Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
Awb 20/847
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pkv, van tegemoetkomen door verweerder is geen sprake, afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/847

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Surinaamse nationaliteit

V-nummer: [#]

eiser,
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

tegen:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser is op 16 oktober 2001 ongewenst verklaard.

Op 8 januari 2018 heeft eiser verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring. Bij besluit van 2 februari 2018 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2019 (AWB 18/5052) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en heeft de besluiten van 2 februari 2018 en 21 juni 2018 vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 maart 2019 heeft verweerder het verzoek tot opheffing opnieuw afgewezen.

Op 12 april 2019 heeft eiser gronden van beroep ingediend. Op 23 april 2019 heeft verweerder op de beroepsgronden gereageerd.

Bij uitspraak van 31 januari 2020 (201902334/1/V1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2019 vernietigd, de zaak naar de rechtbank terugverwezen en het besluit van 27 maart 2019 vernietigd.

Bij brief van 4 juni 2020 heeft eiser het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

Bij brieven van 29 mei 2020 en 10 juli 2020 heeft verweerder daarop gereageerd.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 5 juni 2020 en verweerder bij brief van 30 juni 2020 verzocht aan te geven of zij op een zitting wensen te worden gehoord. Nu partijen op dit verzoek niet binnen de daarvoor gegeven termijn hebben gereageerd, houdt de rechtbank het ervoor dat partijen toestemming hebben gegeven voor afdoening van de zaak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 29 mei 2020 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het besluit van 21 juni 2018 is ingetrokken en dat verweerder opnieuw op het bezwaar van 26 februari 2018 zal beslissen. Bij brief van 2 juni 2020 heeft de rechtbank eiser verzocht aan te geven of in de mededeling van verweerder aanleiding wordt gezien om het beroep te handhaven dan wel in te trekken. Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank heeft eiser op het daarbij gevoegde formulier ingevuld dat hij het beroep intrekt en de rechtbank verzoekt verweerder te veroordelen in de proceskosten.

4. Bij brief van 10 juli 2020 heeft verweerder aangegeven dat hij zich verzet tegen een veroordeling in de proceskosten, omdat verweerder bij uitspraak van 26 februari 2019 door deze rechtbank en nevenzittingsplaats al is veroordeeld in de proceskosten. Niet valt in te zien waarom verweerder in deze procedure tweemaal tot een vergoeding van de proceskosten zou moeten worden veroordeeld.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Na de gegrondverklaring van het beroep door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 26 februari 2019 heeft verweerder op 27 maart 2019 een nieuw besluit genomen op het verzoek van eiser tot opheffing van zijn ongewenstverklaring. Tegen dit besluit heeft eiser op 12 april 2019 beroep ingesteld. De intrekking van dit beroep, onder gelijktijdig verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen, ligt in deze procedure ter beoordeling voor. Het besluit van 27 maart 2019 is niet door verweerder ingetrokken, maar is door de Afdeling bij uitspraak van 31 januari 2020 vernietigd. Van een ‘tegemoetkoming door verweerder als bedoeld in artikel 8:75a Awb is geen sprake.

6. De rechtbank ziet daarom geen grond voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen dan ook afwijzen.

Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L.L. van den Akker, griffier, op 4 september 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.