Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9124

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
NL20.15464
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2266, Niet bevoegd
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgberoep tegen maatregel op grond van artikel 59, onder a, Vw is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15464


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.I.N. Ebecilio).

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 mei 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is telefonisch gehoord ter zitting en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is dezelfde dag gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juni 2020 (in de zaak NL20.11402) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, te weten op 8 juni 2020, de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert, samengevat en zoals nader aangevuld ter zitting, aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) volgt dat bij voortduring van de corona-maatregelen waardoor uitzettingsvluchten niet gepland kunnen worden, het enkele tijdsverloop reeds leidt tot het ontbreken van zicht op uitzetting. De Afdeling heeft in deze uitspraak ook aangegeven dat verweerder in de M120 dient te motiveren of de maatregel van bewaring kan worden gecontinueerd of dat een omslagpunt plaatsvindt, waarna de rechtbank dit vervolgens dient te toetsen. Dit heeft verweerder in casu niet gedaan. Een motivering ter zitting van de zijde van verweerder is te laat. Voorts heeft de Afdeling op 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1546) weliswaar aangegeven dat nog steeds sprake is van tijdelijke uitzettingsbelemmeringen maar sinds die uitspraak is inmiddels anderhalve maand verstreken, zodat nu in totaal sprake is van een periode van 4,5 maand waarin geen uitzettingen mogelijk zijn. Daarbij dient zwaar mee te wegen dat geen enkel vooruitzicht wordt gegeven van een datum waarop opnieuw vluchten kunnen worden gepland. Subsidiair stelt eiser dat voor hem persoonlijk het zicht op uitzetting ontbreekt omdat verweerder weliswaar een laissez-passer heeft aangevraagd maar deze, ondanks het rappelleren, niet is afgegeven en het ook onduidelijk is of deze zal worden afgegeven. De Liberiaanse autoriteiten hebben immers al een kopie van zijn paspoort ontvangen maar gesteld dat zij eiser niet in hun systeem terug kunnen vinden zodat zij blijkbaar twijfelen aan zijn Liberiaanse nationaliteit. Of eiser wel of niet meewerkt aan zijn uitzetting is daarbij niet relevant.

4.1

De rechtbank volgt eisers stelling niet dat verweerder in de M120 dient te motiveren of de bewaringsmaatregel, gelet op de coronamaatregelen en het ontbreken van uitzettingsvluchten, kan voortduren. In voornoemde uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020 is immers overwogen dat de omstandigheid dat geen uitzettingsvluchten mogelijk zijn vanwege de corona-maatregel op dat moment is aan te merken als een tijdelijke belemmering. Vervolgens overweegt de Afdeling:
“Dit neemt echter niet weg dat als de huidige situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, dit alsnog gevolgen kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het is dan in de eerste plaats aan de staatssecretaris om per geval te bezien of de maatregel kan worden gecontinueerd of moet worden opgeheven en vervolgens aan de bewaringsrechter om dit te toetsen. De vreemdeling kan een vervolgberoep instellen.”
Hieruit volgt niet dat deze afweging door verweerder dient plaats te vinden in de M120, dan wel dat een nadere motivering van verweerder hierover ter zitting te laat zou zijn.

4.2

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank voorts geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de belemmeringen in het kader van het coronavirus nog steeds als tijdelijk dienen te worden beschouwd en deze niet maken dat het zicht op verwijdering naar Liberia niet meer zou bestaan. De rechtbank verwijst naar de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020. Dat deze coronamaatregelen nu reeds vijf maanden voortduren, maakt het voorgaande niet anders. Dat nu sprake zou zijn van een omslagpunt waardoor niet gesteld kan worden dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat, volgt de rechtbank niet. Gelet op het feit dat er inmiddels in diverse landen versoepelingen van de maatregelen worden doorgevoerd, maakt dat niet kan worden gesproken van een situatie waarin enig vooruitzicht op opheffing van de tijdelijke belemmering ontbreekt. Van belang is daarbij ook dat eerst voor eiser een reisdocument moet worden verkregen alvorens een vlucht kan worden geboekt en eiser niet meewerkt aan de verkrijging daarvan of anderszins aan zijn uitzetting. Zo heeft hij tijdens het laatste vertrekgesprek op 28 augustus 2020 aangegeven dat hij de regievoerder überhaupt niet wil spreken. Dat verweerder dit ten onrechte betrekt bij de vraag of sprake is van zicht op uitzetting, volgt de rechtbank evenmin. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (laatstelijk op 2 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2672) is dit aspect wel degelijk relevant. Ten slotte is evenmin gebleken dat de Liberiaanse autoriteiten niet mee willen werken aan eisers uitzetting. Verweerder heeft immers blijkens het laatste vertrekgesprek, een presentatievoorstel voor eiser bij de Liberiaanse ambassade op 17 september 2020 geregeld. Niet is gebleken dat door de Liberiaanse autoriteiten geen laissez-passer voor eiser zal worden afgegeven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

5. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat verweerder hem inmiddels reeds bijna 3 maanden van zijn vrijheid heeft beroofd terwijl eiser wel moeite doet om een reisdocument te verkrijgen. Ook het bestaan van een feitelijke uitzettingsbelemmering dient te worden meegewogen.

5.1

Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Daarbij weegt mee dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft voorts op geen enkele manier onderbouwd op welke wijze hij wel inspanningen heeft verricht om aan een reisdocument te komen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.