Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
19-09-2020
Zaaknummer
09-109999-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen 10a Opiumwet en aanwezig hebben van harddrugs; ISD-maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/109999- 20 , 09/121971- 20 en 09/130508- 20 (t.t.z. gev.)

Datum uitspraak: 7 september 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de ter terechtzitting gevoegde zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. van Kins en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. B.F. van Es naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 09/109999- 20 (hierna: dagvaarding I):

hij op of omstreeks 21 april 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen 10 .1 gram cocaïne en/of twee mobiele telefoons en/of een contant geldbedrag van 119,55 euro, althans enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

in de zaak met parketnummer 09/121971- 20 (hierna dagvaarding II):

1

hij op of omstreeks 5 mei 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meerdere bolletjes cocaïne en/of

- een of meerdere bolletjes heroïne en/of

- een contant geldbedrag van 259,05 euro, althans enig geldbedrag (in kleine coupures) en/of

- een fiets met een of meer verborgen ruimtes,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2

hij op of omstreeks 5 mei 2020 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 0,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 1,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

in de zaak met parketnummer 09/130508- 20 (hierna: dagvaarding III)

1

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Leiden opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 2,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen 54 bolletjes cocaïne en/of 13 bolletjes heroïne en/of een mobiele telefoon voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat hij ten aanzien van het bij dagvaarding III onder 1 ten laste gelegde feit enkel het impliciet subsidiair ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben bewezen acht.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal de rechtbank voor zover relevant hierna ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I 1

Bewijsmiddelen

Nadat een verbalisant de verdachte op 21 april 2020 in Leiden had zien fietsen en had gevraagd te stoppen, zag deze verbalisant dat er een plastic zakje in de linker jaszak van de verdachte zat waarin een aantal witkleurige bolletjes te zien waren. De verdachte werd daarop aangehouden en bij zijn insluiting bleek dat in het plastic zakje 51 witkleurige bolletjes zaten. Deze bolletjes zijn inbeslaggenomen.2 Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat in de bolletjes in totaal (netto) 9,9 gram cocaïne zat.3 Bij de fouillering van de verdachte werden verder onder andere nog aangetroffen en in beslag genomen: € 119,55 aan contact geld (€ 70 in bankbiljetten en € 49,55 euro aan muntgeld), een Nokia telefoon en een bankpas op naam van [naam] .4

In het oproeplogboek van de Nokia telefoon heeft de politie diverse mobiele telefoonnummers aangetroffen die bij de politie geregistreerd staan als telefoonnummers van harddrugsgebruikers.5

De politie heeft contact opgenomen met [naam] en haar verteld dat haar pinpas onder een aangehouden verdachte was aangetroffen. Ze heeft verklaard dat ze al enkele jaren verslaafd is aan cocaïne en deze cocaïne al jaren bij dezelfde jongen genaamd [verdachte] koopt die ook al jaren hetzelfde nummer gebruikt. Als ze niet kan betalen geeft ze haar pinpas mee aan [verdachte] als onderpand. 6

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er in de bolletjes cocaïne zat en dat het geld van hem was.7 Hij verklaarde bij de politie verder dat hij de bolletjes voorhanden had omdat hij gebruikt en dat het bij hem aangetroffen geld spaargeld van hem was.Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij gokte op gokmachines in snackbars en daarvoor het geld bij zich had.

Oordeel van de rechtbank

De voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne kunnen op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen worden verklaard. De combinatie van de bij de verdachte aangetroffen cocaïne in bolletjes, de hoeveelheid daarvan, het contante geld en de telefoon met daarin nummers van harddrugsgebruikers, kunnen niet anders dan bestemd zijn om die handel voor te bereiden. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat mevrouw [naam] heeft verklaard dat ze haar pinpas weleens als onderpand gaf aan haar vaste dealer van cocaïne genaamd [verdachte] en dat deze pinpas onder de verdachte is aangetroffen. Dat sterkt de rechtbank in de overtuiging dat de verdachte al deze spullen bij zich had ter voorbereiding van de (verdere) handel in cocaïne. Het verweer van de verdediging dat het hier om cocaïne ging voor eigen gebruik wordt gelet hierop - alsook gezien de hoeveelheid van 51 bolletjes stuks - verworpen door de rechtbank. Ook de verklaring van de verdachte dat het bij hem aangetroffen geld bestemd was om te gokken in snackbars, schuift de rechtbank als onaannemelijk terzijde. De verdachte heeft dit eerst ter terechtzitting naar voren gebracht, terwijl hij eerder nog zei dat het om spaargeld ging. Gelet op de hoeveelheid geld, in kleine coupures en een groot gedeelte in muntgeld, in combinatie met de aangetroffen drugs is de rechtbank van oordeel dat ook het geld voor de drugshandel bestemd was.

Dit alles maakt dat de rechtbank het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaard.

Dagvaarding II 8

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op 5 mei 2020 in Leiden heeft de politie de verdachte staande gehouden. Bij de verdachte werden vervolgens bankbiljetten van € 10 en € 20 en ook los geld (de rechtbank begrijpt: muntgeld) aangetroffen. Het linker handvat van zijn fiets bleek los te zitten en toen dat van het stuur was gehaald, vond de politie in het stuur een plastic zakje. Daarin zaten 15 bolletjes en deze zijn, samen met het geld, in beslag genomen.9

Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat in 10 bolletjes in totaal (netto) 2,1 gram cocaïne en in 5 bolletjes in totaal (netto) 0,9 gram heroïne zat.10 Het totaalbedrag inbeslaggenomen geld bedroeg € 259,05.11

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij beschikt over een kleine € 700 per maand aan uitkering waar hij niet van rond kan komen.12 Verder heeft hij verklaard dat hij de fiets daags voordat hij werd aangehouden van ene [naam] had geleend. Hij verklaarde voorts dat hij niet wist dat er drugs in het stuur van de fiets zat. Het geld dat bij hem was aangetroffen was spaargeld. Ter terechtzitting heeft de verdachte herhaaldelijk verklaard dat hij geen [naam] kent.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de feiten ontkent en dat hij zegt niet te hebben geweten dat er drugs in de fiets zat die hij van ene [naam] zou hebben geleend. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt onaannemelijk. Bij de politie kon de verdachte immers geen gegevens van deze [naam] geven en ter terechtzitting heeft de verdachte bovendien herhaaldelijk op vragen van de rechtbank verklaard dat hij helemaal geen [naam] kent. Dat maakt dat de rechtbank deze verklaring van de verdachte terzijde schuift.

Gelet hierop en het gegeven dat verdachte reed op de fiets waarin de drugs werd aangetroffen, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte wist dat de drugs in de fiets aanwezig waren en acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat hij deze drugs opzettelijk voorhanden heeft gehad (feit 2). De hoeveelheid bolletjes heroïne en cocaïne (15 in totaal) en de heimelijk plaats waar deze waren verstopt in combinatie met de hoeveelheid geld in kleine coupures en los geld leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte deze goederen voorhanden had ter voorbereiding van de handel in drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de handel in drugs geld in kleine coupures ( 10 en 20 euro) omgaat. Dat het geld spaargeld betrof, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk gelet op die aangetroffen kleine coupures en het gegeven dat de verdachte leeft van een kleine uitkering, waar hij naar eigen zeggen niet van rond kan komen. Dit maakt dat ook de onder 1 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Dagvaarding III 13

Feit 1 en feit 2

Bewijsmiddelen

Bij zijn staandehouding op 14 mei 2020 in Leiden heeft de politie bij de verdachte in een broekzak en in een sok een witkleurig bolletje aangetroffen. Daarop is de verdachte aangehouden. Op het politiebureau werd bij een onderzoek aan het lichaam in de onderbroek van de verdachte een condoom met daarin 52 witkleurige en 13 bruinkleurige bolletjes aangetroffen. De bolletjes en een Nokia telefoon zijn onder de verdachte in beslag genomen.14

Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat in 54 bolletjes in totaal (netto) 8,3 gram cocaïne en in 13 bolletjes in totaal (netto) 2,0 gram heroïne zat.15

De politie heeft de Nokia-telefoon van de verdachte onderzocht. Daarin werden onder andere de volgende verzonden berichten gevonden:

"Ga naar ana43 en doe luidspreker."

"Ga kardea soma"

"Van [nummer] 54934346649 "

"Van [nummer] 79860645049 "

" [nummer] van [nummer] ."

" [nummer] van [nummer] ."

" [nummer] deze is [nummer] eu."

" [nummer] deze is [nummer] ." 16

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar sterke aanwijzingen naar voren komen dat de verdachte daadwerkelijk drugs heeft verhandeld, maar dat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Dat maakt dat de verdachte van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde handel in drugs moet worden vrijgesproken. Wel kan op basis van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat hij de drugs opzettelijk aanwezig had zoals onder 1 impliciet subsidiair ten laste is gelegd. De cocaïne en de heroïne zijn immers bij de verdachte aangetroffen in zijn broekzak, zijn sok en zijn onderbroek.

Ook feit 2, de voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en heroïne, kan op basis van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen worden verklaard. De hoeveelheid die is aangetroffen in bolletjes is volgens de rechtbank veel te groot om van een voorraad voor eigen gebruik te kunnen spreken. Bovendien waren de bolletjes – onder meer – verstopt in een condoom in zijn onderbroek. Dit in combinatie met de onder de verdachte in beslaggenomen Nokia telefoon met de daarin aangetroffen berichten, die duiden op locatie- en prijsafspraken, leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte deze goederen bij zich had om de handel in drugs voor te bereiden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I:

hij op 21 april 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden:

9,9 gram cocaïne en twee mobiele telefoons en een contant geldbedrag van 119,55 euro,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

Dagvaarding II:

1

hij op 5 mei 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden:

- meerdere bolletjes cocaïne en

- meerdere bolletjes heroïne en

- een contant geldbedrag van 259,05 euro, en

- een fiets met een verborgen ruimte,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

2

hij op 5 mei 2020 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,9 gram, van een materiaal bevattende heroïne en 2,1 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Dagvaarding III

1

hij op 14 mei 2020 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad, 8,3 gram, van een materiaal bevattende cocaïne en 2,0 gram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

hij op 14 mei 2020 te Leiden om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden:

54 bolletjes cocaïne en 13 bolletjes heroïne en een mobiele telefoon voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van een maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd. De verdachte voldoet volgens de officier van justitie aan alle voorwaarden die worden gesteld aan het opleggen van een dergelijke maatregel en hij heeft daarbij gewezen op het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, als zij tot een bewezenverklaring komt van een of meer feiten, de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het treffen van voorbereidingshandelingen voor de drugshandel. Cocaïne en heroïne zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Voorts staat vast dat de verspreiding van en de handel in deze drugs gepaard gaan met vele andere vormen van criminaliteit waaraan de verdachte (indirect) een bijdrage heeft geleverd.

De rechtbank rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij herhaaldelijk voor dezelfde feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, en hij er pas mee is gestopt nadat hij is aangehouden voor het onder dagvaarding III.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 8 juli 2020.

Hieruit blijkt dat de verdachte al eerder met justitie in aanraking is gekomen, voornamelijk vanwege drugsgerelateerde misdrijven.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsrapport over de verdachte van Reclassering Nederland van 19 augustus 2020. De reclassering beschrijft dat de verdachte geen steunend sociaal netwerk heeft, maar zich bevindt in een netwerk waar het plegen van criminele activiteiten de norm lijkt. Ook ontvangt hij geen sturing en begeleiding vanuit het gezin van herkomst. Bij de verdachte is in het verleden een verstandelijke beperking vastgesteld en tot aan zijn aanhouding in onderhavige zaak was er sprake van een cannabisafhankelijkheid.

Eerder ingezette hulpverleningstrajecten in een gedwongen kader zijn tot nu toe, aldus de reclassering, allemaal voortijdig beëindigd omdat de verdachte zich vermijdend opstelde en zich stelselmatig onttrok aan de afspraken binnen het toezicht. Elke vorm van hulp en begeleiding werd door hem afgeslagen omdat hij van mening is op eigen kracht een gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen.

Het ontbreekt de verdachte aan zelfinzicht en probleeminzicht. Hij ontbeert de vaardigheden om op adequate wijze met opspelende problematiek om te kunnen gaan en blijvende positieve veranderingen te kunnen aanbrengen in zijn persoonlijke omstandigheden. Kortom, op bijna alle leefgebieden zal volgens de reclassering geïntervenieerd moeten worden om de hoge kans op recidive te kunnen verkleinen. De reclassering schat in dat een langdurig kader waarbij er meer sprake is van drang en intensiteit het benodigde resultaat zal opleveren.

Omdat volgens de reclassering de mogelijkheden om gedragsverandering te bewerkstelligen in een ambulant kader zijn uitgeput adviseert zij de verdachte een ISD-maatregel op te leggen.

Oplegging maatregel

De rechtbank stelt vast dat aan de in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde feit meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na die eerdere veroordelingen. Voorts moet er, gezien het strafblad van de verdachte en de inschatting van de reclassering, ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De verdachte voldoet daarbij aan de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.

Het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel is een uiterst middel, waartoe in beginsel slechts wordt besloten indien alle reële mogelijkheden voor hulpverlening zijn uitgeput. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De rechtbank overweegt daartoe dat de in het verleden aan de verdachte opgelegde (voorwaardelijke) straffen geen verandering in zijn gedrag hebben opgeleverd. Een last onder dwangsom van de gemeente Leiden van 13 januari 2020, die er kort gezegd op neer kwam dat de verdachte geen drugs mocht dealen in Leiden, heeft evenmin effect gehad. Hij is, zoals blijkt uit de bewezenverklaringen in dit vonnis, verschillende keren opnieuw betrapt met harddrugs. In het licht van deze constateringen en gelet op het advies van de reclassering, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat de verdachte zich nu wel zal conformeren aan hulp en begeleiding. Het ter terechtzitting door de verdachte gedane verzoek nog een kans te krijgen met een voorwaardelijke ISD-maatregel, zal dan ook niet worden gehonoreerd. De verdachte heeft ook zelf ter terechtzitting weinig intrinsieke motivatie getoond om daadwerkelijk iets te willen veranderen en hulp te accepteren en zich aan voorwaarden te zullen houden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel eist en zij zal deze ISD-maatregel dan ook aan de verdachte opleggen. De rechtbank beoogt met de oplegging van de ISD-maatregel primair beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van de verdachte. Daarnaast zal moeten worden gewerkt aan de door de reclassering geschetste problematiek van de verdachte in vrijwel alle leefgebieden. Om dat te kunnen realiseren moet voldoende tijd worden genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. De rechtbank zal daarom ook de tijd die de verdachte voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van die maatregel.

7 De inbeslaggenomen goederen

Op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen bij dagvaarding I staat een (1) voorwerp, te weten een geldbedrag van € 119,55.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het geldbedrag.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor teruggave van het geldbedrag aan de verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het geldbedrag verbeurdverklaren. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat hij dit geld voorhanden had om de handel in harddrugs voor te bereiden. Dit geldbedrag is dus voor verbeurdverklaring vatbaar nu het geldbedrag een voorwerp is dat de verdachte toebehoort en met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 38m, 38n, 57 en 60 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, bij dagvaarding II onder 1 en 2 en bij dagvaarding III onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

in de zaak met parketnummer 09/109999- 20 (dagvaarding I)

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

in de zaak met parketnummer 09/121971- 20 (dagvaarding II)

ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

in de zaak met parketnummer 09/130508- 20 (dagvaarding III)

ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt de verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp zoals vermeld op de beslaglijst met parketnummer 09/109999- 20 te weten: € 119,55.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter,

mr. N.F.H van Eijk, rechter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lockhorst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PLl500-2020111635, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, basisteam Leiden-Noord, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 40).

2 Proces-verbaal aanhouding, p. 4-5.

3 Proces-verbaal bevindingen, p. 37-38, met bijlage NFI rapport, p. 40.

4 Proces-verbaal bevindingen, p. 28.

5 Proces-verbaal bevindingen, p. 33.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 34

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 18-19

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020127377, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, basisteam Leiden-Midden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 32) en twee ongenummerde processen-verbaal.

9 Proces-verbaal aanhouding, p. 4-5 en p. 12.

10 Proces-verbaal bevindingen, p. 28-30, met 2 bijlagen, NFI rapporten, p. 31 en 32.

11 Bewijs van ontvangst, p. 23.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 20

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020111635, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, basisteam Leiden-Noord, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 40).

14 Proces-verbaal van aanhouding, p. 4-5.

15 Proces-verbaal bevindingen, p. 34-36, met 2 bijlagen, NFI rapporten, p. 37 en 38.

16 Proces-verbaal bevindingen, p. 31.