan vast te stellen met in inachtneming van de regels van de verordening. De in artikel 6 .18, eerste lid, aanhef onder k, van de Omgevingsverordening opgenomen verplichting om in een bestemmingsplan een geitenstop op te nemen, betreft een dergelijke instructieregel. Blijkens artikel 4.1, eerste lid, in samenhang met artikel 4.1a, tweede lid, van de Wro geldt de ontheffingsmogelijkheid ook wanneer het bevoegde gezag een omgevingsvergunning wenst te verlenen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

5.1

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de door Mooimekkerland gerealiseerde uitbreidingen een ontheffing van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening nodig heeft. Daartoe zal in de eerste plaats beoordeeld moeten worden of de gerealiseerde uitbreidingen van Mooimekkerland binnen het bestemmingsplan passen.

5.2

Volgens eiser is geen ontheffing nodig, omdat de ontwikkelingen waarvoor Mooimekkerland omgevingsvergunningen heeft aangevraagd in het huidige bestemmingsplan passen. Eiser stelt dat zijn bedrijf een reëel grondgebonden graasdierbedrijf is en als zodanig past binnen de agrarische bestemming die op zijn perceel rust. Hij wijst erop dat geiten per definitie graasdieren zijn. Het gras afkomstig van het betreffende perceel en andere in gebruik zijnde percelen wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van de geiten. De term ‘grondgebonden’ wordt in het bestemmingsplan niet zelfstandig gedefinieerd, zodat moet worden aangesloten bij wat daaronder in het normaal spraakgebruik wordt verstaan, te weten dat het agrarische bedrijf in een bepaalde mate afhankelijk is van het voortbrengende vermogen van de grond.

5.3

De rechtbank stelt vast dat het perceel is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Op dit perceel rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De als zodanig aangewezen gronden zijn onder meer aangewezen voor reële grondgebonden graasdierbedrijven. In artikel 1.36 van de bestemmingsplanregels wordt een ‘graasdierbedrijf’ gedefinieerd als een agrarisch bedrijf dat afhankelijk is van grasland vanwege het beweiden van dieren zoals rundvee, schapen, geiten of grasverkoop.

5.4

De rechtbank stelt voorts vast dat in artikel 1.37 van de bestemmingsplanregels wordt uitgelegd wat onder een ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ wordt verstaan. Aangezien een graasdierbedrijf volgens artikel 1.36 van de bestemmingsplanregels wordt aangemerkt als een agrarisch bedrijf dient, anders dan eiser betoogt, voor de uitleg van de term ‘grondgebonden’ in dit geval aansluiting te worden gezocht bij artikel 1.37 van de bestemmingsplanregels.

5.5

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een graasdierbedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan. Volgens de begripsbepaling is voor een graasdierbedrijf bepalend of sprake is van het beweiden van dieren. Niet in geschil is dat de bedrijfsvoering van Mooimekkerland vrijwel geheel in gebouwen plaatsvindt. Er wordt geen weidegang van geiten toegepast. De omstandigheid dat het gras van het land wordt gebruikt om de geiten te voeren, is niet gelijk te stellen met het laten grazen van geiten op het land. De rechtbank is het ook met verweerder eens dat niet wordt voldaan aan de begripsbepaling van een ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ omdat daarvoor vereist is dat de bedrijfsvoering geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Daarvan is bij Mooimekkerland geen sprake.

5.6

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de door Mooimekkerland gerealiseerde bedrijfsuitbreiding niet past binnen het geldende bestemmingsplan.

6.1

Eiser stelt dat de bedrijfsuitbreiding niet in strijd is met de geitenstop die in de Omgevingsverordening is opgenomen. Volgens eiser is geen sprake van het oprichten van nieuwe bebouwing of het in gebruik nemen van bestaande bebouwing. De bebouwing was reeds gerealiseerd en in gebruik genomen vóór de inwerkingtreding van de geitenstop in de Omgevingsverordening. Sinds de inwerkingtreding van de geitenstop is ook het aantal geiten niet toegenomen, aldus eiser.

6.2

Voor de beantwoording van de vraag wat onder bestaande bebouwing moet worden verstaan, is artikel 6.8 van de Omgevingsverordening bepalend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door Mooimekkerland gerealiseerde uitbreiding van de bebouwing niet onder de definitie van ‘bestaand’ van artikel 6.8, eerste lid, van de Omgevingsverordening valt. Het betreft geen bebouwing die reeds rechtmatig aanwezig was op het moment dat de Omgevingsverordening in werking trad. Weliswaar heeft Mooimekkerland in 2016 voor deze uitbreiding een omgevingsvergunning aangevraagd, maar dit is geen omgevingsvergunning die op grond van het geldende bestemmingsplan moet of kan worden verleend. Voor het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning zal eiser gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.

6.3

Uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij is op grond van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening wel toegestaan als het aantal geiten niet toeneemt. Partijen twisten over de vraag of het aantal geiten toeneemt. Volgens eiser en Mooimekkerland moet uitgegaan worden van het aantal geiten dat feitelijk aanwezig was op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening. Het gaat daarbij om 2568 geiten. Volgens verweerder moet uitgegaan worden van de bestaande rechtmatige situatie bij inwerkingtreding van de Omgevingsverordening. Het gaat daarbij volgens verweerder om de laatst gedane melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Er zijn toen 812 geiten gemeld.

6.4

Gelet op het doel van de in de Omgevingsverordening opgenomen geitenstop en naar analogie van artikel 6.8, eerste lid, van de Omgevingsverordening is de rechtbank van oordeel dat onder een ‘bestaande’ geitenhouderij niet alleen de rechtmatig aanwezige bebouwing, maar ook het rechtmatig aanwezige aantal geiten moet worden begrepen. Wat betreft de op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening feitelijk aanwezige geiten beschikte Mooimekkerland nog niet over de daarvoor vereiste omgevingsvergunning milieu. Dat betekent dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat moet worden uitgegaan van het aantal geiten dat laatstelijk bij het bevoegd gezag is gemeld op grond van het Activiteitenbesluit, te weten een aantal van 812. De omstandigheid dat Mooimekkerland in 2016 een vergunning voor 3000 geiten heeft gekregen op grond van de toen geldende Natuurbeschermingswet 1998 voor 3000, leidt niet tot een ander oordeel. Die vergunning laat immers onverlet dat voor het uitbreiden van de bebouwing en het aantal geiten van de geitenhouderij ook een omgevingsvergunning vereist was.

6.5

De rechtbank concludeert aldus dat sprake is van de uitbreiding van een bestaande geitenhouderij. Om de door Mooimekkerland gerealiseerde uitbreidingen te kunnen legaliseren, zal met een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan moeten worden afgeweken. Voor het verlenen van die omgevingsvergunning heeft eiser ontheffing nodig van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening.

7.1

Eiser stelt dat Mooimekkerland de gefaseerde aanvragen heeft ingediend voordat de geitenstop in de Omgevingsverordening werd opgenomen. Volgens eiser dient derhalve getoetst te worden aan de verordening zoals die gold ten tijde van het indienen van de aanvragen, dat wil zeggen voordat in de Omgevingsverordening een geitenstop werd opgenomen.

7.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Het uitgangspunt is dat een besluit moet worden genomen op basis van het recht dat geldt op het moment van het nemen van dat besluit. Dit is – voor zover hier van belang – alleen anders als het recht dat gold ten tijde van de aanvraag voor de activiteit bouwen nadien ten nadele van de aanvrager wijzigt, terwijl die aanvraag zonder meer verleend kon worden op grond van de regels die golden ten tijde van de aanvraag. Deze uitzondering doet zich hier niet voor. De door Mooimekkerland ingediende gefaseerde aanvragen hebben niet alleen betrekking op de activiteit bouwen, maar ook op de activiteit strijdig gebruik en de activiteit milieu. Nu de Omgevingsverordening geen overgangsrecht bevat dat voor deze zaak van betekenis is, heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht getoetst aan de Omgevingsverordening zoals die luidde toen het bestreden besluit werd genomen.

8.1.1

Eiser stelt dat artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening onverbindend dient te worden verklaard. De door verweerder in het bestreden besluit gestelde gezondheidsrisico’s staan volgens eiser onvoldoende vast om een integrale geitenstop te kunnen rechtvaardigen. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet gekeken naar het individuele geval. De door verweerder aangehaalde onderzoeken over de vermeende gezondheidsrisico’s hebben alleen betrekking op gebieden waar veel veehouderijen voorkomen, hetgeen in Krimpenerwaard niet aan de orde is. Daarnaast is Mooimekkerland een modern gesloten bedrijf dat maatregelen heeft getroffen ter vermindering van fijnstof, aldus eiser.

8.1.2

De rechtbank overweegt dat provinciale staten de geitenstop in de Omgevingsverordening hebben opgenomen vanuit een oogpunt van volksgezondheid. Daarbij hebben zij zich gebaseerd op onderzoek van het Rijksinstituut van Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat is neergelegd in het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)” uit 2017. Daaruit blijkt dat in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogd risico op longontsteking aanwezig is. De bevindingen uit dat onderzoek zijn bevestigd in een later rapport van de Gezondheidsraad van 14 februari 2019 en het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III – Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen” van het RIVM van 23 oktober 2018.

8.1.3

Naar het oordeel van de rechtbank hebben provinciale staten onder verwijzing naar genoemde onderzoeksrapporten op basis van het voorzorgsbeginsel in redelijkheid de geitenstop in de Omgevingsverordening kunnen opnemen. Daarvoor is het niet nodig dat is aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de luchtkwaliteit en gezondheidseffecten in de nabijheid van geitenhouderijen. Dat genoemde onderzoeken alleen zijn gedaan in gebieden waar veel veehouderijen voorkomen, leidt niet tot een ander oordeel. Niet kan worden uitgesloten dat deze gezondheidsrisico’s ook gelden in gebieden waar minder veehouderijen aanwezig zijn.

8.2.1

Eiser stelt voorts dat artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsordening onverbindend is, omdat dit is vastgesteld zonder dat daaraan een zienswijzeprocedure is voorafgegaan en zonder dat in overgangsrecht is voorzien.

8.2.2

Verweerder erkent dat de geitenstop niet als afzonderlijke herziening van de verordening in procedure is gebracht, maar is toegevoegd aan de op dat moment nog lopende actualisering van de Omgevingsverordening omdat op dat moment de informatie over de verhoogde gezondheidsrisico’s beschikbaar kwam. Provinciale staten wilden zo snel mogelijk maatregelen nemen om die risico’s te verminderen. Provinciale staten hebben er voorts bewust voor gekozen om af te zien van het opnemen van overgangsrecht, om de risico’s voor de volksgezondheid zo beperkt mogelijk te houden.

8.2.3

Niet in geschil is dat provinciale staten bij het opnemen van de geitenstop in de Omgevingsverordening ten onrechte geen toepassing hebben gegeven aan artikel 4.1, zesde lid, van de Wro. Naar het oordeel van de rechtbank is deze omissie in de voorbereiding van de Omgevingsverordening echter onvoldoende om de hierin opgenomen bepaling over de geitenstop onverbindend te verklaren. Niet gebleken is dat provinciale staten bij het opnemen van de geitenstop een onzorgvuldige of onvolledige belangenafweging hebben gemaakt. Daarbij betrekt de rechtbank dat provinciale staten wel overleg hebben gevoerd met LTO over de geitenstop, en dat er vanwege de risico’s voor de volksgezondheid bewust voor is gekozen om de maatregel direct in te voeren. Provinciale Staten hebben zich hierbij rekenschap gegeven van de gevolgen die dit zou hebben voor lopende aanvragen voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen. Het ontbreken van overgangsrecht geeft de rechtbank daarom evenmin aanleiding tot het onverbindend verklaren van de bepalingen over de geitenstop, ook omdat er geen wettelijke verplichting tot het opnemen van overgangsrecht bestaat. Het betoog van eiser faalt.

9.1

Eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.1a van de Wro op grond waarvan verweerder ontheffing van de geitenstop had moeten verlenen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht het agrarisch karakter van het buitengebied in stand te houden en te versterken. Indien Mooimekkerland niet kan uitbreiden op haar perceel en daardoor mogelijk zou moeten stoppen, is het agrarische karakter van dat perceel niet langer gegarandeerd. De ruimtelijke kwaliteit is in bijzondere mate gediend met het behouden van de agrarische activiteiten op dat perceel. Volgens eiser wordt het gemeentelijk beleid onevenredig belemmerd in verhouding tot het provinciale belang.

9.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat indien geen ontheffing van de geitenstop wordt verleend, de wens van eiser om de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied te behouden weliswaar wordt bemoeilijkt, maar dat dit niet leidt tot de conclusie dat de ruimtelijke kwaliteit in bijzondere mate gediend is met de aangevraagde uitbreiding van Mooimekkerland. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen. Niet gebleken is dat de kwaliteit van de leefomgeving is gediend met deze uitbreiding, juist vanwege genoemde gezondheidsrisico’s. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in redelijkheid het belang van de volksgezondheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser en dat van Mooimekkerland.

10.1

Tot slot voert eiser aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 6.34 van de Omgevingsverordening, omdat het om een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing en bestaand gebruik gaat.

10.2

Nog daargelaten of hier inderdaad sprake is van een relatief beperkte afwijking in de zin van deze bepaling, heeft verweerder niet zonder grond benadrukt dat het toestaan van de afwijking zou resulteren in een aanzienlijke uitbreiding van het aantal geiten, waardoor het risico voor de volksgezondheid zou toenemen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat daarmee onevenredige afbreuk zou worden gedaan aan de doelstelling van de in artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening opgenomen geitenstop. Van een situatie als bedoeld in artikel 6.34 van de Omgevingsverordening die aanleiding had moeten zijn voor afwijking, is dan ook geen sprake.

11. De rechtbank concludeert dat verweerder het verzoek van eiser om ontheffing van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening terecht heeft afgewezen.

12.1

Eiser heeft ook verzocht om ontheffing van de geitenstop die is opgenomen in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingsverordening. Dit betreft een rechtstreekse regel die als toetsingsgrond geldt naast het bestemmingsplan en van toepassing blijft totdat een onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met de verordening.

12.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtstreekse regel niet van toepassing is in de situatie van Mooimekkerland, omdat de ontwikkelingen waarvoor omgevingsvergunningen zijn aangevraagd niet in het geldende bestemmingsplan passen. Daar komt bij dat ontheffing van de rechtstreekse regel niet mogelijk is omdat daarvoor geen afwijkingsmogelijkheid in de Omgevingsverordening is opgenomen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom alleen als een aanvraag om ontheffing van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening aangemerkt.

12.3

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft in dit geval niet getoetst te worden aan artikel 3.14, eerste lid, aanhef onder b, van de Omgevingsverordening, omdat eiser reeds terecht om ontheffing van de instructieregel van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening heeft verzocht. Dat maakt dat de voorbescherming die de rechtstreekse regel tot doel heeft niet aan de orde is, nog daargelaten of daarvan ontheffing kan worden verleend.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet- en regelgeving

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.

Ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Wro stelt de gemeenteraad, tenzij bij de verordening een andere termijn wordt gesteld, binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening een bestemmingsplan of een beheersverordening vast met inachtneming van de verordening.

Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Wro, kunnen bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.

Ingevolge artikel 4.1, zesde lid, van de Wro wordt een provinciale verordening als bedoeld in dit artikel niet vastgesteld dan nadat het ontwerp in de Staatscourant, langs elektronische weg en op de in de provincie gebruikelijke wijze is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken schriftelijk of langs elektronische weg opmerkingen over het ontwerp ter kennis van provinciale staten te brengen.

Ingevolge artikel 4.1a, eerste lid, van de Wro, kan bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, wordt, voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, deze ontheffing aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;

c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;

d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge artikel 6 . 6 , eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de wet wordt afgeweken van regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, niet verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben, onderscheidenlijk Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Ingevolge het tweede lid kan de verklaring slechts worden verleend indien de betrokken activiteiten niet in strijd komen met de regels inzake afwijking die zijn opgenomen in de betrokken provinciale verordening of algemene maatregel van bestuur.

Op grond van artikel 3.14, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de omgevingsverordening), is het verboden om:

a. een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak;

b. nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.

Op grond van het tweede lid geldt het verbod voor een gebied totdat voor dat gebied een onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6 .18 eerste lid, onder k.

Op grond van artikel 6 .8, eerste lid, van de omgevingsverordening geldt voor afdeling 6 .2 als bestaande bebouwing of als bestaand gebruik van grond of bebouwing, bebouwing of gebruik van grond of bebouwing:

a. die ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening geldende bestemmingsplan rechtmatig aanwezig is;

b. waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig een omgevingsvergunning is verleend of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het geldende bestemmingsplan moet of kan worden verleend;

c. die in overeenstemming is met een bestemmingsplan dat overeenkomstig afdeling 6 .2 tot stand is gekomen of waarvoor ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening van deze verordening is verleend; of

d. die in overeenstemming is met een bestemmingsplan waarover het gemeentebestuur een onherroepelijk herstelbesluit heeft genomen als direct gevolg van een uitspraak van een bestuursrechter.

Volgens het tweede lid van dit artikel geldt voor deze paragraaf als nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing bebouwing of gebruik van grond of bebouwing die niet voldoet aan het eerste lid.

Op grond van artikel 6 .18, eerste lid, van de Omgevingsverordening voldoet een bestemmingsplan voor agrarische gronden aan de volgende voorwaarden:

(…)

k. nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.

Ingevolge artikel 6 .29 van de Omgevingsverordening wordt een verzoek om een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening, ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de raad.

Ingevolge artikel 6 .34 van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels.

Ingevolge artikel 6 .40 van de Omgevingsverordening is afdeling 6 .2 van overeenkomstige toepassing op besluiten op een aanvraag om een:

a. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties;

b. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken.

In artikel 3.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ zijn de voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden bestemd voor:

a. reële grondgebonden graasdierbedrijven;

(…).

In artikel 1.36 van de bestemmingsplanregels wordt de term ‘graasdierbedrijf’ gedefinieerd als een agrarisch bedrijf dat afhankelijk is van grasland vanwege het beweiden van dieren zoals rundvee, schapen, geiten of grasverkoop.

In artikel 1.37 van de bestemmingsplanregels wordt een grondgebonden agrarisch bedrijf gedefinieerd als een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden agrarische bedrijven hebben een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.