Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5464
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding en verzoek om terug te komen van in rechte vaststaande wachtgeldconforme uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5464

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eiser

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. C.E.J.Y. van Agt).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 15 oktober 1991, waarbij eiser tot aan zijn pensioendatum (1 december 2015) een wachtgeldconforme uitkering is toegekend.

Bij brief van eveneens 15 juli 2019 heeft verweerder gereageerd op eisers verzoek om vergoeding van geleden schade als gevolg van het intrekken van de uitnodiging voor de Familiedag Douane Eindhoven op 15 september 2018.

Eiser heeft tegen het primaire besluit van 15 juli 2019 en de brief van 15 juli 2019 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft hij bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de brief van 15 juli 2019.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 7 oktober 2019 laten weten de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit te zullen afwachten.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren tegen het primaire besluit en de brief van 15 juli 2019 kennelijk ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 oktober 2019 heeft eiser daartegen beroep ingesteld. Eiser heeft bij brief van 29 november 2019 de gronden van het beroep aangevuld. Nadien heeft hij bij diverse brieven de gronden aangevuld en stukken overgelegd.

In verband met de coronamaatregelen heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid plaatsgevonden via een skypeverbinding op 8 september 2020. Daaraan namen deel:

- eiser (telefonische deelname),

- gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1.1.

Eiser is bij besluit van 20 september 1991 met ingang van 1 oktober 1991 eervol ontslag verleend als rijksambtenaar op grond van artikel 99 van het Rijksambtenarenreglement. Bij besluit van 15 oktober 1991 is eiser een ontslaguitkering toegekend die wat betreft duur en hoogte overeenkomt met de uitkering die op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 aan eiser zou zijn toegekend, indien eiser met recht op wachtgeld zou zijn ontslagen. Deze aan het wachtgeld gelijke uitkering (wachtgeldconforme uitkering) is met ingang van 1 november 1991 toegekend. De wachtgeldconforme uitkering is toegekend tot eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, namelijk 1 december 2015, en bevatte een afbouwregeling. Eiser heeft tegen het besluit van 15 oktober 1991 bezwaar gemaakt. Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. Het beroep is bij uitspraak van 7 oktober 1992 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij uitspraak van 28 april 1994 door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Tijdens de bij de rechtbank Arnhem lopende procedure heeft eiser op 3 en 7 februari 1992 verzocht om een vergoeding van geleden materiële schade, bestaande uit pensioen- en bezoldigingsschade en immateriële schade. Tegen de afwijzing van dit verzoek heeft eiser beroep bij de rechtbank Roermond en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep ingesteld. In de uitspraken van de rechtbank Roermond van 1 augustus 1994 en de Centrale Raad van Beroep is geoordeeld dat er geen sprake was van toerekenbare schade die voor verweerder een schadevergoedingsplicht meebracht.

1.3.

Bij brieven van 11 maart 1998 en 27 maart 1998 heeft eiser wederom verzocht de bij besluit van 15 november 1991 toegekende wachtgeldconforme uitkering op te trekken naar tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging. Dat verzoek is bij besluit van 24 april 1998 afgewezen. Bij besluit van 8 september 1998 is eisers bezwaar tegen het besluit van 24 april 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank

’s-Hertogenbosch heeft het daartegen door eiser ingestelde beroep bij uitspraak van 18 april 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat niet gebleken was van nieuwe feiten of omstandigheden.

1.4.

Eiser is bij brief van 19 juni 2018 uitgenodigd voor de Familiedag Douane Eindhoven 2018. Eiser heeft deze uitnodiging geaccepteerd voor hem en twee zonen en zijn dochter. Bij brief van 4 september 2018 van de Directeur Douane Eindhoven is de uitnodiging ingetrokken. De uitnodiging was abusievelijk aan eiser toegezonden omdat hij administratief deel uitmaakte van de Douane Eindhoven.

Eiser is een alternatief aangeboden in de vorm van een uitnodiging voor een kopje koffie met de directeur en de plaatsvervangend-directeur.

1.5.

Eiser heeft tegen die gang van zaken een klacht ingediend. Bij brief van 25 februari 2019 heeft de Directeur van de Belastingdienst/Douane de klacht gegrond verklaard en eiser zijn excuses aangeboden. De Directeur Belastingdienst/Douane Eindhoven heeft eiser op 27 maart 2019 ook in een persoonlijk gesprek zijn excuses aangeboden.

1.6.

Eiser heeft verweerder bij brief van 23 september 2018 aansprakelijk gesteld voor de geleden materiële en immateriële schade als gevolg van de ambtsbrief van 4 september 2018. In die brief legt eiser mede een relatie met het besluit betreffende de wachtgeldconforme uitkering met de afbouwregeling.

2.1.

Bij het primaire besluit van 15 juli 2019 heeft verweerder het verzoek van eiser om zijn wachtgeldconforme uitkering van 1 februari 2002 tot 1 december 2015 op te trekken tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging, opgevat als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 15 oktober 1991 en dat verzoek afgewezen.

2.2.

Bij brief van 15 juli 2019 heeft verweerders eisers verzoek om vergoeding van geleden schade als gevolg van het intrekken van de uitnodiging voor de familiedag op 15 september 2018 afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen het primaire besluit en de brief van 15 juli 2019 kennelijk, dat wil zeggen zonder een hoorzitting te houden, ongegrond verklaard.

4. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Verzoek tot optrekken van de wachtgeldconforme uitkering tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verzoek tot het optrekken van de wachtgeldconforme uitkering tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 15 oktober 1991. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd die aanleiding geven terug te komen van het besluit van 15 oktober 1991. Weliswaar is de intrekking van de uitnodiging voor de familiedag bij brief van 4 september 2018 een nieuw feit, maar het moet gaan om een relevant nieuw feit, dat wil zeggen een feit dat aanleiding kan geven tot het nemen van een ander besluit. Dat is hier niet het geval. Er is immers geen enkel verband tussen de in 1991 vastgestelde wachtgeldconforme uitkering en de intrekking van de uitnodiging voor de familiedag in 2018. Ook de mededeling in de brief van 4 september 2018 dat eiser nog administratief in dienst was bij Douane Eindhoven, is geen relevant nieuw feit. Met de mededeling dat eiser administratief nog in dienst was wordt kennelijk gedoeld op het feit dat hij als oud-medewerker nog in de administratie van de Douane Eindhoven was opgenomen. Dit doet niets af aan eisers eervol ontslag per 1 oktober 1991 en staat niet in enig verband met de toekenning van de wachtgeldconforme uitkering met afbouwregeling.

6.2.

Het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard, slaagt daarom niet.

Verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding als gevolg van het intrekken van de uitnodiging voor de familiedag op 15 september 2018.

7.1.

Met ingang van 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Daarbij is titel 8.4 van de Awb ingevoerd. Deze titel van de Awb bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. De verzoekschriftprocedure maakt het mogelijk om aan de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding te doen. De procedure is in de plaats gekomen van de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid om op te komen tegen een zelfstandig schadebesluit en de schadeprocedures van artikel 8:73 en artikel 8:73a van de Awb. Vergelijk de uitspraak van 29 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5106).

In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is sindsdien, voor zover hier van belang, bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.

Ingevolge artikel 8:90, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk vraagt om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Op grond van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt met een besluit gelijk gesteld:

een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

In artikel 8:4, eerste lid, onder f, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen.

7.2.

Op grond van wat in 7.1 is overwogen is de verzoekschriftprocedure als geregeld in titel 8.4 van de Awb van toepassing op het verzoek van eiser om schadevergoeding. Verweerder heeft dit bij het bestreden besluit niet onderkend. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 15 juli 2019 ongegrond is verklaard, wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:1 in verbinding met artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Vervolgens moet bezien worden hoe de procedure moet worden voortgezet.

7.3.

Uitgaande van de toepasselijkheid van de verzoekschriftprocedure als geregeld in titel 8.4 van de Awb op eisers verzoek merkt de rechtbank het door eiser ingediende beroepschrift aan als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb en de brief van 15 juli 2019 als een reactie van het bestuursorgaan als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:90 van de Awb. De rechtbank zal beoordelen of het verzoek van eiser om vergoeding van de schade als gevolg van het intrekken van de uitnodiging voor de familiedag op 15 september 2018 voor toewijzing in aanmerking komt.

7.4.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015: 446) moet de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het burgerrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

7.5.

De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de uitnodiging voor de familiedag niet onrechtmatig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de intrekking van de uitnodiging, gelet op het feit dat eiser de uitnodiging met enthousiasme heeft aanvaard, als ongelukkig kan worden aangemerkt, maar niet als onrechtmatig. De rechtbank stelt vast dat aan eiser voor de ongelukkige gang van zaken reeds twee maal excuses is aangeboden en dat verweerder daarmee overeenkomstig de beslissing op eisers klacht, heeft gehandeld. Daarmee heeft verweerder de kwestie zorgvuldig en naar behoren afgehandeld.

7.6.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het materiële deel van de gevorderde schade – het optrekken over de periode van 9 februari 2002 tot 1 december 2015 van de wachtgeldconforme uitkering tot 70% van het laatstverdiende loon minus loonbelasting en heffingen – in geen enkel verband staat met de intrekking van de uitnodiging voor de familiedag. Ook aan het vereiste dat de gestelde materiële schade verband moet houden met beweerde onrechtmatige handeling is dus niet voldaan.

7.7.

De rechtbank wijst daarom het verzoek van eiser tot vergoeding van materiële en immateriële schade af.

7.8.

Omdat de rechtbank het beroep deels gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Niet gebleken is dat eiser in deze procedure is bijgestaan door een beroepsmatig rechtshulpverlener. De overige door eiser genoemde kosten, te weten € 49,- portokosten van aangetekende verzending, komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond, voor zover bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het primaire besluit (kenmerk: 2019-0000109280), ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep gegrond, voor zover bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de brief van 15 juli 2019 (kenmerk: 2019-0000109281) ongegrond is verklaard;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 15 juli 2019 (kenmerk: 2019-0000109281) ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de brief van 15 juli 2019 (kenmerk: 2019-0000109281) niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    wijst het verzoek om verweerder te voordelen in de proceskosten af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.