Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6572
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming studiekosten op grond van de Regeling studiefaciliteiten politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6572

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.C. Kraan),

en

de Korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Dijkstra).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de HBO-masteropleiding Risicomanagement in eisers situatie als een niet-functiegerichte opleiding aangemerkt en eiser studiefaciliteiten verleend behorende bij een niet-functiegerichte opleiding.

Bij besluit van 3 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de coronamaatregelen heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid plaatsgevonden via een skypeverbinding op 8 september 2020. Daaraan namen deel:

- eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde,

- de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser is aangesteld in de functie van Operationeel Expert Beveiliging bij de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB).

Eiser heeft in een voortgangsgesprek op 3 december 2018 (met Operationeel Specialist [A] ) aangegeven dat hij een studie wilde volgen in verband met zijn loopbaan binnen de Nationale Politie en mogelijk uitstroom bij de DKDB.

Op 8 maart 2019 heeft eiser een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP) opgemaakt. Daarin komt tot uiting dat eiser zich verder wil ontwikkelen, mede in aanmerking genomen dat het steeds moeilijker wordt aan de gestelde fysieke eisen te blijven voldoen gelet op het vorderen van zijn leeftijd. In het POP is het voornemen opgenomen in september 2019 te starten met de tweejarige Masteropleiding Risicomanagement aan de Haagse Hogeschool. Eiser verzoekt daarvoor studiefaciliteiten toe te kennen.

Aan eiser is op 9 april 2019 namens de teamchef [B] meegedeeld dat de gevraagde opleiding geen organisatiebelang heeft en niet als functiegericht wordt gekwalificeerd, zodat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding voor niet-functiegerichte opleidingen.

2. Op 17 april 2019 heeft eiser een aanvraag gedaan voor toekenning van studiefaciliteiten voor de HBO-masteropleiding Risicomanagement.

Bij het primaire besluit werd de opleiding als niet functie- of loopbaangericht aangemerkt en zijn de faciliteiten voor een niet-functiegerichte opleiding toegekend.

Bij het thans bestreden besluit is deze toekenning gehandhaafd.

3. Eiser is het met het bestreden besluit niet eens. Op hoofdlijnen weergegeven voert hij het volgende aan.

Eiser stelt dat de HBO-masteropleiding Risicomanagement op grond van de Regeling moet worden aangemerkt als een loopbaangerichte opleiding met – in ieder geval – een laag organisatiebelang. Er heeft inderdaad geen POP-gesprek plaatsgevonden, maar eiser heeft wel op 8 maart 2019 een POP opgesteld. Aan vele collega’s zijn de door eiser gevraagde studiefaciliteiten voor de HBO-masteropleiding Risicomanagement wel toegekend. Om redenen die buiten de macht van eiser liggen is niet tijdig en adequaat door verweerder ingespeeld op het door eiser opgestelde POP. Eiser kan niet worden nagedragen dat hij eerst had moeten wachten op de behandeling van zijn bezwaarschrift, alvorens met de opleiding aan te vangen. Anders had hij een jaar moeten wachten om met deze opleiding te kunnen starten.

Ten onrechte stelt verweerder dat niet voldaan is aan het noodzakelijkheidscriterium. Eiser verwijst daarbij naar het bestreden besluit, voor zover daarin is vermeld dat eisers opleidingswens een eigen ontwikkelwens is, waaraan het noodzakelijkheids-karakter, in ieder geval thans, ontbreekt, omdat op basis van de bij de Nationale Politie geldende functiebeschrijvingen en daaraan gekoppelde functie-eisen de HBO-masteropleiding Risicomanagement op dit moment geen verplichte dan wel noodzakelijke opleiding is voor een (toekomstige) HBO-functie bij de Nationale Politie. Daaraan heeft verweerder toegevoegd dat eiser al een HBO-opleiding Bedrijfskunde MER heeft.

Eiser stelt dat onduidelijk is hoe wordt bepaald wanneer aan het noodzakelijkheids-criterium is voldaan. Deze opleiding kan voor een loopbaan buiten de Nationale Politie wel gewenst zijn.

Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat geen primair besluit is genomen en dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Eiser stelt daartoe dat eisers leidinggevende niet was gemandateerd om een afwijzend besluit te nemen, maar slechts een adviserende rol had. Het primaire besluit had door HRM te Apeldoorn genomen moeten worden.

Verder heeft eiser ter zitting het beroep op het vertrouwensbeginsel ingetrokken.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Artikel 58, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaalt dat aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie studiefaciliteiten kunnen worden verleend. Het tweede lid bepaalt dat het bevoegd gezag studiefaciliteiten toekent voor functiegerichte opleidingen, tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het derde lid bepaalt dat het bevoegd gezag studiefaciliteiten kan toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie buiten de politieorganisatie. Het vierde lid bepaalt dat de minister nadere regels vaststelt met betrekking tot het tweede en derde lid.

4.2.

De nadere regels bedoeld in het vierde lid van artikel 58 van het Barp zijn neergelegd in de Regeling studiefaciliteiten politie (Regeling).

Artikel 1, aanhef en onder c, van de Regeling bepaalt dat onder een functiegerichte opleiding wordt verstaan: een bij algemeen verbindend voorschrift verplicht gestelde of door het bevoegd gezag opgedragen opleiding die noodzakelijk is voor de huidige functie van de betrokken ambtenaar, met uitzondering van een krachtens artikel 2c van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding;

Artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling bepaalt dat onder een loopbaangerichte opleiding wordt verstaan: een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van een toekomstige functie en die past in de ontwikkelafspraken die het bevoegd gezag en de ambtenaar in een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 72 van het Barp hebben gemaakt.

Artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling bepaalt dat onder niet-functiegerichte opleiding wordt verstaan: een opleiding die niet functie- of loopbaangericht is, maar toch in enige mate in het belang is van zowel de politie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012 als de ambtenaar;

Ingevolge artikel 5 van de Regeling kent het bevoegd gezag aan de ambtenaar die een loopbaangerichte opleiding volgt, niet zijnde een zelfstudie-opleiding, op zijn aanvraag toe:

1. Bij een hoog organisatiebelang:

a. studieverlof ten behoeve van contacturen en praktijkopdrachten voor 100%;

b. een vergoeding van de reis- en verblijfkosten op basis van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie waarbij de reis van en naar de onderwijsinstelling wordt aangemerkt als dienstreis;

c. een vergoeding van 100% van de studiekosten op declaratiebasis.

2. Bij een laag organisatiebelang:

a. studieverlof ten behoeve van contacturen en praktijkopdrachten voor 50%;

b. een vergoeding van de reis- en verblijfkosten op basis van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie waarbij de reis van en naar de onderwijsinstelling wordt aangemerkt als dienstreis;

c. een vergoeding van 50% van de studiekosten op declaratiebasis.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Regeling kent het bevoegd gezag aan de ambtenaar die een niet-functiegerichte opleiding volgt, op zijn aanvraag toe:

a. een vergoeding van de reis- en verblijfkosten op basis van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie, waarbij de reis van en naar de onderwijsinstelling wordt aangemerkt als woon-werkverkeer;

b. een vergoeding van 50% van de studiekosten op declaratiebasis tot een maximum van € 1000 per kalenderjaar.

4.3.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen primair besluit is genomen en dat om die reden het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. In het personeelssysteem Youforce is door eisers leidinggevende vermeld:

“Bij deze mijn beoordeling van jouw aanvraag, waarbij de uitkomst is dat het niet functiegericht en niet loopbaangericht is. Loopbaangericht impliceert dat er loopbaanafspraken over een toekomstige functie zijn gemaakt. Het betreft jouw voornemen/wens maar deze functie is niet in samenspraak met de organisatie als vast doel geformuleerd met bijbehorende loopbaanstappen/proces. De eerdere beoordeling door anderen van studieaanvragen van collega’s verlenen je geen rechten die ook op jouw aanvraag van toepassing zijn. Toetsing in het DMT leerde dat we het geformuleerde beleid volgen wat voor jou deze uitkomst heeft. M. vr. gr. Alfred van Dijk”.

Deze vermelding in Youforce voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg, namelijk het toekennen van een studiefaciliteit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling en het afwijzen van de meeromvattende studiefaciliteiten op basis van hoog of laag organisatiebelang op grond van artikel 5 van de Regeling. De mededeling in Youforce is dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, sub 2, van het Barp, verweerder bevoegd is studiefaciliteiten als bedoeld in de Regeling toe te kennen.

Het bestreden besluit is in mandaat door de Politiechef van de Landelijke Eenheid, namens verweerder genomen. Door eiser is erkend – en ook de rechtbank is van oordeel – dat het bestreden besluit aldus bevoegd is genomen. Voor zover het primaire besluit niet door eisers leidinggevende in mandaat had mogen worden genomen, is dit gebrek met het bestreden besluit hersteld doordat het bestreden besluit door het bevoegde orgaan is genomen.

4.5.

De rechtbank komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Eiser heeft erkend dat geen ontwikkelafspraken zijn gemaakt met het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling. Op grond van deze bepaling is verweerder het bevoegde gezag met wie appellant ontwikkelafspraken dient te maken teneinde in aanmerking te komen voor de gevraagde studiefaciliteiten. Verweerder heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan het diensthoofd. Appellant heeft echter geen ontwikkelafspraken gemaakt met het diensthoofd, ook niet in die zin dat het diensthoofd heeft ingestemd met het door eiser opgestelde POP. Het maken van dergelijke ontwikkelafspraken is een vereiste voor het verkrijgen van faciliteiten voor een loopbaangerichte opleiding. Dat met eiser – naar hij stelt buiten zijn toedoen – geen loopbaangesprek is gevoerd, doet aan dit vereiste niet af. Eiser diende zich eerst te richten op het maken van deze ontwikkelafspraken alvorens een aanvraag te doen. Van eiser kan – anders dan hij stelt – wel degelijk worden gevergd dat hij, om in aanmerking te komen voor studiefaciliteiten als bedoeld artikel 5, van de Regeling, eerst loopbaangerichte ontwikkelafspraken maakt, alvorens aan de HBO-masteropleiding Risicomanagement te beginnen.

Nu geen sprake is van met het bevoegd gezag gemaakte ontwikkelafspraken als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling, heeft verweerder de aanvraag om studiefaciliteiten voor het volgen van een loopbaangerichte opleiding reeds daarom op goede gronden afgewezen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3971.

4.6.

Verder heeft verweerder overtuigend gemotiveerd dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Met genoemde betrokkenen zijn, anders dan met eiser, wel ontwikkelafspraken gemaakt. Ten aanzien van de heer Zandbergen heeft verweerder bovendien gemotiveerd gesteld dat er in dat geval ten onrechte van is uitgegaan dat de HBO-masteropleiding Risicomanagement noodzakelijk is voor het verrichten van een toekomstige functie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze in het verleden gemaakte fout niet hoeft te herhalen.

4.7.

Het beroep is ongegrond.

4.8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.