Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9119

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
NL20.16023
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen maatregel van bewaring ogv artikel 59b, eerste lid, onder a en b, Vw wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.16023


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).


Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawazy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is op 7 september 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser voert allereerst aan dat zijn aanhouding op 24 augustus 2020 onrechtmatig is geweest. Eiser was met de bus op weg naar Ter Apel om een herhaalde asielaanvraag in te dienen. De bus remde plotseling waardoor eiser is gevallen. De politie is vervolgens erbij geroepen. Hem is gevraagd of hij zich kon identificeren, waarschijnlijk in verband met zijn buitenlandse afkomst.

2.1

Verweerder heeft gewezen op de situatie die blijkt uit het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en overdracht van 24 augustus 2020, waaruit blijkt dat de gang van zaken rechtmatig was.

2.2

De rechtbank overweegt als volgt. Verbalisanten relateren in voornoemd proces-verbaal dat zij een bus bij een bushalte zagen stilstaan en dat er een man op de vloer lag, naast de chauffeur. De chauffeur vertelde dat deze persoon de bus op een eerder punt wilde verlaten, maar dat daar geen halte was. De chauffeur was daarom doorgereden naar de bushalte. Nu wilde de man de bus niet verlaten. De persoon op de grond zei dat hij op de vloer terecht was gekomen nadat de buschauffeur hard had geremd. De buschauffeur vertelde dat de man niet gevallen was maar zelf op de grond was gaan liggen en er een poppenkast van maakte. De verbalisanten hoorden de man schreeuwen waardoor zij de buschauffeur niet meer konden verstaan. Daarop vroegen zij de man om op te staan en de bus te verlaten. Vervolgens vroegen zij de man om zijn identiteitsbewijs, raadpleegden verbalisanten het politiesysteem en zagen dat eiser verwijderbaar zou zijn. Naar aanleiding daarvan is de verblijfsrechtelijke positie van eiser op grond van het bepaalde in artikel 50, eerste lid, Vw onderzocht en bleek dat hij op dat moment illegaal in Nederland verbleef.

2.3

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat de aanleiding om eisers identiteit te vragen en zijn daarop volgende staandehouding plaatsvond in het kader van de uitvoering van de algemene politietaken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag de bewaringsrechter niet oordelen over de aanwending van een dergelijke niet-vreemdelingenrechtelijke bevoegdheid. Nu vast staat dat uit het systeem bleek dat eiser verwijderbaar was, was er sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van eiser en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50, eerste lid, Vw worden staande gehouden. De beroepsgrond faalt.

3. Eiser voert voorts aan dat verweerder ten onrechte op 24 augustus 2020 de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw heeft opgelegd. Eiser had immers op dat moment nog niet op juiste wijze een asielaanvraag ingediend omdat hij zich niet persoonlijk heeft gemeld in Ter Apel, terwijl dit een voorwaarde is om een herhaalde asielaanvraag in te kunnen dienen. Voorts bevat het dossier een door eiser, na zijn aanhouding bij de verbalisanten ondertekende asielaanvraag (gedingstuk 5). Dit betreft echter een formulier voor het indienen van een eerste asielaanvraag, terwijl eiser een herhaalde aanvraag wenste in te dienen. Ook dit formulier leidt dus niet tot rechtmatig verblijf. Ten slotte staat op dit formulier dat het is ondertekend door eiser in Leeuwarden, terwijl eiser op het politiebureau in Groningen zat op dat moment.

3.1

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de zich in het dossier bevindende ‘overdrachtsdossier IBS’ van 25 augustus 2020, is onder het kopje ‘bijzonderheden’ opgenomen dat eiser onderweg was naar Ter Apel om een herhaalde asielaanvraag in te dienen. Hij had het benodigde aanvraagformulier bij zich. Nadat eiser door de politie is gecontroleerd en staandegehouden, heeft hij niet expliciet gemeld dat hij op dat moment asiel aan wilde vragen en evenmin heeft hij het formulier voor de herhaalde aanvraag aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) overgelegd. Bij aankomst op het politiebureau in Groningen heeft eiser echter tijdens het gehoor alsnog expliciet aangegeven dat hij asiel wilde aanvragen en heeft hij vervolgens de asielaanvraag ingediend door het M35-H forumlier in te vullen en te ondertekenen. Deze aanvraag is, blijkens artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) het beleid vervat in C1/2.10 Vreemdelingencirculaire (Vc), daarmee op juiste wijze ingediend. Dat het formulier M35-H normaliter voor een eerste asielaanvraag wordt gebruikt en eiser een herhaalde asielaanvraag in wenste te dienen, maakt niet dat eiser hiermee geen asielaanvraag heeft ingediend. Immers, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn en moet de asielwens worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen (zie bijvoorbeeld, ECLI:NL:RVS:2012:BW4264). Dat op het M35-H formulier staat dat deze is ondertekend in Leeuwarden, terwijl eiser op dat moment in Groningen was, is naar het oordeel van de rechtbank een kennelijke verschrijving die evenmin ertoe leidt dat de asielaanvraag ongeldig zou zijn of niet als ingediend moet worden beschouwd, omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond faalt.

4. Eiser voert verder aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Verweerder werpt hem ten onrechte tegen dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnen gekomen. Eiser heeft immers verklaard dat hij met zijn paspoort met een geldig visum is ingereisd. Voorts werpt verweerder hem ten onrechte tegen dat hij niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft immers aan de verbalisanten zijn W-document gegeven ter identificatie. De tegenwerping dat eiser zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten, is enkel een aanname van verweerder. Ook werpt verweerder hem ten onrechte tegen dat hij te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Eiser heeft immers een asielaanvraag ingediend, zodat hij begrijpelijkerwijs niet terug wil keren en verweerder dit ook niet kan tegenwerpen. Voorts werpt verweerder ten onrechte tegen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en onvoldoende middelen. Eiser heeft immers in beroep zijn huurcontact overgelegd en een salarisspecificatie.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2

Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat eiser weliswaar tijdens zijn gehoor voor de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij in 2005 legaal met zijn paspoort en een visum is ingereisd, maar hij dit niet op enigerlei wijze heeft aangetoond. Het paspoort is hij immers vervolgens in 2010 kwijt geraakt. Verweerder heeft daarom, naar het oordeel van de rechtbank terecht de zware grond onder 3a tegengeworpen. Eiser heeft de zware grond onder 3b niet betwist. Voorts heeft verweerder aan eiser terecht de lichte gronden onder 4c en 4d tegengeworpen. Eiser heeft tijdens zijn gehoor inbewaringstelling (pagina 4) immers verklaard dat hij niet staat ingeschreven bij een gemeente in Nederland en hij geen vaste verblijfplaats heeft. Hij verbleef daar naar eigen zeggen een paar weken bij vrienden, en zou daarna naar andere vrienden gaan. Ook op de zich in het dossier bevindende herhaalde aanvraag die eiser bij zich had, staat onder het kopje “gegevens van de vreemdeling” opgenomen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Weliswaar heeft eiser in beroep een huurcontract overgelegd, maar verweerder heeft daar terecht niet de waarde aan gehecht die eiser wenst. Dit omdat dit een huurcontract uit november 2018 betreft en eiser hierover niet heeft verklaard tijdens het gehoor en hij niet heeft uitgelegd waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Voorts betreft dit een huurcontract dat niet op eisers naam staat maar op de naam ‘ [naam] ’ voor een woning aan de Dorpsstraat 29 te Lunteren, terwijl op de overgelegde salarisspecificatie weer staat dat eiser in Velp woont. Ook aan de overgelegde salarisspecificatie heeft verweerder op goede gronden geen waarde gehecht, omdat eiser tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling niet heeft verklaard over een baan of een vast inkomen te beschikken. Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht twee zware en twee lichte gronden aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd en dit voldoende is om de maatregel te dragen, behoeven de overige gronden geen bespreking meer. De beroepsgrond faalt.

5. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij op weg was naar Ter Apel om een asielaanvraag in te dienen en dus daarmee zijn illegaal verblijf wilde beëindigen. Dat is niet kenbaar betrokken door verweerder bij het opleggen van de maatregel. Voorts beroept eiser zich op schending van zijn familieleven, nu hij een partner heeft in Nederland. Dit blijkt uit zijn herhaalde asielaanvraag.

5.1

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft over de stelling dat eiser een asielaanvraag wilde indienen in Ter Apel, terecht opgemerkt dat eiser daar uiteindelijk geen aanvraag heeft ingediend, zodat dit terecht niet is meegenomen in de belangenafweging. Voorts heeft eiser tijdens het gehoor inbewaringstelling verklaard geen partner, kinderen of overige familieleden in Nederland of Europa te hebben. Dat in het formulier van de herhaalde aanvraag zou staan dat eiser en partner heeft in Nederland, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.