Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9094

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
AWB 20/2762
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dwangsombesluit, samenhang, kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2762

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1

geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [#1] ,

[eiseres 2] , eiseres 2

geboren op [geboortedatum 2] ,

V-nummer: [#2] ,

[eiseres 3] , eiseres 3,

geboren op [geboortedatum 3] ,

V-nummer: [#3] ,

allen van Syrische nationaliteit,

gezamenlijk te noemen eiseressen,

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Op 4 juli 2018 hebben eiseressen afzonderlijk aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij afzonderlijke brieven van 14 januari 2020 hebben eiseressen verweerder meegedeeld dat hij in gebreke is door niet binnen de beslistermijn op de aanvragen te beslissen.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2020 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseressen een dwangsom toegekend.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

  2. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat aan eiseressen een dwangsom moet worden betaald omdat niet binnen de wettelijke beslistermijn op de aanvragen is beslist. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat slechts één dwangsom hoeft te worden betaald, omdat sprake is van samenhang tussen de aanvragen van eiseressen. Immers, de aanvragen zijn gelijktijdig ingediend en de aanvragen zijn gebaseerd op grotendeels gelijkluidende asielrelazen. Verweerder verwijst hiervoor naar artikel 4:17, zevende lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 20181. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom € 812,- bedraagt.

3. Eiseressen zijn het daar niet mee eens en voeren het volgende aan. Het gezamenlijk moeten delen van een dwangsom ziet op de situatie waarin één besluit wordt genomen dat voor alle betrokkenen geldt. In de situatie van eiseressen kon echter niet worden volstaan met een gezamenlijk besluit. Eiseressen hebben ieder afzonderlijk een individueel besluit ontvangen. Omdat zij ieder afzonderlijk een aanvraag hebben ingediend, hebben zij ook ieder afzonderlijk recht op vergoeding van de dwangsom.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 20202 is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de aanvragen van eiseressen, die zussen van elkaar zijn, bij de toekenning van de dwangsom terecht als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van samenhang. Met de stelling, dat sprake is van drie afzonderlijke aanvragen en drie afzonderlijke besluiten hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Nu de aanvragen gelijktijdig zijn ingediend en het familieleden betreft, neemt de rechtbank aan dat de aanvragen zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Eiseressen hebben geen onderbouwd aanknopingspunt geboden voor een ander oordeel.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseressen de hoogte van de toegekende dwangsom niet hebben betwist.

6. Het beroep is kennelijk ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier, op 8 september 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 ECLI:NL:RVS:2018:3933

2 ECLI:NL:RVS:2020:1624