Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
96/104336-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994. Verkeersregels in ernstige mate geschonden door telefoon vasthouden tijdens het rijden, rijden onder invloed van lachgas, doorgetrokken streep overschrijden en deels op andere weghelft rijden. Oplegging van 4 weken gevangenisstraf en 6 maanden rijontzegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 96/104336-20

Datum uitspraak: 22 september 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M. Ariese en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.A.W. Dekker naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 08 april 2020 te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en/of
Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans in Nederland, als
bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de
provinciale weg N470 en/of de Noordeindseweg, opzettelijk zich zodanig heeft
gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- (onnodig) langzaam te rijden en/of de auto (onverwacht) stil te zetten en/of
- onvoldoende rechts te houden op onoverzichtelijke plaatsen en/of daarbij
(meermalen) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of met (een deel van)
de door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer te rijden
en/of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vast te houden,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was,
terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW
1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2020 te te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en/of
Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans in Nederland, als
bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de
provinciale weg N470 en/of de Noordeindseweg, als volgt heeft gehandeld:
hij, verdachte, heeft/is:
- (onnodig) langzaam gereden en/of de auto (onverwacht) stilgezet en/of
- onvoldoende rechts gehouden op onoverzichtelijke plaatsen en/of daarbij
(meermalen) een doorgetrokken streep overschreden en/of met (een deel van) de
door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer gereden
en/of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vastgehouden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd,
terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW 1994;

2.
hij op of omstreeks 08 april 2020 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
als bestuurder van een voertuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist
of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon
verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In deze zaak gaat het om het verkeersgedrag van de verdachte als bestuurder van een personenauto op 8 april 2020. De officier van justitie heeft dit gedrag op verschillende manieren aan de verdachte ten laste gelegd. De rechtbank zal eerst vaststellen welk verkeersgedrag kan worden bewezen en daarna ingaan op de vraag hoe dit gedrag juridisch moet worden geduid.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Op specifieke verweren van de raadsman zal – voor zover relevant – hieronder worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

De bewijsmiddelen

Op 8 april 2020 omstreeks 15:15 uur reed politiemedewerker [naam] (hierna: de verbalisant), in burger gekleed en in een onopvallende auto, op de N470 te Zoetermeer. Het betreft een weg met voor elke richting twee rijstroken, gescheiden door een berm, en met een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur. Het was druk op de weg. De verbalisant zag voor zich een witte Mercedes met [kenteken] rijden. De Mercedes slingerde over de twee rijstroken en raakte meerdere keren de berm. De verbalisant zag dat de bestuurder in zijn linkerhand een mobiele telefoon vast had en in zijn rechterhand een oranje ballon, die hij met het tuitje in zijn mond hield. Hij zag dat de ballon kleiner werd. De verbalisant zag dat de bestuurder het voertuig bestuurde door zijn polsen op het stuur te laten rusten en hiermee te sturen. Ter hoogte van de rotonde waar de N470 de Noordeindseweg kruist, stond de Mercedes stil midden op de rotonde, waardoor voertuigen moesten stoppen. De Mercedes ging weer rijden en is, na een stoeprand geraakt te hebben, gestopt op de Noordeindseweg te Berkel en Rodenrijs. De bestuurder is uitgestapt met de ballon los en inmiddels bijna leeg in zijn mond. De verbalisant zag de bestuurder zwalken en tegen zijn Mercedes aan vallen. Vervolgens ging de bestuurder weer rijden en bleef hij de Noordeindseweg volgen richting Berkel en Rodenrijs. Dit is een weg met een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en met voor elke richting één rijstrook, gescheiden door een doorgetrokken witte streep. De verbalisant zag dat de bestuurder meerdere keren met ongeveer de helft van zijn auto over de witte streep reed. Een tegemoetkomend voertuig moest remmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Aan de andere kant van de rijstrook is een sloot zonder vangrail of hekwerk. De verbalisant zag dat de bestuurder door het slingeren bijna de sloot in reed. De snelheid was ongeveer

10 kilometer per uur. Daarnaast heeft de bestuurder nergens richting aangegeven. De verbalisant heeft de bestuurder van de Mercedes doen stoppen. De bestuurder reageerde verdwaasd en was onvast ter been toen hij uit zijn auto stapte. De verbalisant zag dat hij tegen zijn auto aan viel. Achterin de Mercedes lag een lachgascilinder. De bestuurder bleek [verdachte] te zijn, de verdachte in deze zaak.2

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 8 april 2020 op het parkeerterrein van McDonalds in Zoetermeer lachgas heeft gebruikt door dit te inhaleren uit een ballon. Het lachgas kwam uit de cilinder die achterin de auto lag en die hij die dag had gekocht. Daarna is hij als bestuurder in zijn auto richting Berkel en Rodenrijs gaan rijden, terwijl hij de lachgasballon nog in zijn mond had. Hij wist wat lachgas was en was op de hoogte van de effecten van lachgas. Als hij lachgas gebruikt voelt hij zich een beetje lichtjes in zijn hoofd, aldus de verdachte. De verdachte heeft verder verklaard dat hij tijdens die autorit werd gebeld en vervolgens een telefoongesprek heeft gevoerd waarbij hij zijn telefoon in zijn hand had. Daardoor was hij minder aan het opletten. Hij heeft met de wielen van zijn auto op de doorgetrokken streep op de Noordeindseweg gereden. Hij kent de weg daar goed, waardoor hij daar minder goed hoeft op te letten, aldus de verdachte.3

3.4.2

Betrouwbaarheidsverweer

De raadsman heeft betoogd dat het hiervoor weergegeven proces-verbaal van verbalisant [naam] moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat het onbetrouwbaar zou zijn. Daartoe heeft de raadsman gewezen op een aantal vermeende onjuistheden in het proces-verbaal. Zo stelt de raadsman dat de verdachte bij het verlaten van de rotonde geen stoeprand kan hebben geraakt, omdat hij dan door de naastgelegen betonblokken schade aan zijn auto zou hebben opgelopen. Ter zitting heeft de rechtbank de situatie ter plaatse kunnen bekijken aan de hand van een daarvan door de verdachte gemaakt filmpje. De rechtbank heeft daarop gezien dat er vlak naast de stoeprand inderdaad betonblokken liggen, maar ook dat het mogelijk moet zijn om de stoeprand zodanig te schampen dat geen noemenswaardige schade ontstaat. Aangezien in het proces-verbaal niet is vermeld in welke mate de verdachte de stoeprand heeft geraakt, kan dus niet worden gezegd dat het proces-verbaal in zoverre onjuist is. Verder stelt de raadsman dat in het proces-verbaal ten onrechte is vermeld dat aan ‘de andere kant van de rijstrook’ een sloot ligt. Op het filmpje heeft de rechtbank gezien dat er een sloot ligt naast de rijstrook waarover de verdachte reed. In het proces-verbaal staat dat een tegemoetkomend voertuig moest remmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen, terwijl er een sloot lag aan ‘de andere kant van de rijstrook’. Daarmee heeft de verbalisant klaarblijkelijk willen zeggen: aan de andere kant dan de rijstrook waarop het tegemoetkomende voertuig reed. Ook in zoverre bevat het proces-verbaal dus geen onjuistheid.

De raadsman heeft verder betoogd dat aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal moet worden getwijfeld, omdat de verbalisant het proces-verbaal pas op 10 april 2020 heeft opgemaakt, en daarmee niet ‘ten spoedigste’ zoals artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering vereist. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal op 10 april 2020 is ondertekend. Aangenomen mag worden dat het ook die dag is opgemaakt. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat het niet ‘ten spoedigste’ is opgemaakt en/of dat de inhoud ervan als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. De verbalisant heeft een groot deel van wat hij op 8 april 2020 heeft gezien ter plekke al in de vorm van zijn verhoor van de verdachte in aantekeningen vastgelegd in zijn notitieboekje, waarvan de gekopieerde bladzijden zich in het dossier bevinden. Twee dagen later heeft hij het proces-verbaal uitgewerkt. Dat tijdsverloop acht de rechtbank niet dusdanig lang dat de verbalisant zijn waarnemingen niet meer objectief in een proces-verbaal zou hebben kunnen neerleggen.

De raadsman heeft tot slot betoogd dat het proces-verbaal onbetrouwbaar is, omdat de verdachte meerdere daarin beschreven handelingen betwist. Ook dat vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden om het proces-verbaal onbetrouwbaar te achten. De verbalisant heeft zowel in zijn aantekeningen als in zijn op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal consistent en helder de gebeurtenissen van 8 april 2020 beschreven, en de rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De enkele ontkenning van de verdachte geeft daartoe niet zonder meer aanleiding. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsman en acht het proces-verbaal bruikbaar voor het bewijs.

3.4.3

Het oordeel van de rechtbank over feit 2 (rijden onder invloed)

De rechtbank moet beoordelen (a) of de verdachte zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van lachgas, (b) of die invloed zodanig was dat de verdachte niet tot het behoorlijk besturen van die auto in staat moest worden geacht en (c) of de verdachte wist of moest weten dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen.

De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af (a) dat de verdachte tijdens het besturen van zijn auto onder invloed was van lachgas. De verbalisant heeft immers gezien dat de verdachte tijdens het besturen van zijn auto een ballon aan zijn mond had en dat die ballon kleiner werd, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte uit die ballon heeft geïnhaleerd. Uit de verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat er lachgas zat in die ballon. Ook leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af (b) dat de invloed van lachgas zodanig was, dat de verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De verbalisant heeft immers gezien dat de verdachte de beide keren dat hij uit zijn auto stapte zwalkte of verdwaasd was en zo onvast ter been was dat hij tegen zijn auto viel. Tot slot stelt de rechtbank vast (c) dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen. Dat leidt de rechtbank af uit de verklaring van de verdachte dat hij van lachgas ‘lichtjes in zijn hoofd’ wordt en dat hij op de hoogte is van de effecten van lachgas. Tot die effecten van lachgas behoort een verminderd reactievermogen en (daarmee) een verminderde rijvaardigheid. Dat kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit algemeen toegankelijke bronnen, zoals een op internet te vinden rapport van het RIVM,4 dat de rechtbank ter zitting met de verdachte heeft besproken. Ook is de afgelopen jaren in het nieuws en op sociale media herhaaldelijk aandacht geweest voor het gevaar van het gebruik van lachgas in het verkeer. Daarmee acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat lachgas de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden.

De rechtbank acht daarmee het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4.4

Het oordeel van de rechtbank over feit 1 primair (verkeersgevaarlijk gedrag)

Het onder 1 primair ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). De rechtbank moet in dat verband beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Artikel 5a WVW 1994 is een nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2020. Wat de betekenis is van de in die bepaling opgenomen begrippen, is dan ook nog niet in de rechtspraak uitgemaakt. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5a WVW 1994.5

a. De verkeersregels

De verdachte wordt verweten dat hij de verkeersregels heeft geschonden. Daarbij gaat het volgens de officier van justitie om onnodig langzaam rijden, de auto onverwacht stilzetten, onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen, meermalen een doorgetrokken streep overschrijden en met (een deel van) de door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer rijden en tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte die gedragingen inderdaad heeft verricht, met uitzondering van het op onoverzichtelijke plaatsen onvoldoende rechts houden. De vraag is echter of deze gedragingen van de verdachte zijn aan te merken als het schenden van de verkeersregels, zoals bedoeld in artikel 5a WVW 1994. In dat artikel is een twaalftal gedragingen uitdrukkelijk, maar niet limitatief, benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Eén daarvan is het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat. De overige gedragingen van de verdachte zijn in het artikel niet uitdrukkelijk afzonderlijk vermeld. Wel is er een restcategorie, “overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang”. Volgens de wetgever wordt daarmee gedoeld op “alle verkeersnormen die in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn vervat”.6 Niet onnodig langzaam rijden en niet de auto onnodig stilzetten zijn echter geen in wet- of regelgeving vervatte verkeersnormen,7 zodat de verdachte in zoverre niet de verkeersregels als bedoeld in het wetsartikel heeft geschonden. Anders is dat voor het niet overschrijden van een doorgetrokken streep en het niet op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer rijden: deze verkeersnormen zijn wel vastgelegd in regelgeving.8 Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verkeersregels van soortgelijk belang als de in artikel 5a WVW 1994 uitdrukkelijk genoemde regels. De tussenconclusie is dan ook dat de verdachte de verkeersregels heeft geschonden door tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vast te houden, meermalen een doorgetrokken streep te overschrijden en op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer te rijden.

b. In ernstige mate

Artikel 5a WVW 1994 heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet zijn gelegen in de enkele schending van één verkeersregel. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels.9 Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen.10 Een dergelijke omstandigheid is ook – op grond van artikel 5a, tweede lid, WVW 1994 – de mate waarin de verdachte onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen.

In deze zaak gaat het om gedurende een langere tijd (dat wil zeggen: langer dan een enkel moment) schenden van meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels, terwijl de verdachte zodanig onder invloed was van lachgas dat hij niet tot niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en hij aan het bellen was. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

c. Opzettelijk

Volgens de wetgever moet het opzet van de verdachte zowel zijn gericht op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels.11

De rechtbank is van oordeel dat het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een auto niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Het opzet kan in dit geval bovendien worden afgeleid uit de verklaring van de verdachte: hij werd tijdens het rijden gebeld en heeft opgenomen met de telefoon in zijn hand. Daarin ligt een bewuste keuze besloten. Ook voor het onder invloed van lachgas rijden geldt dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan; de rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 3.4.3 heeft overwogen. Door tijdens het rijden te bellen wordt de concentratie en daarmee de rijvaardigheid van de bestuurder verminderd. Dat geldt te meer als niet handsfree wordt gebeld. Ook door het gebruik van lachgas wordt, zoals hiervoor overwogen, de rijvaardigheid negatief beïnvloed. Door die verminderde rijvaardigheid bestaat een aanmerkelijke kans dat de bellende en onder invloed van lachgas verkerende bestuurder ook andere verkeersregels schendt. De verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest, aangezien dit feiten van algemene bekendheid zijn. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij door het telefoongesprek ‘minder aan het opletten’ was. Door toch te bellen tijdens het rijden, met zijn telefoon in zijn hand, en onder invloed te zijn van lachgas, heeft de verdachte dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook andere verkeersregels zou schenden, zoals in dit geval door het overschrijden van een doorgetrokken streep en het rijden op de verkeerde weghelft. De verdachte heeft dus ook opzet – in voorwaardelijk zin – gehad op het schenden van die verkeersregels.

Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten volgens de wetgever de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.12 In deze zaak bestond het samenstel van gedragingen van de verdachte eruit dat hij meermalen een doorgetrokken streep heeft overschreden en daarbij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden, terwijl hij aan het bellen was met zijn mobiele telefoon in zijn hand en terwijl hij onder invloed was van lachgas. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.

d. Gevaar te duchten

Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.13 In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat op een provinciale weg – en zeker op een tweebaansweg – door het vertonen van het hiervoor beschreven rijgedrag, op een doordeweekse dag omstreeks 15.15 uur; een tijdstip waarop daar naar verwachting ander verkeer aanwezig is. Dat die situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan blijkt uit de bewijsmiddelen: het was druk op de weg en een tegenligger heeft moeten uitwijken om een frontale botsing met de auto van de verdachte te voorkomen. De rechtbank acht dus bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.

Conclusie

De rechtbank acht daarmee het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.
hij op 8 april 2020 te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de provinciale weg N470 en de Noordeindseweg, opzettelijk zich zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- meermalen een doorgetrokken streep te overschrijden en met (een deel van) de door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer te rijden en
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vast te houden,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW 1994;


2.
hij op 8 april 2020 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, als bestuurder van een voertuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest. De officier van justitie heeft daarbij de strafvorderingsrichtlijn van het openbaar ministerie voor overtreding van artikel 5a WVW 1994 tot uitgangspunt genomen. Die richtlijn vermeldt een gevangenisstraf van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De officier van justitie heeft een hogere straf geëist omdat de verdachte onder invloed van lachgas heeft gereden. Volgens de officier van justitie is sprake van eendaadse samenloop van feit 1 primair en feit 2.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in geval van strafoplegging te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf en een geheel voorwaardelijke rijontzegging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en zijn gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft als bestuurder van een auto opzettelijk meerdere verkeersregels geschonden: hij reed onder invloed van lachgas, was aan het bellen met zijn telefoon in zijn hand en overschreed meerdere keren een doorgetrokken streep op een tweebaansweg, waardoor hij deels met zijn auto op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer is gekomen. De verdachte heeft zich daarmee volstrekt onverantwoordelijk gedragen op de weg. Hij heeft welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkig toeval dat niemand als gevolg van het gedrag van de verdachte ernstig letsel of erger heeft opgelopen.

Persoon van de verdachte en persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 7 september 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Dit legt in zoverre dus geen gewicht in de schaal. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die van invloed zouden moeten zijn op de op te leggen straf.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop van de beide bewezen verklaarde feiten. Onder 2 is immers bewezen verklaard dat de verdachte heeft gereden onder invloed van lachgas, terwijl dit ook onder 1 is bewezen verklaard als onderdeel van het zeer gevaarlijke rijgedrag van de verdachte. Daarbij komt dat de beide overtreden bepalingen (de artikelen 5a en 8 van de WVW 1994) hetzelfde belang beschermen, namelijk de verkeersveiligheid. Dat betekent dat de rechtbank de strafoplegging alleen zal baseren op het onder 1 bewezen verklaarde.

Strafmaat

Het misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 5a WVW 1994 is sinds begin dit jaar in de wet opgenomen. De wens van de wetgever was om tegen ernstige verkeersovertredingen met grote risico’s voor de verkeersveiligheid, ook wanneer zij gelukkigerwijs zonder gevolgen blijven, krachtig te kunnen optreden.14 Op overtreding van artikel 5a WVW 1994 staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie. Daarnaast kan een ontzegging van de rijbevoegdheid van maximaal vijf jaren worden opgelegd.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank geen acht kunnen slaan op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, omdat zulke zaken er nog niet zijn geweest, althans geen zaken waarin enkel de overtreding van artikel 5a WVW 1994 is ten laste gelegd en bewezen verklaard. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zaken waarin sprake is van schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige gevolgen (artikel 6 WVW 1994). Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval met tijdelijke ziekte tot gevolg, een gevangenisstraf van twee maanden en een rijontzegging van een jaar. Artikel 5a WVW 1994 verschilt daarvan enerzijds doordat sprake is van opzet, wat een zwaarder verwijt is dan schuld, maar anderzijds doordat juist geen gevolg is opgetreden.

Gelet daarop, en in aanmerking genomen het ernstig gevaarzettend karakter van het delict, acht de rechtbank voor overtreding van artikel 5a WVW 1994 door de bestuurder van een motorvoertuig in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging aangewezen. De in de strafvorderingsrichtlijn van het openbaar ministerie voor een geval als dit vermelde strafhoogtes acht de rechtbank als uitgangspunt passend.15 Voor een samenstel van gedragingen verricht door de bestuurder van een motorvoertuig zonder recidive gaat het om een gevangenisstraf van vier weken en een rijontzegging van zes maanden.

De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken; niet in strafmatigende, maar ook niet in strafverhogende zin. Anders dan de officier van justitie kent de rechtbank aan de omstandigheid dat de verdachte onder invloed was van lachgas geen zelfstandige, strafverhogende betekenis toe. Die omstandigheid weegt immers al mee bij de vraag of sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.16

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, acht de rechtbank geen andere dan een vrijheidsbenemende straf passend.

De rechtbank zal dus aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020097232, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer (DH), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 23).

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2020, p. 4-5.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

4 Rapport ‘Risicobeoordeling lachgas’, Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (onderdeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), november 2019, te raadplegen op https://www.rivm.nl/documenten/cam-rapport-risicobeoordeling-lachgas. Zie in het bijzonder p. 23, par. 4.1.3.

5 Kamerstukken II 2018-19, 35 086.

6 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 13.

7 Artikel 23 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) verbiedt de bestuurder zijn voortuig te laten stilstaan op een kruispunt of overweg. In deze zaak gaat het echter om een rotonde. Artikel 43 RVV 1990 verbiedt het bestuurders op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan. In deze zaak gaat het echter om een provinciale weg.

8 Artikel 76 RVV 1990 verbiedt het overschrijden van een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt. Artikel 3 RVV 1990 verplicht bestuurders zoveel mogelijk rechts te houden.

9 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 11-12.

10 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 14.

11 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 11.

12 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 11.

13 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 13.

14 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 1.

15 Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval, Stcrt. 2019, 66642.

16 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 13.