Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9165

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
C/09/595787 / KG ZA 20-630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering eisers tot opheffing van door de Gemeente gelegde conservatoire beslagen afgewezen omdat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen vorderingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/595787 / KG ZA 20-630

Vonnis in kort geding van 22 september 2020

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] ,

2. [eisende partij sub 2] ,

beiden te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.C. Blom te Den Haag,

tegen:

DE GEMEENTE DEN HAAG te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. N.E.J. Franken te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eisende partij sub 1] ’, ‘ [eisende partij sub 2] ’ en ‘de Gemeente’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 juli 2020, met producties;

- de brief van mr. Blom van 1 september 2020, met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de op 8 september 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben bij faxbrief van 27 augustus 2020 bezwaar gemaakt tegen de aangekondigde aanwezigheid van twee personen van de Rijksrecherche tijdens de zitting. De voorzieningenrechter heeft de advocaten van partijen bij e-mail van 31 augustus 2020 bericht dat de voor deze aanwezigheid verleende toestemming niet wordt ingetrokken, aangezien het een openbare zitting betreft.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eisende partij sub 1] was sinds [datum] werkzaam bij de Gemeente, laatstelijk in de functie van controller ten behoeve van het Bedrijfsuitvoeringscentrum (BEC). Vanuit die functie verrichtte hij werkzaamheden voor de Dienst Stadsbeheer, meer in het bijzonder voorheen voor het Veeg- en Straatbedrijf Den Haag en sinds [maand] 2018 voor de Handhavingsorganisatie (HHO).

2.2.

[eisende partij sub 2] is de echtgenote van [eisende partij sub 1] . [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.3.

Op 23 december 2019 ontving een medewerker van HHO via het door de Gemeente gebruikte administratieve systeem Oracle Eos het verzoek een factuur van het bedrijf [B.V. I] ( [B.V. I] ) ten bedrage van € 72.585,48, inclusief BTW, goed te keuren. Deze medewerker verving krachtens de via Oracle Eos ingestelde vakantieregel een medewerker die met vakantie was. Omdat [B.V. I] bij de desbetreffende medewerker niet bekend was, hebben medewerkers van HHO het administratieve systeem doorzocht. Daarbij hebben deze medewerkers naast [B.V. I] nog drie bedrijven aangetroffen die zij als verdacht hebben aangemerkt.

2.4.

De afdeling Internal Audit van de Gemeente heeft door middel van een quick scan de facturatie van de hiervoor bedoelde vier bedrijven en de afhandeling hiervan door de Gemeente onderzocht. De bevindingen van deze quick scan zijn neergelegd in het auditverslag van 7 januari 2020. Uit dit verslag blijkt dat van deze vier bedrijven facturen zijn ontvangen die niet conform de interne werkprocessen van de Gemeente zijn verwerkt. De afdeling Internal Audit heeft – kort gezegd – geconstateerd dat een aantal facturen door [eisende partij sub 1] in plaats van de verantwoordelijke en daartoe bevoegde budgethouder is gefiatteerd. Daarnaast is gebleken dat [eisende partij sub 1] buiten zijn bevoegdheid facturen heeft laten inboeken, collega’s heeft verzocht facturen met spoed te betalen en op een aantal facturen ‘akkoord’ heeft geschreven. Voorts is geconstateerd dat bij het merendeel van de onderzochte facturen de vereiste prestatieverklaring ontbrak.

2.5.

Op 20 februari 2020 heeft de Gemeente van het voorgaande aangifte gedaan bij de Rijksrecherche. Het onderzoek van de Rijksrecherche is thans nog niet afgerond.

2.6.

De Gemeente heeft naar aanleiding van de uitkomsten van de quick scan Hoffman Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: ‘Hoffman’) opdracht gegeven tot het verrichten van een integriteitsonderzoek. Hoffman heeft haar onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapport van 3 maart 2020 en een aanvullend rapport van 14 mei 2020. Hierin komt Hoffman – kort gezegd – tot de conclusie dat [eisende partij sub 1] zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere integriteitsschendingen. Volgens Hoffman is gebleken dat [eisende partij sub 1] een actieve rol heeft gehad in het inkoop- en facturatieproces, terwijl die werkzaamheden niet tot zijn functie als controller behoorden en hij hiervoor geen mandaat had. Daarbij gaat het om het buiten zijn bevoegdheid laten opvoeren van nieuwe leveranciers, het aanmaken van inkooporders en het (door collega’s laten) inboeken en fiatteren van facturen. Het onderzoek van Hoffman heeft (vooralsnog) uitgewezen dat door twaalf bedrijven in totaal 58 facturen zijn ingediend ten bedrage van in totaal € 1.778.363,33, die hoogstwaarschijnlijk frauduleus zijn. Deze facturen zijn door actieve betrokkenheid van [eisende partij sub 1] door de Gemeente betaald, terwijl daar geen (volledige) prestatie tegenover heeft gestaan. Volgens Hoffman is niet gebleken dat andere medewerkers van de Gemeente hierbij te kwader trouw betrokken zijn geweest. Tijdens een gesprek met haar medewerkers, van welk gesprek [eisende partij sub 1] het verslag voor gezien heeft ondertekend, heeft [eisende partij sub 1] volgens Hoffman in het bijzijn van zijn gemachtigde verklaard dat hij meerdere personen uit zijn netwerk in contact heeft gebracht met de Gemeente en dat hij daarbij niet altijd zuiver heeft gehandeld door zelf facturen aan te maken en facturen in te dienen waarvan hij (achteraf) wist dat daar geen prestatie tegenover stond.

2.7.

De Gemeente heeft [eisende partij sub 1] op 4 maart 2020 op staande voet ontslagen. In haar bevestigingsbrief van 4 maart 2020 heeft de Gemeente – voor zover thans van belang – toegelicht dat de bevindingen van Hoffman een dringende reden opleveren voor onmiddellijke beëindiging van de met [eisende partij sub 1] bestaande arbeidsovereenkomst. Daarbij heeft de Gemeente zich het recht voorbehouden de door haar geleden schade op [eisende partij sub 1] te verhalen.

2.8.

[eisende partij sub 1] heeft de kantonrechter van deze rechtbank op 4 mei 2020 primair verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en subsidiair hem ten laste van de Gemeente een billijke vergoeding, een bedrag wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te kennen. De kantonrechter heeft de verzoeken van [eisende partij sub 1] bij beschikking van 1 juli 2020 afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

“5.17. De conclusie is dat vaststaat dat verschillende bedrijven facturen hebben ingediend bij de gemeente en betaald hebben gekregen, terwijl daarvoor geen prestaties zijn geleverd, zodat in zoverre sprake is van valse facturen. [eisende partij sub 1] heeft te dienaangaande een actieve rol vervuld, die zijn functie als controller te buiten ging. Zo heeft hij in sommige gevallen een rol gehad in het inkoop- en facturatieproces, terwijl dit geen onderdeel is van zijn werkzaamheden in de functie van controller en hij hiervoor ook geen mandaat heeft. Daarnaast heeft [eisende partij sub 1] nieuwe leveranciers laten opvoeren, inkooporders aangemaakt, facturen in laten boeken en facturen gefiatteerd, terwijl hij hiervoor evenmin een mandaat had. Anders dan [eisende partij sub 1] heeft gesteld, is niet gebleken dat hij wat betreft de onderhavige bedrijven en de onderhavige facturen steeds opdracht heeft gekregen van een bevoegd persoon met mandaat, nog daargelaten dat dit in strijd zou zijn met de binnen de gemeente geldende procedures. Daar komt bij dat [eisende partij sub 1] voorbij gaat aan de bijzonderheden wat betreft de facturen en de bedrijven die ze hebben ingediend, zoals die volgen uit het rapport van Hoffman. Zo kent [eisende partij sub 1] zowel de heer [A] als de heer [B] , die [eisende partij sub 1] naar eigen zeggen heeft geïntroduceerd bij de gemeente. De heer [A] en de heer [B] zijn te koppelen aan verschillende van de twaalf bedrijven, die de desbetreffende valse facturen hebben ingediend. Ook zijn verschillende bedrijven aan elkaar te koppelen wat betreft het adres en telefoonnummer. [eisende partij sub 1] heeft geen voldoende uitleg gegeven waarom verschillende van de desbetreffende facturen zijn aangemaakt op zijn computer en waarom hij telefonisch contact had met verschillende van deze bedrijven. Voorts heeft [eisende partij sub 1] in het gesprek met medewerkers van Hoffman met zoveel woorden verklaard dat hij inderdaad facturen heeft ingediend waarvan hij wist dat er geen prestatie was geleverd en ook daarna is hij ermee doorgegaan.

5.18.

De kantonrechter acht het aannemelijk dat [eisende partij sub 1] onder valse voorwendselen ervoor heeft zorggedragen dat verschillende valse facturen zijn gemaakt, ingediend bij en/of een rol heeft gehad bij het betalen van de facturen door de gemeente, terwijl wat betreft die facturen geen (volledige) prestaties waren geleverd. Dit heeft geleid tot grote schade bij de gemeente. [eisende partij sub 1] heeft hiermee in strijd gehandeld met de interne werkprocessen en de gedragscode van de gemeente. Hij heeft bij zijn handelen misbruik gemaakt van zijn positie van controller en het vertrouwen dat de gemeente en haar medewerkers in [eisende partij sub 1] stelden. [eisende partij sub 1] heeft de ambtelijke integriteit geschonden. De conclusie is dan ook dat de kantonrechter een dringende reden voor het ontslag op staande voet aanwezig acht.”

2.9.

De Gemeente heeft op grond van daartoe verkregen verloven van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van [eisende partij sub 1] conservatoir beslag doen leggen op – kort gezegd – a) een aan [eisende partij sub 1] toebehorende auto van het merk Porsche, b) een tweetal aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in eigendom toebehorende woningen c) door [eisende partij sub 1] bij de Rabobank en ING Bank gehouden bankrekeningen en d) door [eisende partij sub 2] bij de Rabobank gehouden bankrekeningen (hierna: ‘de conservatoire beslagen’). De vordering van de Gemeente is in deze verloven voorlopig begroot op € 2.074.599,--.

2.10.

De Gemeente is op 1 april 2020 bij deze rechtbank een bodemprocedure tegen [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] gestart. In die procedure vordert de Gemeente een hoofdelijke veroordeling van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] tot betaling van een bedrag van € 1.829,880,32, vermeerderd met wettelijke rente. De Gemeente stelt in die procedure – kort gezegd – primair dat [eisende partij sub 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat facturen ten belope van € 1.778.363,33 zijn voldaan, waarvoor geen werkzaamheden zijn verricht. Volgens de Gemeente bestaat vanwege het feit dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] grote contante bedragen (€ 44.750,-- en € 42.385,--) op hun rekening hebben gestort, het vermoeden dat (een deel van) voormeld factuurbedrag aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ten goede is gekomen. Subsidiair stelt de Gemeente dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ongerechtvaardigd ten koste van haar zijn verrijkt. De als gevolg hiervan geleden schade bedraagt volgens de Gemeente tenminste een bedrag van € 87.135,-- (€ 44.750,-- + € 42.385,--). De bodemprocedure is thans nog aanhangig.

2.11.

De Gemeente heeft haar vordering op [eisende partij sub 2] in de dagvaarding in de bodemprocedure onder meer als volgt onderbouwd:

“2.3 [eisende partij sub 2] heeft (…) tenminste een bedrag van € 44.750,00 aan (contant) geld ontvangen van [eisende partij sub 1] op haar eigen bankrekening bij de Rabobank. Ook op de gemeenschappelijke (en/of) bankrekening van [eisende partij sub 1] én [eisende partij sub 2] is een contant bedrag van € 42.385,00 gestort.

2.5

Contante stortingen van deze omvang zijn ongebruikelijk en de verklaring die [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] aan de ING geven (i.e. “spaargeld” (…)) is ongeloofwaardig. Derhalve dient aangenomen te worden dat [eisende partij sub 2] betrokken en/of op de hoogte was, althans had moeten zijn van de fraude en het bedrog van [eisende partij sub 1] . [eisende partij sub 2] had de herkomst van dit contante geld in twijfel moeten trekken. Dat [eisende partij sub 2] de contante stortingen (tegen beter weten in en dus te kwader trouw) heeft aanvaard, indiceert [eisende partij sub 2] betrokkenheid bij de frauduleuze praktijken van [eisende partij sub 1] . Derhalve heeft ook [eisende partij sub 2] onrechtmatig gehandeld jegens de Gemeente en dient zij de schade van € 1.778363,33 en de kosten van het rapport van Hoffman ad 51.516,99 te vergoeden, reden waarom de Gemeente ook de (hoofdelijke) veroordeling van [eisende partij sub 2] vordert. Dit geldt eens te meer nu [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in gemeenschap van goederen getrouwd zijn en een gemeenschappelijke en gezamenlijke huishouding voeren. Bovendien mag het als een feit van algemene bekendheid aangenomen worden dat echtgenoten van dit soort feiten van elkaar op de hoogte zijn.”

2.12.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft conservatoir loonbeslag gelegd onder de werkgever van [eisende partij sub 2] . Daarnaast heeft het OM conservatoir beslag gelegd op alle vermogensbestanddelen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] die ook door de Gemeente zijn beslagen.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van de conservatoire beslagen en een veroordeling van de Gemeente tot het bewerkstelligen van doorhaling van de beslagen op de woningen in de openbare registers, zulks met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voeren [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] – samengevat – het volgende aan. De gestelde onrechtmatige handelingen van [eisende partij sub 1] zijn hem niet verwijtbaar nu zij vaste praktijk zijn binnen de Gemeente. [eisende partij sub 1] benadrukt dat hem als controller geen mandaat toekwam en dat het inkoop- en facturatieproces geen deel uitmaakten van zijn werkzaamheden. Volgens [eisende partij sub 1] is het binnen de Gemeente eerder regel dan uitzondering dat facturen niet conform de interne werkprocessen werden ingediend en verwerkt. [eisende partij sub 1] stelt dat hij in het kader van het hem thans verweten handelen uitsluitend taken heeft uitgevoerd die hem zijn opgedragen dan wel aan hem zijn gedelegeerd door de bevoegde/verantwoordelijke medewerkers met mandaat. Het zijn volgens [eisende partij sub 1] dan ook deze medewerkers die stelselmatig in strijd hebben gehandeld met de interne werkprocessen en de gedragscode van de Gemeente. Deze personen dienden werkzaamheden te delegeren naar iemand van hetzelfde niveau en juist dit gebeurde volgens [eisende partij sub 1] – ondanks dat dit meerdere keren door hem in overlegstructuren aan de orde is gesteld – structureel niet. In dat verband heeft [eisende partij sub 1] voor elk van de 58 beweerdelijk frauduleuze facturen aangegeven waarom hij in de workflow wordt vermeld en wat zijn rol bij die factuur is geweest. [eisende partij sub 1] stelt tijdens het gesprek met medewerkers van Hoffman de hem thans verweten actieve frauduleuze betrokkenheid bij het indienen en betaalbaar stellen van valse facturen niet te hebben erkend. Daarbij benadrukt [eisende partij sub 1] dat hij het gesprekverslag voor gezien heeft ondertekend en niet voor gelezen of akkoord.

3.3.

Ten aanzien van de beslagen Porsche stelt [eisende partij sub 1] dat de aankoopprijs van € 26.000,-- slechts ten dele (€ 16.300,--) contant is betaald. De in het onderzoek van Hoffman benoemde contante stortingen betreffen volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] door hen gespaarde bedragen en van familieleden verkregen schenkingen. Voor [eisende partij sub 2] , die sinds 2004 is belast met het beheer van de spaargelden, bestond gelet op deze herkomst dan ook geen aanleiding de contante gelden niet te aanvaarden. Deze bedragen zijn volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in delen op de rekeningen gestort omdat zij het niet prettig vonden om tijdens een aanstaande verbouwing zo veel cash in huis te hebben. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] benadrukken dat van de gestorte bedragen regelmatig weer een deel werd opgenomen en dat een dergelijk bedrag na verloop van tijd (deels) weer in contanten op de rekeningen werd gestort. Het gaat daarmee volgens hen dus niet steeds om nieuwe stortingen van ‘nieuw’ geld. Volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben hun banken genoegen genomen met deze uitleg. Van de gestelde ongerechtvaardigde verrijking ten koste van de Gemeente is naar de mening van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] dan ook geen sprake. Ten slotte betwisten [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] de door de Gemeente gestelde schade. Volgens hen heeft de Gemeente geen bewijs overgelegd van haar stelling dat voor de beweerdelijk valse facturen geen werkzaamheden zijn verricht. In de omstandigheid dat geen prestatieverklaringen zijn afgegeven kan volgens hen voor die stelling geen steun worden gevonden. Daarbij wijzen [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] erop dat de Gemeente zelf erkent dat een deel van de prestaties wel is verricht. Daarmee is volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] reeds summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de Gemeente ingeroepen vorderingsrecht. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] stellen daarnaast dat zij als gevolg van de conservatoire beslagen als gezin ernstig en onevenredig in hun belangen worden geschaad. De beschuldigingen en beslagen eisen zowel lichamelijk als geestelijk hun tol, terwijl voorts het gezin financieel in zwaar weer terecht is gekomen. Een afweging van de in het geding zijnde belangen dient naar de mening van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] om die reden in hun voordeel uit te vallen. In ieder geval dienen volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] de beslagen ten laste van [eisende partij sub 2] te worden opgeheven omdat haar blijkens het voorgaande geen enkel verwijt te maken valt.

3.4.

De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Beoordeeld moet worden of aanleiding bestaat de door de Gemeente ten laste van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] gelegde conservatoire beslagen op te heffen. Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.2.

Blijkens voormeld toetsingskader is het dus aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] om aannemelijk te maken dat de Gemeente jegens hen geen vorderingsrecht kan doen gelden dan wel dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn hierin naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

[eisende partij sub 1] heeft als zodanig niet weersproken dat hij actief betrokken is geweest bij het opstellen en/of verwerken en/of betaalbaar stellen van de 58 facturen, waarvoor volgens de Gemeente geen werkzaamheden zijn verricht. Evenmin heeft [eisende partij sub 1] ontkend dat hij in de functie van controller formeel niet bevoegd was tot het verrichten van deze werkzaamheden. Het betoog van [eisende partij sub 1] is in feite tweeledig. In de eerste plaats stelt [eisende partij sub 1] dat hij de hem verweten handelingen in opdracht van daartoe wel bevoegde medewerkers van de Gemeente heeft verricht en dat binnen de Gemeente op grote schaal op die manier wordt gewerkt, zodat hem deze gedragingen niet kunnen worden verweten. [eisende partij sub 1] stelt in dat verband dat hij thans als ‘onbeduidende medewerker’ wordt geslachtofferd om deze binnen de Gemeente gangbare praktijk te verdoezelen. In de tweede plaats stelt [eisende partij sub 1] dat de Gemeente niet heeft onderbouwd dat voor de desbetreffende 58 facturen geen werkzaamheden zijn verricht, zodat volgens hem niet is gebleken dat de Gemeente als gevolg van de hem verweten handelingen enige schade heeft geleden en dus ook op die grond geen sprake is van enig vorderingsrecht van de Gemeente.

4.4.

De Gemeente heeft gemotiveerd weersproken dat [eisende partij sub 1] de hem verweten handelingen heeft verricht in opdracht van daartoe wel bevoegde medewerkers. Eveneens heeft de Gemeente weersproken dat ter zake sprake is van een bestendige werkwijze binnen de Gemeente. Daarbij heeft de Gemeente onder verwijzing naar de bevindingen van Hoffman de volgens haar gebruikelijke (en in haar interne werkprocessen beschreven) werkwijze tot in detail beschreven. Daarnaast heeft de Gemeente benadrukt dat uit onderzoek in haar systemen naar voren is gekomen dat [eisende partij sub 1] de thans geconstateerde actieve bemoeienis alleen met de desbetreffende twaalf bedrijven en de 58 facturen van deze bedrijven heeft gehad en dat niet is gebleken dat andere werknemers van de Gemeente hierbij op enigerlei wijze te kwader trouw betrokken zijn geweest. [eisende partij sub 1] heeft naar aanleiding van dit gemotiveerde verweer per factuur aangegeven waarom hij in de workflow is vermeld en wat zijn rol in het kader van die factuur is geweest. Daarmee verlangt [eisende partij sub 1] in feite dat de voorzieningenrechter zich in deze kortgedingprocedure per factuur een oordeel vormt over de rechtmatigheid van het handelen van [eisende partij sub 1] bij de indiening, verwerking en betaalbaarstelling van die factuur. Een dergelijke beoordeling gaat het toetsingskader in kort geding te buiten. Voor een dergelijk oordeel is immers nader feitenonderzoek en mogelijk ook bewijslevering noodzakelijk. Hiervoor is in een kortgedingprocedure geen plaats. Nu dit betoog van [eisende partij sub 1] derhalve eerst in een bodemprocedure ten volle kan worden beoordeeld, kan in deze procedure op basis van dat betoog niet worden geconcludeerd dat de Gemeente jegens [eisende partij sub 1] geen vorderingsrecht toekomt. Dit klemt te meer nu thans reeds de nodige vraagtekens bij dit betoog kunnen worden geplaatst. Zoals de Gemeente terecht heeft opgemerkt en als zodanig niet door [eisende partij sub 1] is weersproken, is opmerkelijk dat de betrokkenheid van [eisende partij sub 1] beperkt is gebleken tot de bewuste 12 bedrijven en 58 facturen. Dit valt immers niet te rijmen met de stelling van [eisende partij sub 1] dat ter zake sprake is van een bestendige praktijk binnen de Gemeente. Zulks geldt eveneens voor de constatering van de Gemeente dat uit de onderzochte systemen niet is gebleken van vergelijkbare betrokkenheid te kwader trouw van andere medewerkers bij het indienen, verwerken en betaalbaar stellen van facturen. In zijn betoog dat hij thans als onbeduidend medewerker wordt geslachtofferd ter verdoezeling van die gestelde praktijk kan [eisende partij sub 1] in deze procedure dan ook niet worden gevolgd. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat juist [eisende partij sub 1] er in zijn functie als controller op diende toe te zien dat de financiële processen volgens de regels verliepen en op hem dus een verplichting rustte om eventuele misstanden dienaangaande te melden in plaats van daaraan zelf mee te doen. [eisende partij sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de volgens hem bestaande bestendige werkwijze herhaaldelijk binnen de Gemeente ter discussie heeft gesteld, maar die stelling heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd.

4.5.

Nu [eisende partij sub 1] zijn stelling dat voor de bewuste 58 facturen wel werkzaamheden zijn verricht en aldus door de Gemeente in het geheel geen schade is geleden, in het licht van het uitvoerige rapport van Hoffman evenmin deugdelijk heeft onderbouwd, kan in het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure niet worden geconcludeerd dat de Gemeente jegens [eisende partij sub 1] geen vorderingsrecht kan doen gelden. Dit betekent dat opheffing van de ten laste van [eisende partij sub 1] gelegde conservatoire beslagen niet aan de orde is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat het OM in het kader van het thans nog lopende strafrechtelijk onderzoek tot conservatoire beslaglegging ten laste van zowel [eisende partij sub 1] als [eisende partij sub 2] is overgegaan en de kantonrechter geen grond aanwezig heeft geacht om over te gaan tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen de Gemeente en [eisende partij sub 1] . In dat verband komt tevens gewicht toe aan de verklaring die [eisende partij sub 1] tijdens een gesprek ten overstaan van medewerkers van Hoffman heeft afgelegd. [eisende partij sub 1] heeft immers blijkens het opgemaakte gespreksverslag erkend dat hij wist dat bepaalde gefactureerde werkzaamheden niet daadwerkelijk zijn verricht. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat het betoog van [eisende partij sub 1] dat hij dergelijke uitlatingen tijdens dat gesprek niet heeft gedaan dan wel dat hij toen onder druk is gezet om deze uitlatingen te doen, iedere onderbouwing ontbeert en derhalve voorshands weinig geloofwaardig is.

4.6.

[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben nog betoogd dat van een vorderingsrecht van de Gemeente op [eisende partij sub 2] geen sprake is en dat om die reden de ten laste van haar gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Ook dit betoog faalt. In de eerste plaats geldt dat [eisende partij sub 2] en [eisende partij sub 1] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De Gemeente kan zich daarom ingeval van een vorderingsrecht op uitsluitend [eisende partij sub 1] eveneens verhalen op tot die gemeenschap behorende vermogensbestanddelen van [eisende partij sub 2] . De Gemeente heeft echter daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat zij mogelijk tevens een rechtstreeks vorderingsrecht op [eisende partij sub 2] heeft. Daartoe is van belang dat de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de juistheid van de verklaring die [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben gegeven voor de aanzienlijke contante stortingen op de aan hen toebehorende bankrekeningen. Volgens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] betreffen deze contante stortingen eigen spaargeld en giften van familieleden vanuit het buitenland, die aanvankelijk thuis werden bewaard. Die stelling is echter weinig geloofwaardig, nu [eisende partij sub 1] ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen bevestigen dat hij de gestelde spaargelden en giften in hun gezamenlijke belastingaangifte heeft betrokken. Niet onaannemelijk is derhalve dat de uit hoofde van voormelde 58 facturen onverschuldigd door de Gemeente betaalde bedragen mogelijk (deels) aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ten goede zijn gekomen. Nu [eisende partij sub 2] onweersproken vanaf 2004 de bankrekeningen van partijen heeft beheerd en zij derhalve actief betrokken is geweest bij de contante stortingen en overboekingen dan wel deze stortingen in ieder geval heeft geaccepteerd, kan thans niet worden uitgesloten dat ook [eisende partij sub 2] in het kader van deze kwestie een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Ook ten aanzien van [eisende partij sub 2] is derhalve niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de Gemeente ingeroepen vorderingsrecht.

4.7.

Evenmin is gebleken dat het voortduren van de gelegde beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ondervinden vanzelfsprekend de nodige hinder van de gelegde beslagen. Die hinder wordt echter gerechtvaardigd door de ernst van de feiten waarvan [eisende partij sub 1] en ook [eisende partij sub 2] worden beschuldigd, de omvangrijke gestelde schadevordering van de Gemeente, en de niet onaannemelijke vrees van de Gemeente voor verduistering door [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] van voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen. De Gemeente heeft in dat verband terecht opgemerkt dat de beslagvrije voet wordt gerespecteerd, zodat ervan uit mag worden gegaan dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in hun meest noodzakelijke levensbehoeften kunnen voorzien.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] dient te worden afgewezen. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Gemeente te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

mw