Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
SGR 20/2516
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser doet niet blijken dat bestelauto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden is gebruikt. Verweerder heeft bij het opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting terecht een bijtelling wegens privégebruik van de bestelauto in aanmerking genomen. Beroep op vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/3015
Viditax (FutD), 03-12-2020
FutD 2020-3624
V-N 2021/2.2.2
NTFR 2021/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/2516

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

16 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.J.M. Kouwenberg),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 september 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingestelde bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 3 september 2020. Eiser heeft deelgenomen aan de telefonische zitting, bijgestaan door gemachtigde. Namens verweerder hebben deelgenomen mr. [A] en mr. drs. [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert een transportbedrijf onder de naam [bedrijfsnaam] .

2. Voor de werkzaamheden in zijn onderneming heeft eiser een bestelauto tot zijn beschikking, te weten een Iveco 40C35 (de auto). Eiser heeft met betrekking tot het gebruik van de auto geen sluitende (kilometer-) administratie bijgehouden. Daarnaast is aan eiser geen verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto afgegeven als bedoeld in artikel 3.20, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

3. Eiser heeft een aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.065. In de aangifte is geen bijtelling privégebruik auto aangegeven. Met dagtekening 19 mei 2018 is de aanslag IB/PVV 2016 conform de door eiser ingediende aangifte vastgesteld.

4. Bij brief van 6 december 2018 heeft verweerder een deelonderzoek ingesteld naar het privégebruik van de auto. Naar aanleiding van de bevindingen heeft verweerder de bijtelling wegens privégebruik auto gesteld op € 12.837, zijnde 25% van de catalogusprijs van de bestelauto van € 51.349, en de MKB-winstvrijstelling verhoogd met € 1.797. Met dagtekening 4 juni 2019 is aan eiser een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.105, is een vergrijpboete opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.

5. Bij de uitspraak op bezwaar is de vergrijpboete vernietigd.

6. In geschil is of verweerder terecht een bijtelling wegens privégebruik auto in aanmerking heeft genomen.

7. Eiser stelt dat hij de bestelauto niet privé heeft gebruikt. Eiser voert hiertoe aan dat de bestelauto een zogenoemde bakwagen is en uitsluitend is ingericht voor goederenvervoer. De bestelauto wordt na de werkdag buiten de woonwijk geparkeerd op een afgesloten of daarvoor bestemd terrein of loods waarna eiser de bestelauto de volgende ochtend ophaalt.

8. Op grond van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 wordt, indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking staat, op jaarbasis een bepaald percentage van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. Onder auto wordt verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de auto ook voor privédoeleinden gebruikt zou kunnen worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing.

9. Eiser heeft géén rittenregistratie of andere bewijsmiddelen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat met de auto alleen zakelijk, of ieder geval niet meer dan 500 kilometer privé, is gereden. Met de enkele verklaring dat de auto niet voor privé is gebruikt kan niet worden gezegd dat eiser heeft aangetoond dat geen sprake is geweest van privégebruik. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht een bijtelling wegens privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen. De persoonlijke en financiële omstandigheden van eiser doen niet af aan de juistheid van de navorderingsaanslag.

10. Voor het eerst ter zitting heeft eiser gesteld dat op de website van verweerder niet duidelijk is aangeven wat wordt verstaan onder een bestelauto. Eiser stelt dat hij zich niet had gerealiseerd dat de auto, door hem aangeduid als een bakwagen of kleine vrachtauto, onder de bijtellingsregeling valt. De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op het vertrouwensbeginsel in die zin dat eiser meent dat uit die informatie kan worden afgeleid dat de auto niet valt onder de reikwijdte van artikel 3.20 van de Wet IB 2001. Nog daargelaten dat aan dergelijke algemene, voorlichtende informatie - behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen - geen in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend, geldt dat eiser slechts in zijn algemeenheid heeft verwezen naar de website van verweerder zonder te refereren naar concrete passages. Reeds hierom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

11. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze rente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.