Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
NL20.10730
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Beroep is na afloop van de beroepstermijn ingediend, termijnoverschrijding is aan eiser te wijten. Beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10730

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Eiser heeft op 14 mei 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Baban. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is op 16 juli 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig tot en met 16 juli 2019. Eiser heeft geen aanvraag ingediend voor verlenging van de verblijfsvergunning bepaalde tijd of voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Met het bestreden besluit van 31 januari 2020 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft gemotiveerd dat door het niet tijdig indienen van een aanvraag voor verlenging of voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op de verleende bescherming en dat de grondslag voor verlening is komen te vervallen.

  2. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Uit de stukken blijkt dat het bestreden besluit op 3

februari 2020 aangetekend is verzonden naar het laatst bekende adres van eiser, zijnde het Basisregistratie personen (Brp)-adres.

3. Eiser betoogt in beroep dat het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt omdat het alleen per aangetekende post naar eiser is verzonden en niet (ook) aan zijn voormalige advocaat. Volgens eiser heeft verweerder nadat een retourzending van het bestreden besluit is ontvangen ten onrechte geen handelingen meer verricht, terwijl bij de retourzending was vermeld dat eiser was verhuisd. Gelet op het belang van eiser bij bescherming vanwege de situatie in Syrië had verweerder over moeten gaan tot publicatie van het bestreden besluit in de Staatscourant. Direct na kennisname van het bestreden besluit via zijn advocaat heeft eiser beroep ingesteld. Het beroep is daarom tijdig ingediend.

4. Verder voert eiser aan dat hij Nederland heeft verlaten en samen met zijn broers naar Algerije is gegaan om hun ouders vanuit Syrië naar Europa te halen. Eiser heeft, vier maanden na het verlopen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, tijdens zijn verblijf in Algerije via e-mail contact opgenomen met de Nederlandse ambassade. Ten onrechte is eiser vervolgens niet namens de Nederlandse overheid geïnformeerd over het voornemen om zijn internationale beschermingsstatus te beëindigen. Het bestreden besluit is op grond van het voorgaande onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en is ondeugdelijk gemotiveerd. Tot slot voert eiser aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen evenredige belangenafweging is gemaakt. Het besluit is in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 januari 2018.1 Het bestreden besluit van 31 januari 2020 is op 3 februari 2020 aangetekend verzonden naar het laatst bekende adres van eiser. Het is aan eiser om een eventuele adreswijziging bekend te maken aan verweerder conform artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Omdat eiser dit niet heeft gedaan, komt het voor zijn rekening en risico dat hij niet tijdig kennis heeft genomen van het bestreden besluit en niet tijdig beroep heeft kunnen instellen. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de ABRvS van 25 september 2013.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet kan worden ontvangen in zijn beroep.

6. In artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken bedraagt.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Op grond van artikel 6:9 van de Awb, voor zover hier van belang, is een beroepschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de

1 ECLI:NL:RVS:2018:358

2 ECLI:NL:RVS:2013:1329

termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit niet op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt door verzending van dat besluit naar het laatst bekende adres van eiser. Niet in geschil is dat eiser is verhuisd zonder verweerder van een nieuw adres in kennis te stellen, dan wel zonder zich in zijn nieuwe woonplaats in te laten schrijven in de Brp. Van belang is daarbij dat de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 4.37 van Vb 2000 verplicht is om in geval van verandering van woon- of verblijfplaats de staatssecretaris hiervan in kennis te stellen, (zo mogelijk) onder opgave van het nieuwe adres. Verder geldt op grond van paragraaf C2/10.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) verzending aan het laatst bekende adres als rechtsgeldige bekendmaking van een beschikking. Verweerder heeft het bestreden besluit op 3 februari 2020 aangetekend verzonden naar het laatst bekende adres van eiser in de Brp, nadat uit gegevens van de Brp is gebleken dat hij per 9 oktober 2015 is uitgeschreven als gevolg van een melding van emigratie met een onbekend adres. Eiser staat vanaf die datum geregistreerd in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). Het bestreden besluit is overeenkomstig de (beleids)regels op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt door toezending aan het laatst bekende adres, zijnde het Brp-adres. De beroepsgrond faalt derhalve.

8. Nu het bestreden besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt, liep de beroepstermijn van 4 februari 2020 tot en met 3 maart 2020. Het door eiser ingediende beroepschrift van 14 mei 2020 is dan ook na afloop van die termijn ingediend. Er is dus sprake van een termijnoverschrijding

9. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat eiser redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is aan eiser te wijten omdat hij geen kennis heeft gegeven van de verandering van zijn adres, woon- of verblijfplaats aan de staatssecretaris en evenmin maatregelen heeft genomen om de ontvangst van post die naar zijn oude adres werd verstuurd zeker te stellen. Eiser had dienen te begrijpen dat verweerder bij het ontbreken van een ander adres van het laatst bekende adres gebruik zou maken, zoals ook in de Vc 2000 is vermeld.

De omstandigheid dat eiser naar Algerije is gegaan om zijn ouders vanuit Syrië naar Nederland te kunnen halen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS, van 25 september 2013.3

10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat anders dan eiser stelt de Nederlandse overheid niet gehouden was nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de status van zijn verblijfsvergunning nadat hij per e-mail contact heeft opgenomen met het ministerie van buitenlandse zaken met een informatieverzoek. Het verzenden van een e-mail naar het algemene e-mailadres van het ministerie van buitenlandse zaken leidt niet tot een dergelijke verplichting van verweerder.

3 ECLI:NL:RVS:2013:1329

11. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, nu eiser het beroep niet tijdig heeft ingediend. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

14 september 2020

Documentcode: DSR12715516

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.