Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
AWB 19/5952
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag dient te worden afgewezen omdat eiseres tot op heden in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “kennismigrant”, geldig tot 1 december 2022, zodat zij in Nederland hiermee gezinsleven kan uitoefenen met haar zoon. Er is daarom geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5952

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] ,

V-nummer: [#] ,

geboren op [geboortedatum] van Chinese nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P Guerain, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het wijzigen van het doel van de op 1 december 2015 aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als kennismigrant” in het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij zoon [naam zoon] ” afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 april 2020 en 4 augustus 2020 verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft daar op 12 mei 2020 en op 14 augustus 2020 op gereageerd.

De rechtbank heeft partijen op 19 augustus 2020 verzocht om aan te geven of het onderzoek kan worden gesloten zonder het houden van een zitting, conform het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarbij aangegeven dat zonder tegenbericht binnen een week ervan wordt uit gegaan dat partijen akkoord zijn.

Partijen hebben niet gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is in eerste instantie Nederland in januari 2016 ingereisd om te werken bij Randstad B.V.. Zij heeft daartoe een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als kennismigrant” ontvangen. Op 10 februari 2016 heeft eiseres een procedure Toegang- en verblijf gestart voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor haar zoon, [naam zoon] . Deze is verleend.
    Eiseres heeft vervolgens een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als kennismigrant bij Macee B.V.” ontvangen. Eiseres is werkzaam als [functie] . Deze verblijfsvergunning is geldig tot 1 december 2022.
    Eiseres heeft op 20 december 2018 de huidige aanvraag ingediend. Eiseres wenst te verblijven bij haar zoon, [naam zoon] .

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit afgewezen omdat gebleken is dat eiseres en haar zoon op dat moment nog een geldige Nederlandse verblijfsvergunning hebben die hun tot uitoefening van het gezinsleven in Nederland in staat stelt. Afwijzing van de aanvraag heeft niet tot gevolg dat eiseres Nederland moet verlaten en zij en haar kind van elkaar gescheiden raken. Gelet op de Werkinstructie 2018/11 bestaat daarom geen aanleiding om de aanvraag in te willigen.

2.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiseres weliswaar stelt dat zij overweegt de activiteiten van haar huidige B.V. te wijzigen wegens verandering in de handelsrelatie met China, maar zij geen bewijzen heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij al een carriereswitch heeft gemaakt en dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Eiseres beschikt nog steeds over een geldige verblijfsvergunning voor het doel “kennismigrant”, zodat het primaire besluit wordt gehandhaafd.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat zij geen informatie zou hebben overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Verweerder heeft al op 4 januari 2019 eiseres uitgebreid gehoord over de wijzigingen in haar kennismigrant-situatie, waarbij eiseres alle gevraagde informatie heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat zij niet meer voldoet aan de vereisten voor verblijf als kennismigrant. Dat de verblijfsvergunning als kennismigrant nog niet is ingetrokken, is enkel te wijten aan onderbezetting bij verweerder. Verweerder dient, mede gelet op het tijdsverloop sindsdien, duidelijkheid te geven over intrekking van de kennismigrant status van eiseres. Ten onrechte heeft verweerder voorts afgezien van het horen in bezwaar.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag dient te worden afgewezen omdat eiseres tot op heden in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “kennismigrant”, geldig tot 1 december 2022, zodat zij in Nederland hiermee gezinsleven kan uitoefenen met haar zoon. Er is daarom geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres is op 4 januari 2019 weliswaar gehoord door de inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), en dus niet door verweerder zelf maar zij is nog steeds in het bezit van kennismigranten vergunning. Dat eiseres duidelijkheid wenst over een (eventuele) intrekking door verweerder van haar verblijfsvergunning regulier voor het doel “kennismigrant” is begrijpelijk, maar deze procedure is daarvoor niet bedoeld. Eiseres heeft ten slotte op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake is van een wijziging in haar kennismigrant situatie of dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten aanzien van haar verblijfsrecht.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 september 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.